Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5079

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
23-05-2011
Zaaknummer
AWB 11/3732 en AWB 11/3730
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BT2608, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Asiel, Irak, nova, uitzetting m.b.v. EU-staat, Iraakse nationaliteit is aannemelijk geworden.

Eiser zal mbv een EU staat worden uitgezet naar Irak. Het aannemelijk worden van verzoekers Iraakse nationaliteit is een nieuwe omstandigheid ten opzichte van het eerdere besluit van 5 november 2009. Verweerder kan worden gevolgd in zijn betoog dat deze omstandigheid voor wat betreft verzoekers asielrelaas, dat in Irak dan wel in Syrië is gesitueerd, niet kan afdoen aan het eerdere besluit. De Iraakse nationaliteit van verzoeker kan niet afdoen aan de conclusie van de taalanalyse van 8 mei 2009 over de herkomst van verzoeker. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2008 (LJN: BC7168). Echter, niet is op voorhand uitgesloten dat de Iraakse nationaliteit van verzoeker kan afdoen aan het eerdere besluit, voor wat betreft de stelling van verzoeker dat hij christen is en zijn beroep op de slechte positie van christenen in Irak, alsmede het beroep van verzoeker op de algehele slechte veiligheidssituatie in Irak, op grond waarvan hij meent bij terugkeer naar Irak een reëel risico te lopen op ernstige schade. De vergelijking met de zaak in voornoemde uitspraak van de Afdeling gaat op dit punt niet op. Gelet op het voorgaande kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de Iraakse nationaliteit van verzoeker kan afdoen aan het eerdere besluit van 5 november 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 11/3732 (voorlopige voorziening)

AWB 11/3730 (bodem)

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1978, van Iraakse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek, advocaat te Groningen,

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2011 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingen-wet (Vw) 2000 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij beroepschrift van 2 februari 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van eveneens 2 februari 2011 heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig M. Essebai, tolk Arabisch.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Feiten en asielrelaas

Op 11 november 2008 heeft verzoeker voor het eerst een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit van 5 november 2009 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker, gelet op door hem overgelegde valse identiteits-documenten en een rapport taalanalyse van Bureau Land en Taal van 8 mei 2009, de door hem opgegeven identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Als gevolg daarvan wordt verzoekers asielrelaas ongeloofwaardig geacht. Het hiertegen gerichte beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 19 augustus 2010 (AWB 09/44346) ongegrond verklaard.

Op 16 november 2010 heeft verzoeker een tweede aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend, onder overlegging van een Iraakse identiteitskaart uit 1993. Uit documentenonderzoek is gebleken dat deze identiteitskaart een hoogst-waarschijnlijk echt document betreft. Bij besluit van 24 november 2010 heeft verweerder de aanvraag op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen, omdat - zakelijk weergegeven - niet is vast te stellen of het document op verzoeker betrekking heeft en de identiteitskaart voorts stamt uit 1993 en verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze niet eerder had kunnen overleggen. Deze kaart kan dus niet afdoen aan de conclusie in het eerdere besluit dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 15 december 2010 (AWB 10/40756) is het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard.

Op 27 januari 2011 heeft verzoeker onderhavige aanvraag ingediend. Aan de aanvraag heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat thans is komen vast te staan dat hij de Iraakse nationaliteit heeft, nu de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) hem op 7 maart 2011 zal uitzetten naar Irak met behulp van een EU-staat. Omdat verzoeker christen is, vreest hij te worden vermoord in Irak. In Irak worden aanslagen gepleegd, waarvan met name christenen het doelwit zijn. Ook is de algemene veiligheidssituatie in Irak is erg slecht, zodat hij ook slachtoffer zal worden van het willekeurige geweld aldaar.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Partijen zijn op deze bevoegdheid gewezen.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker tweemaal eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend, die zijn afgewezen. De onderhavige aanvraag is dus een herhaalde aanvraag.

4. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager in geval van een herhaalde aanvraag gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) te vermelden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) vloeit voort dat voor de beoordeling van een besluit op een herhaalde aanvraag, de voorzieningenrechter, los van de stellingen van partijen, direct moet treden in de vraag of aan de aanvraag nova ten grondslag zijn gelegd. Onder nova moeten onder meer worden verstaan feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden en behoorden te worden aangevoerd, alsmede stukken die kunnen dienen ter ondersteuning van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden en behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nova die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als hiervoor bedoeld.

6.1. Eiser heeft gesteld dat sprake is van nova, zodat zijn aanvraag niet op grond van artikel 4:6 van de Awb afgewezen had kunnen worden. De nova bestaan hieruit, dat verzoeker op maandag 7 maart 2011 zal worden uitgezet naar Irak met behulp van een EU-staat. Daaruit blijkt dat verzoeker wel degelijk de Iraakse nationaliteit heeft. Dat feit kan afdoen aan het eerdere besluit van 5 november 2009.

6.2. Verweerder heeft in het voornemen van 31 januari 2011 aangevoerd dat geen sprake is van nova, omdat verzoeker met het voorgaande nog immer zijn gestelde herkomst en afkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Mede gelet op het rapport taalanalyse van 8 mei 2009, waarin is geconcludeerd dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Irak, en de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 19 augustus 2010 en 15 december 2010, wordt Irak niet als verzoekers land van herkomst beschouwd. De omstandigheid dat verzoeker naar Irak zal worden uitgezet doet niet af aan het eerdere besluit van 5 november 2009, nu een EU-staat niet kan dienen ter weerlegging van de conclusie van de taalanalyse inzake verzoekers herkomst en het daarop gebaseerde standpunt dat verzoekers asielrelaas ongeloofwaardig is. Verweerder verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2008 (LJN: BC7168). Ter zitting heeft verweerder aanvullend aangevoerd dat, hoewel verzoeker naar Irak zal worden uitgezet met behulp van een EU-staat en de Iraakse autoriteiten verzoeker zullen toelaten tot Irak, daarmee nog altijd niet verzoekers nationaliteit aannemelijk is gemaakt.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

6.3. Hoofdstuk A4/4.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 bepaalt het volgende:

In voorkomende gevallen kan het vertrek uit Nederland plaatsvinden met behulp van een EU-staat als bedoeld in de Aanbeveling van de Raad van 30 november 1994 betreffende de aanneming van een standaard-reisdocument voor de verwijdering van onderdanen van derde landen (Publicatieblad Nr. C 274 van 19/09/1996 blz. 18-19, zie model M80). Dit document wordt afgegeven door de Nederlandse overheid indien de nationaliteit van de vreemdeling voldoende aannemelijk is (vet gemaakt door rechtbank). De EU-staat kan worden gebruikt bij terugkeer naar het land van herkomst, maar in voorkomende gevallen ook bij de terugkeer naar een ander land. Tevens kan het document worden gebruikt als ondersteunend reisdocument bij overdracht naar andere Europese landen.

Bij gebruikmaking van een EU-staat in het kader van het vertrek uit Nederland dient aan de volgende – cumulatieve – voorwaarden voldaan te zijn:

– het is niet mogelijk gebleken tijdig een (vervangend) reisdocument te verkrijgen van de betreffende (feitelijke) autoriteiten in het land van herkomst of een derde land, of er zijn met de autoriteiten van het desbetreffende land afspraken gemaakt over het gebruik van de EU-staat;

– er bestaan één of meerdere aanwijzingen op grond waarvan de nationaliteit en, in voorkomende gevallen, de identiteit van de betrokken vreemdeling aangenomen kan worden;

– er bestaat een redelijke kans dat de betrokken vreemdeling wordt toegelaten in het land waar hij naar terug dient te keren.

In alle gevallen vindt afgifte van een EU-staat plaats door de DT&V. Het verdient aanbeveling om, indien aanwezig, bij de EU-staat, (kopieën van) identiteits(ondersteunende) documenten te voegen, zoals een rijbewijs of geboorteakte. De (kopieën van deze) documenten mogen geen asielgerelateerde informatie bevatten.

6.4. Daarnaast heeft verzoeker in de beroepsgronden en ter zitting aangevoerd, dat in een uitvoerig gesprek met de DT&V, deze - in de persoon van [medewerker] - de procedure met betrekking tot een EU-staat heeft toegelicht en heeft verklaard dat ten aanzien van verzoeker, tezamen met een laissez-passer opdracht ook een nationaliteitsverklaring en een identiteitskaart uit Irak zijn toegezonden aan de Iraakse autoriteiten. Verweerder heeft het voorgaande niet betwist.

6.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu er een EU-staat is opgemaakt voor eiser en hij naar Irak zal worden uitgezet, voldoende aannemelijk is gemaakt dat verzoeker de Iraakse nationaliteit heeft. De rechtbank verwijst hierbij naar voormeld beleid van verweerder, in combinatie met het feit dat eiser een authentiek identiteitsdocument had dat, hoewel in de tweede asielprocedure is geoordeeld dat niet was gebleken dat het document op verzoeker betrekking had, door verweerder is gebruikt om verzoekers uitzetting naar Irak met behulp van een EU-staat mogelijk te maken. Het aannemelijk worden van verzoekers Iraakse nationaliteit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een nieuwe omstandigheid ten opzichte van het eerdere besluit van 5 november 2009.

6.6. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of op voorhand is uitgesloten dat deze nieuwe omstandigheid kan afdoen aan het eerdere besluit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder worden gevolgd in zijn betoog dat deze omstandigheid voor wat betreft verzoekers asielrelaas, dat in Irak dan wel in Syrië is gesitueerd, niet kan afdoen aan het eerdere besluit. De Iraakse nationaliteit van verzoeker kan niet afdoen aan de conclusie van de taalanalyse van 8 mei 2009 over de herkomst van verzoeker. De rechtbank verwijst naar de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2008.

Echter, naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet uitgesloten dat de Iraakse nationaliteit van verzoeker kan afdoen aan het eerdere besluit, voor wat betreft de stelling van verzoeker dat hij christen is en zijn beroep op de slechte positie van christenen in Irak, alsmede het beroep van verzoeker op de algehele slechte veiligheidssituatie in Irak, op grond waarvan hij meent bij terugkeer naar Irak een reëel risico te lopen op ernstige schade. De vergelijking met de zaak in voornoemde uitspraak van de Afdeling gaat op dit punt niet op. In die zaak ging het er juist om dat het asielrelaas zich afspeelde in het land van herkomst. Omdat het land van herkomst vanwege de taalanalyse niet duidelijk was, kon ook het relaas dat zich in dat gestelde land van herkomst afspeelde niet geloofwaardig worden geacht. In onderhavige zaak gaat het echter om het gestelde feit dat hij christen is en de algehele situatie in Irak. In dat kader is niet van belang wat het herkomstland is van verzoeker.

6.7. Gelet op het voorgaande kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de Iraakse nationaliteit van verzoeker kan afdoen aan het eerdere besluit van 5 november 2009, zodat de voorzieningenrechter het bestreden besluit kan beoordelen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag van verzoeker ten onrechte onder toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen.

7. Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in gegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De voorzieningenrechter beslist dan ook met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep. Op grond van het voorgaande zal de voorzieningen-rechter het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit wegens schending van artikel 3:46 van de Awb vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Het voorgaande betekent eveneens dat verzoeker gelet op artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 de nieuwe beslissing op zijn aanvraag mag afwachten en de geplande vlucht van maandag 7 maart 2011 geen doorgang kan vinden.

8. Het voorgaande brengt verder mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang afwijst.

9. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid in samenhang met artikel 8:75 van de Awb, als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van beide zaken bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1311,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt

€ 437,--, wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 11/3730,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 27 januari 2011 met inachtneming van deze uitspraak,

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 11/3732,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

in beide zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 1311,-- (zegge: duizenddriehonderdelf euro), te betalen door verweerder aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan op 4 maart 2011 door mr. J.T.H. Zimmerman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Kreb, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op:

Conc.: EK

Coll.:

D: B

VK

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen één week na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.