Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5214

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
23-05-2011
Zaaknummer
AWB 11/8097
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Reëel zicht op uitzetting, noodpaspoorten, Surinaamse consulaat.

In het door eiser overgelegde e-mailbericht van 1 maart 2011 van het Surinaamse consulaat aan mr. E. Schoneveld, dat een andere vreemdeling betrof, staat het volgende vermeld: “Aan personen van Surinaamse origine die in vreemdelingenbewaring zitten, wordt tot nader order geen noodpaspoort verstrekt. De heer (…) zit in vreemdelingenbewaring. Aan hem wordt geen noodpaspoort verstrekt.”

Uit een brief van verweerder blijkt dat de Surinaamse autoriteiten nog na 1 maart 2011, en dus na genoemde e-mail van het Surinaamse consulaat aan mr. E. Schoneveld, voor zowel gedocumenteerde als ongedocumenteerde vreemdelingen die zich in vreemdelingenbewaring bevonden in totaal vijf noodpaspoorten hebben afgegeven. De duur van de onderzoeken was gemiddeld zes maanden en dus niet onredelijk lang. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze informatie van verweerder te twijfelen. De rechtbank acht de informatie van verweerder voldoende, en ziet in de enkele stelling van eiser dat het bij deze groep mogelijk ging om bijzondere gevallen, geen aanleiding om verweerder te verzoeken om meer gedetailleerde informatie te geven over de groep vreemdelingen aan wie het Surinaamse consulaat een noodpaspoort heeft verstrekt.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op voornoemde informatie van verweerder, op dit moment niet gesteld kan worden dat een reëel zicht op uitzetting ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 11/8097

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1981, van gestelde Surinaamse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.N. Mons, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Op 18 februari 2011 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Deze rechtbank en zittingsplaats heeft een eerder beroep tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 9 maart 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij heeft hij opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd en toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 22 maart 2011. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft onder verwijzing naar een e-mailbericht van 1 maart 2011 van het Surinaamse consulaat aan mr. E. Schoneveld, dat een andere vreemdeling betrof, aangevoerd dat door de Surinaamse autoriteiten aan personen die in vreemdelingenbewaring verblijven tot nader orde geen noodpaspoorten worden verstrekt.

Gelet hierop is er geen reëel zicht op uitzetting en dient de bewaring te worden opgeheven.

Ten aanzien van verweerders brief van 21 maart 2011 aan de rechtbank merkt eiser op dat deze brief geen antwoord geeft op de vraag om wat voor zaken het ging en onduidelijk is waarom verweerder het woord “circa” gebruikt bij het aantal afgegeven noodpaspoorten. Voorts heeft eiser aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verweerder is nagegaan of er een lichter middel mogelijk was. Eiser is van mening dat een lichter middel mogelijk is, nu hij zijn juiste gegevens heeft verstrekt, te kennen heeft gegeven terug te willen keren en een brief heeft geschreven naar de Surinaamse autoriteiten.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de voortduring van de bewaring rechtmatig is. Verweerder betwist dat zicht op uitzetting ontbreekt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder verwezen naar een brief van 21 maart 2011 aan de rechtbank waaruit blijkt dat na 1 maart 2011 noodpaspoorten zijn verstrekt door de Surinaamse autoriteiten. Verweerder heeft hierbij opgemerkt dat het woord “circa” is gebruikt om zekerheidshalve een slag om de arm te houden voor het geval achteraf zou blijken dat één noodpaspoort meer of minder is afgegeven. De rechtbank kan echter uitgaan van vijf afgegeven noodpaspoorten sinds 1 maart 2011.

3. Het onderhavige beroep is een vervolgberoep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank dient te beoor¬delen of de voortgezette toepassing daarvan sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige beroepsprocedure gerechtvaardigd is te achten.

4. De rechtbank overweegt het volgende. In het door eiser overgelegde e-mailbericht van 1 maart 2011 van het Surinaamse consulaat aan mr. E. Schoneveld, dat een andere vreemdeling betrof, staat het volgende vermeld:

“Aan personen van Surinaamse origine die in vreemdelingenbewaring zitten, wordt tot nader order geen noodpaspoort verstrekt.

De heer (…) zit in vreemdelingenbewaring. Aan hem wordt geen noodpaspoort verstrekt.”

Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een brief van 21 maart 2011 welke door verweerder in een bewaringsprocedure met het kenmerk AWB 11/7266 is ingebracht. In deze brief staat het volgende vermeld:

“Na 1 maart 2011 zijn circa vijf noodpaspoorten verstrekt voor zowel gedocumenteerde als ongedocumenteerde vreemdelingen. De tijd tussen de indiening van de lp-aanvraag en de toezegging van de afgifte van een noodpaspoort door het Surinaamse Consulaat Generaal bedroeg gemiddeld 6 maanden. In al deze gevallen bevonden de betreffende vreemdelingen zich vanaf het moment van indiening van de lp-aanvraag tot aan het moment van feitelijke uitzetting in vreemdelingenbewaring.”

5. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op voornoemde informatie van verweerder, op dit moment niet gesteld kan worden dat een reëel zicht op uitzetting ontbreekt. Uit voornoemde brief van verweerder blijkt dat de Surinaamse autoriteiten nog na 1 maart 2011, en dus na genoemde e-mail van het Surinaamse consulaat aan mr. E. Schoneveld, voor zowel gedocumenteerde als ongedocumenteerde vreemdelingen die zich in vreemdelingenbewaring bevonden in totaal vijf noodpaspoorten hebben afgegeven. De duur van de onderzoeken was gemiddeld zes maanden en dus niet onredelijk lang. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze informatie van verweerder te twijfelen. Verweerder heeft ter zitting een afdoende verklaring gegeven voor het vermelden van het woord “circa” in genoemde brief. De rechtbank acht de informatie van verweerder voldoende, en ziet in de enkele stelling van eiser dat het bij deze groep mogelijk ging om bijzondere gevallen, geen aanleiding om verweerder te verzoeken om meer gedetailleerde informatie te geven over de groep vreemdelingen aan wie het Surinaamse consulaat een noodpaspoort heeft verstrekt.

6. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat verweerder kan volstaan met toepassing van een lichter middel, verwijst de rechtbank naar haar uitspraak in het vorige beroep van eiser van 9 maart 2011 (AWB 11/5786), waarin dit standpunt al is beoordeeld. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in dit beroep naar voren heeft gebracht geen aanleiding om op dit moment tot een ander oordeel te komen.

7. Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel of de wijze van tenuitvoerlegging niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

8. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. A. El Markai, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2011.

Afschrift verzonden op:

Conc.: AEM

Coll: MP

D:

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.