Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5406

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
AWB 10/25177
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onjuiste gegevens identiteit / artikel 15c Definitierichtlijn / gestelde afkomst uit Mogadishu / geen herkomstvragen / zorgvuldigheid en motivering.

Niet is in geschil dat eiseres in Italië onjuiste gegevens heeft verstrekt over haar identiteit en dat zij de thans door haar gestelde identiteit niet nader heeft onderbouwd. Echter, anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, is niet eerder gesteld of gebleken dat eiseres wisselend heeft verklaard over haar gestelde herkomst uit Mogadishu. Nu niet in geschil is dat ten tijde van het bestreden besluit in Mogadishu sprake was van een situatie als bedoeld in het toenmalige artikel 3.105d van het Vb 2000, heeft verweerder de aanvraag van eiseres niet zonder meer zonder nader onderzoek naar haar gestelde herkomst kunnen afdoen. De enkele overweging dat identiteit onlosmakelijk is verbonden met nationaliteit is daartoe onvoldoende, nu twijfel aan de identiteit en/of nationaliteit van de vreemdeling naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijkerwijs met zich meebrengt dat de herkomst van de vreemdeling ongeloofwaardig is. Overigens heeft verweerder ter zitting verklaard niet expliciet aan de door eiseres gestelde nationaliteit te twijfelen. Voorts is niet gebleken van de situatie dat eiseres iedere mogelijkheid aan verweerder heeft ontnomen om nader onderzoek te doen naar de herkomstvraag. Derhalve is het besluit op dit onderdeel onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 10/25177

V-nr.: [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

[eiseres] dan wel [bijnaam],

geboren op [geboortedatum] 1993, dan wel op een datum in 1989, van Somalische nationaliteit, eiseres,

gemachtigde: mr. T. Neijzen, advocaat te Leiden,

en:

de minister voor Immigratie en Asiel, rechtsopvolger van de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Hofland, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 3 maart 2009 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Daarnaast is besloten eiseres niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Op 15 juli 2010 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig een oom van eiseres. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Feiten en asielrelaas

Bij besluit van 29 april 2009, uitgereikt op 7 mei 2009, is de onderhavige aanvraag van eiseres afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 omdat de Italiaanse autoriteiten verantwoordelijk werden gehouden voor de behandeling van deze aanvraag (Dublinbesluit).

Eiseres heeft op 28 juli 2009 aangifte gedaan van mensenhandel. Op dezelfde datum heeft zij een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, hoofdstuk B9. Deze aanvraag is op 29 juli 2009 ingewilligd, met een geldigheidsduur tot 28 juli 2010.

Op 6 augustus 2009 is het Dublinbesluit van 29 april 2009 ingetrokken.

Op 3 september 2009 is de aangifte van eiseres geseponeerd omdat er sprake was van onvoldoende dan wel gebrek aan bewijs dan wel onvoldoende aanwijzingen om tot verder onderzoek over te gaan en omdat de uitbuiting van aangeefster niet in Nederland heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft tegen deze beslissing geen beklag gedaan.

Bij besluit van 29 oktober 2009 is de verblijfsvergunning onder de beperking bedoeld in hoofdstuk B9 van de Vc 2000 ingetrokken met ingang van 3 september 2009. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 18 januari 2010 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft het volgende relaas aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres is afkomstig uit [plaats] en behoort tot de Shekal-clan. Eiseres verbleef vanaf haar zevende levensjaar bij een zogenaamde tante, [tante], voor wie zij zwaar werk moest verrichten en die haar vaak mishandelde. Vanaf 2003 mocht eiseres ook niet meer naar school, omdat dat te duur was. Eind 2007 hoorde eiseres via een vriendin, genaamd [vriendin], dat zij bij deze vrouw verbleef als een soort onderpand, omdat de moeder van eiseres geld aan [tante] schuldig was en dat [tante] geen echte familie van haar was. Toen eiseres [tante] vroeg of dit waar was, werd zij nog ernstiger mishandeld en opgesloten. Vervolgens wilde [tante] eiseres uithuwelijken aan haar broer, een oudere man die bij een gewapende groep hoorde. In februari 2008 vertelde [vriendin] dat ze zou vertrekken en dat eiseres met haar mee kon gaan. Samen zijn zij toen naar Libië vertrokken, waar eiseres drie maanden lang huishoudelijke werkzaamheden heeft verricht, waarna zij naar Italië is gereisd. In Italië hebben twee Somalische vrouwen haar reis naar Nederland geregeld. Eiseres heeft toen zij belde van haar moeder gehoord dat een meisje contact had opgenomen met de buren. Dit meisje had aan de buren van haar moeder verteld dat eiseres in Nederland in de prostitutie zat. Eiseres vreest vanwege deze roddel slachtoffer te worden van eerwraak dan wel van Al Shabaab.

Overwegingen

1.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 - zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit en voor zover hier van belang - kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

1.2. Ter implementatie van artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn) is artikel 3.105d, onder b, in het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, opgenomen. Ingevolge artikel 3.105d, aanhef en onder b, van het Vb 2000, thans neergelegd in artikel 29, eerste lid, onder b en onder 3, van de Vw 2000 wordt onder folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen mede verstaan ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag – voor zover thans van belang – mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.2. In paragraaf C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is onder meer bepaald dat verklaringen die inhouden dat een asielzoeker geen documenten heeft én niets meer weet van de reis niet geloofwaardig zijn. Het is aan de asielzoeker om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op een dergelijke wijze heeft gereisd. Dit bewijs kan alsnog worden geleverd door consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reis (nauwkeurige omschrijving vervoermiddel en verloop van de reis).

2.3. Volgens paragraaf C4/2.5 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, vormt de omstandigheid dat een vreemdeling onjuiste gegevens aan de Nederlandse autoriteiten verstrekt, dan wel de juiste gegevens verzwijgt teneinde te bewerkstelligen dat hij in een gunstiger positie komt te verkeren dan waarin hij zonder deze onjuiste gegevens zou verkeren, een contra-indicatie voor statusverlening. Hieronder valt bijvoorbeeld het verstrekken van onjuiste gegevens met betrekking tot de identiteit, waardoor mogelijkheden van onderzoek, bijvoorbeeld ten aanzien van verblijf in een derde land, worden belemmerd en het niet vermelden van een verblijf in een land vóór de komst naar Nederland.

3.1. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid de omstandigheid van artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000 aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen.

3.2. Verweerder heeft in dit verband overwogen dat eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over haar reisroute en geen enkel indicatief bewijs daarvan heeft overgelegd. In ieder geval heeft eiseres volgens haar eigen verklaringen beschikt over een Italiaanse verblijfsbrief en voorts had eiseres het busticket of andersoortige bewijzen kunnen overleggen om aan te tonen dat zij heeft gereisd zoals zij stelt.

3.3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij nimmer documenten heeft gehad waaruit haar identiteit blijkt en dat haar in ieder geval niet kan worden verweten dat zij geen documenten heeft overgelegd. Ten aanzien van het asielrelaas bestaan geen documenten en eiseres heeft voorts uitgebreid verklaard hoe zij heeft gereisd. Het vereisen van documenten die niet bestaan ofwel nimmer in het bezit van eiseres zijn geweest, is kennelijk onredelijk.

3.4. De rechtbank stelt vast dat eiseres zelf heeft verklaard dat zij in Italië heeft beschikt over een identiteitsdocument. Nu zij voorts per bus heeft gereisd kan zij niet worden gevolgd in haar stelling dat zij ter onderbouwing van de reisroute over geen enkel (indicatief) document heeft beschikt. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat eiseres deze stukken niet heeft overgelegd.

4.1. Voorts is aan de orde de vraag of verweerder eiseres in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen dat zij onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden om te bewerkstelligen dat zij in een gunstigere situatie zou komen te verkeren dan zij zonder het verstrekken van die gegevens zou hebben verkeerd.

4.2. Verweerder acht het verstrekken van onjuiste gegevens toerekenbaar, nu het vermoeden dat eiseres een potentieel slachtoffer zou kunnen zijn van mensenhandel sinds de plaatsing in de beschermde opvang is weggenomen. Dit wordt ondersteund door de sepotbeslissing van de Officier van Justitie en de nadien in het kader van de asielaanvraag door eiseres afgelegde verklaringen staven deze conclusie nog meer. Eiseres heeft verklaard dat zij met een vriendin naar Libië is gereisd. Aldaar heeft zij zelfstandig geld verdiend om de overtocht naar Italië te bekostigen. In Italië kwam eiseres vervolgens in aanraking met twee vrouwen, die haar wat geld hebben geleend voor de doorreis naar Nederland. Eiseres heeft tijdens het aanvullende gehoor uiteengezet dat haar eerdere verklaring dat ze als prostituee in Nederland zou moeten werken enkel is gebaseerd op haar eigen veronderstellingen. Die veronderstellingen zijn niet aannemelijk geworden door enig zich voorgedaan hebbend feit. Van betrokkenheid van mensenhandelaren bij het vertrek van eiseres uit [plaats], naar Libië, vervolgens naar Italië en uiteindelijk naar Nederland is dan ook niet gebleken. Aan de inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas wordt daarom niet toegekomen.

4.3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar als slachtoffer van mensenhandel niet mag worden tegengeworpen dat zij aanvankelijk haar verblijf in Italië heeft verzwegen, althans dat dit niet kan leiden tot de conclusie dat het relaas ongeloofwaardig is. Eiseres handelde als slachtoffer van mensenhandel en was bovendien nog niet gedeprogrammeerd. Eiseres wijst erop dat er al bij binnenkomst aanwijzingen waren dat zij slachtoffer was van mensenhandel en is dan ook direct in de beschermde opvang geplaatst. Verweerder heeft voorts onvoldoende rekening gehouden met haar ernstig verslechterende psychische situatie. Het is ook weinig fijnzinnig om een kind dat slachtoffer is van mensenhandel te verwijten dat ze door te zwijgen “er beter van wordt”. Eiseres verwijst daarbij naar een brief van de unitmanager landelijke amv-taken van 11 maart 2009 en naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 januari 2010 (LJN: BL0264). Uit de sepotbeslissing blijkt niet dat mensenhandel niet aannemelijk zou zijn, anders zou dit expliciet vermeld zijn, temeer wanneer er sprake is van onjuistheden en erger. Verweerder presenteert de verklaringen van eiseres anders dan zij in wekelijkheid zijn. Eiseres heeft nooit verklaard vanuit Somalië via Libië en Italië te zijn verhandeld. Eiseres is vanuit Somalië verhandeld. Overigens wordt opgemerkt dat verweerder ter vaststelling van de herkomst van eiseres nimmer herkomstvragen heeft gesteld, terwijl dit anders standaard plaatsvindt. Voorts stelt eiseres zich gemotiveerd op het standpunt dat zij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c dan wel d, van de Vw 2000.

4.4.1. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres in Italië een andere dan haar eigen naam, althans een bijnaam, en een onjuiste geboortedatum heeft opgegeven. Ook staat vast dat eiseres na het indienen van haar asielaanvraag hier te lande heeft verzwegen en aanvankelijk heeft ontkend dat zij in Italië heeft verbleven. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het verstrekken van onjuiste gegevens en het verzwijgen van gegevens in het onderhavige geval toerekenbaar is.

4.4.2.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel. Het enkele feit dat eiseres, anders dan eiseres overigens heeft gesteld, niet onmiddellijk na het indienen van haar asielaanvraag maar later alsnog, in de beschermde opvang is geplaatst, is daartoe onvoldoende. Weliswaar betoogt eiseres voorts terecht dat uit de sepotbeslissing niet is af te leiden dat de politie geconcludeerd zou hebben dat er geen sprake is van mensenhandel, maar anderzijds blijkt uit de gronden van dat besluit evenmin dat daar wel (voldoende) aanwijzingen voor waren. Verder heeft eiseres tijdens haar asielgehoren inconsistente verklaringen afgelegd over de vrouwen die haar zouden hebben geholpen van Italië naar Nederland te reizen en de bedoelingen die deze vrouwen met eiseres zouden hebben gehad. Anders dan in de zaak die aan de orde was bij de Afdeling, vond het nader gehoor van eiseres plaats op het moment dat zij al in de beschermde opvang had verbleven en uitleg had gekregen over mensenhandel en mensensmokkel. Verweerder heeft dan ook de verklaringen van eiseres over de gestelde mensenhandel kunnen betrekken bij zijn oordeel over de geloofwaardigheid van de overige verklaringen van eiseres en in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten dat eiseres slachtoffer is geweest van mensenhandel.

4.4.2.2. Voor zover eiseres heeft betoogd dat de subjectieve vrees die zij had op het moment dat zij haar asielaanvraag in Nederland deed, haar ervan heeft weerhouden om onmiddellijk te verklaren dat zij eerder in Italië had verbleven en dat zij aldaar asiel had aangevraagd, overweegt de rechtbank dat deze gestelde subjectieve vrees evenmin steun vindt in het relaas dat eiseres naar voren heeft gebracht.

4.4.3. Verweerder heeft aldus in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat eiseres haar verblijf in Italië aanvankelijk heeft verzwegen en ontkend.

4.4.4. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder eiseres in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen dat zij in Italië een andere naam en geboortedatum heeft opgegeven. Uit het relaas van eiseres is naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze gebleken dat eiseres bij het doen van de aanvraag in Italië onder invloed heeft gestaan van mensenhandelaren. De verklaring dat zij had gehoord dat ze als minderjarige naar een speciaal kamp zou worden gestuurd en niet zou mogen werken, vormt geen verschoonbare reden voor het opgeven van een onjuiste geboortedatum. De verklaring dat [bijnaam] een bijnaam is die eiseres vaker gebruikte, vormt ook geen afdoende verklaring voor het niet opgeven van haar officiële naam en dit houdt overigens ook geen verband met haar gestelde angst om naar het kamp voor minderjarigen te worden gestuurd. Bovendien is gesteld noch gebleken dat eiseres tot het afleggen van deze onjuiste verklaringen in Italië onder druk is gezet.

4.4.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de omstandigheid van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 in samenhang met voornoemde contra-indicaties als ook het feit dat eiseres de thans door haar gestelde identiteit niet nader heeft onderbouwd, de overige verklaringen van eiseres eveneens in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten.

4.4.6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder, met uitzondering van hetgeen hierna met betrekking tot artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 wordt overwogen, op goede gronden heeft besloten eiseres niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op een van de gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

5.1. Voorts is aan de orde de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van het ten tijde van het bestreden besluit geldende artikel 3.105d van het Vb 2000 in samenhang met artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000. In dit kader is van belang of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres haar gestelde herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, gelet op de twijfel omtrent haar identiteit.

5.2. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat in Zuid- en Centraal Somalië, in het bijzonder in [plaats], sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals in voornoemd artikel. Eiseres heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2010 (LJN: BL1483) en de daarin genoemde stukken, naar het algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Somalië van 24 maart 2010, de guidelines van de UNHCR van 5 mei 2010, een bericht van Human Rights Watch (HRW) van 5 mei 2010 en het rapport van HRW getiteld “Harsh war, harsh peace (…)” van 13 mei 2010, een analyse van de Verenigde Naties (OCHA) van 30 april 2010 en het rapport “No end in sight (…)” van Amnesty International van 25 maart 2010. Uit deze stukken blijkt volgens eiseres dat de mate van willekeurig geweld dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op de in dit artikel bedoelde ernstige bedreiging. Eiseres heeft daarbij aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht waar eiseres vandaan komt, bijvoorbeeld door het stellen van herkomstvragen.

5.3. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het besluit heeft overwogen dat er geen aanknopingspunt is om aan deze bepaling, thans neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef, onder b en onder 3, van de Vw 2000 te toetsen omdat identiteit onlosmakelijk verbonden is met nationaliteit. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat niet expliciet ongeloofwaardig is geacht dat eiseres uit Somalië afkomstig is.

5.4. Zoals de rechtbank eerder heeft vastgesteld is niet in geschil dat eiseres in Italië onjuiste gegevens heeft verstrekt over haar identiteit noch dat eiseres de thans door haar gestelde identiteit niet nader heeft onderbouwd. Echter, anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, is niet eerder gesteld of gebleken dat eiseres wisselend heeft verklaard over haar gestelde herkomst uit [plaats]. Nu niet in geschil is dat ten tijde van het bestreden besluit in [plaats] sprake was van een situatie als bedoeld in voormeld artikel 3.105d van het Vb, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres niet zonder meer zonder nader onderzoek naar haar gestelde herkomst heeft kunnen afdoen. De enkele overweging dat identiteit onlosmakelijk is verbonden met nationaliteit is daartoe onvoldoende, nu twijfel aan de identiteit en/of nationaliteit van de vreemdeling naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijkerwijs met zich meebrengt dat de herkomst van de vreemdeling ongeloofwaardig is. Overigens heeft verweerder ter zitting verklaard niet expliciet aan de door eiseres gestelde nationaliteit te twijfelen.

5.5. Voor zover verweerder in het voornemen met de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2009 (nr. 200905228/1/V2, www.raadvanstate.nl) aansluiting heeft gezocht bij de situatie waarin asielzoekers zich in een gunstigere positie trachten te brengen door hun vingertoppen te manipuleren, overweegt de rechtbank het volgende. De Afdeling heeft in de uitspraak van 6 oktober 2009 (LJN: BJ9922) overwogen dat de vreemdeling verweerder door toerekenbaar geen documenten, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, te overleggen en voorts zijn vingertoppen zodanig te manipuleren dat geen goed dactyloscopisch signalement kan worden opgemaakt, elke mogelijkheid heeft ontnomen om zijn asielaanvraag te beoordelen met behulp van objectieve gegevens, zoals voormelde documenten en een dactyloscopisch signalement. Onder die omstandigheden mag verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat het onmogelijk is om onderzoek te doen naar de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling en de geloofwaardigheid van diens asielrelaas en dat de asielaanvraag derhalve reeds om die reden op grond van artikel 31, eerste lid, mede gelezen in verband met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 dient te worden afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in die zaak kennelijk geen aanleiding heeft gezien om nader in te gaan op het beroep van die vreemdeling op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Wat daar ook van zij, in het onderhavige geval is sprake van de situatie dat verweerder op geen enkele wijze, zoals te doen gebruikelijk door het stellen van herkomstvragen, heeft onderzocht of de gestelde herkomst van eiseres uit [plaats] al dan niet geloofwaardig is. Van de situatie dat eiseres iedere mogelijkheid aan verweerder heeft ontnomen om nader onderzoek te doen naar de herkomstvraag, is dan ook niet gebleken.

Ook anderszins heeft verweerder niet gemotiveerd waarom gedwongen terugkeer naar Somalië – gelet op de uitzonderlijke geweldssituatie in [plaats] – in het geval van eiseres geen schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden oplevert. Derhalve is het besluit op dat onderdeel onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

6. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

7. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 874,-- (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan de griffier;

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.B.C. van der Veer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2011.

De griffier De rechter

Afschrift verzonden op:

Conc.: JV

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.