Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ4774

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-05-2011
Datum publicatie
17-05-2011
Zaaknummer
AWB 10/42242
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag / Democratische Republiek Congo / Reis- en identiteitsdocumenten / Medische omstandigheden / Rapport medische onderzoeksgroep (MOG) van Amnesty International / R.C. tegen Zweden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het beoordelen van de positieve overtuigingskracht van het relaas onvoldoende rekening gehouden met het rapport van het MOG van 9 april 2010. In dat verband acht de rechtbank van belang dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas gewicht toekent aan een medische verklaring ter onderbouwing van de stelling dat de vreemdeling is gemarteld (zoals volgt uit het arrest in de zaak R.C. tegen Zweden (zaaknummer 41827/07, JV 2010/147)). Voorts acht de rechtbank van belang dat uit verweerders eigen beleid volgt (paragraaf C14/3.5.2 Vc 2000) dat verweerder gehouden is de inhoud van een rapportage van de MOG mee te nemen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, indien de asielzoeker de gestelde medische aspecten met het rapport heeft gestaafd.

Dat verweerder ondanks de rapportage van de MOG zonder nadere motivering heeft vastgehouden aan het aanvankelijk gemaakte, en in het besluit neergelegde geloofwaardigheidsoordeel acht de rechtbank onzorgvuldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaksnummer: AWB 10/42242 BEPTDN S6

Uitspraak van de rechtbank van 12 mei 2011

inzake:

[...],

geboren 1981,

van Kongolese nationaliteit,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

eiser,

gemachtigde: mr. I.M. Hidding, advocaat te Nieuw-Amsterdam,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman, ambtenaar bij de IND.

Procesverloop

Op 17 september 2008 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 9 november 2010 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

Bij beroepschrift van 6 december 2010 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen dit besluit. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Bij brief van 21 maart 2011 heeft verweerder te kennen gegeven af te zien van het indienen van een verweerschrift.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 31 maart 2011. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Motivering

In geschil is of verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000.

Eiser heeft ten eerste aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3.119 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is genomen, nu na het uitreiken van het voornemen nieuwe feiten – het rapport van de medische onderzoeksgroep (MOG) van Amnesty International van 9 april 2009 – bekend zijn geworden en eiser desondanks niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze daarop naar voren te brengen. Verweerder had volgens eiser een nieuw voornemen moeten uitbrengen.

Artikel 3.119 van het Vb 2000 luidt:

"Wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden:

a. bekend worden, of

b. reeds bekend waren maar naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling anders worden beoordeeld of gewogen, die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn en Onze Minister voornemens blijft de aanvraag af te wijzen, wordt dit aan de vreemdeling meegedeeld en wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen."

Blijkens paragraaf C 15/6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kan het, wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen nieuwe feiten of omstandigheden bekend worden, of indien reeds bekende feiten en omstandigheden anders worden beoordeeld of gewogen, voorkomen dat het voornemen tot afwijzen blijft bestaan, maar dat, gemeten naar de nieuwe stand van zaken, niet alle dragende overwegingen in het voornemen zijn opgenomen. In dat geval wordt een nieuwe voornemenprocedure gestart.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van het rapport van het eerste gehoor op 18 september 2008, het rapport van het nadere gehoor op 5 maart en 15 april 2009 en het rapport van het aanvullende gehoor op 1 juli 2009 een voornemen tot afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan eiser kenbaar heeft gemaakt. Op 13 oktober 2009 is namens eiser een zienswijze bij verweerder ingediend. Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Na het uitbrengen van het besluit tot afwijzing heeft eiser op 13 april 2010 het rapport van de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International (MOG) overgelegd. Bij uitspraak van 7 oktober 2010 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep tegen het besluit van 20 oktober 2010 gegrond verklaard, nadat verweerder heeft aangegeven het bestreden besluit te willen intrekken en een nieuw besluit uit te zullen brengen. Verweerder heeft na deze uitspraak het bestreden besluit genomen. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat uit het rapport van de MOG niet blijkt dat eiser niet in staat was om gehoord te worden. Ten aanzien van de overige conclusies van het rapport van de MOG heeft verweerder opgemerkt dat het relaas van eiser ongeloofwaardig wordt geacht en dat de littekens en psychische problemen van eiser niet kunnen worden herleid tot de door eiser gestelde problemen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht het bestreden besluit genomen, zonder daaraan voorafgaand een nieuw voornemen uit te brengen en aan eiser de gelegenheid te geven om zijn zienswijze daarover naar voren te brengen. De verkregen informatie omtrent de medische klachten van eiser heeft immers niet geleid tot een andere beoordeling of weging door verweerder, noch voor wat betreft de vraag of eiser gehoord kon worden, noch ten aanzien van de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Het voornemen bevatte reeds de dragende overwegingen van verweerder. Gelet hierop bestond voor verweerder derhalve geen aanleiding om een nieuw voornemen uit te brengen.

Verweerder heeft de aanvraag mede afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Verweerder is van mening dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit, alsmede dat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan de vaststelling van de reisroute, en dat daardoor op voorhand afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Voorts is verweerder van mening dat de verklaringen van eiser positieve overtuigingskracht ontberen, zodat geen geloof wordt gehecht aan zijn asielrelaas.

Eiser heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden.

Volgens vaste jurisprudentie behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst.

Verweerder pleegt het relaas van de asielzoeker en de daarin gestelde feiten voor waar aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien geldt daarvoor als vereiste dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw 2000 opgesomde omstandigheden die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker voordoen. Wordt aan dat laatste vereiste niet voldaan, dan mogen ingevolge artikel 31 Vw 2000 in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij toerekenbaar geen reis- of identiteitspapieren heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Volgens paragraaf C4/3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag van belang de identiteit van de asielzoeker, de nationaliteit van de asielzoeker, de reisroute van de asielzoeker en het asielrelaas van de asielzoeker. In paragraaf C4/3.6.3 van de Vc 2000 is vermeld, indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van deze elementen documenten ontbreken en indien dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, dat dit reeds voldoende is voor de conclusie dat sprake is van toerekenbaar ontbreken van documenten.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet overleggen van reisdocumenten toerekenbaar is. Verweerder heeft overwogen dat eiser heeft nagelaten door middel van zijn verklaringen zijn reisroute aannemelijk te maken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet door middel van gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen zijn reisroute aannemelijk heeft gemaakt. Van een persoon die verklaard heeft van de Democratische Republiek Congo naar Nederland te hebben gereisd mag worden verwacht dat hij informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken als de naam van de luchtvaartmaatschappij waarmee hij heeft gevlogen en het vluchtnummer. Eiser kon zijn vluchtnummer niet noemen en evenmin de naam van de vliegtuigmaatschappij van zijn vlucht van Nairobi naar Nederland. Ook wist eiser niet te vertellen op welke dag hij is vertrokken. Dat eiser moe was en problemen had, doet hier niet aan af.

Mede gelet op het hiervoor weergegeven beleid is de rechtbank van oordeel dat verweerder reeds hierom in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. Hetgeen is aangevoerd ten aanzien van het toerekenbaar ontbreken van identiteits- en nationaliteitsdocumenten behoeft dan ook geen bespreking.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

Verweerder heeft zich in het kader van het ontbreken van de positieve overtuigingskracht onder meer op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn detenties, namelijk over het aantal keer dat hij heeft vastgezeten en op welke data hij gedetineerd is geweest. Daartoe heeft verweerder in het bestreden besluit een vergelijking gemaakt tussen eisers verklaringen tijdens het eerste gehoor en zijn verklaringen tijdens het nader en aanvullend gehoor. Tijdens het eerste gehoor heeft eiser verklaard dat hij eenmaal gedetineerd is geweest, en wel van 15 tot 17 mei 2008, terwijl hij later heeft verklaard dat hij tweemaal gedetineerd is geweest, en dat de tweede detentie duurde van 15 tot 25 mei 2008. Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van verweerder bevestigd dat waar verweerder spreekt over het wisselend verklaren over de data waarop eiser gedetineerd is geweest, wordt gedoeld op voornoemd verschil in de duur van de eerste detentie tussen het eerste en het nader/aanvullend gehoor.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – onder meer de uitspraken van 8 oktober 2002 (JV 2002, 414) en van 9 januari 2006 (JV 2006, 190) – richt het eerste gehoor zich niet op de asielmotieven van de vreemdeling. De aan de vreemdeling tijdens het eerste gehoor gestelde vraag naar arrestaties/detenties moet dan ook veeleer worden gelezen in verband met de daaraan vooraf gestelde vraag naar criminele antecedenten en los worden gezien van het asielrelaas.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal en de duur van zijn detenties. Deze betreffen immers de reden voor eiser om zijn land van herkomst te verlaten en vormen derhalve de kern van het asielrelaas.

Dat argument kan dan ook niet bijdragen aan de conclusie van verweerder dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht mist.

Voorts heeft verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over de plaats waar hij gevangen is gehouden. In dat verband heeft verweerder opgemerkt dat eiser heeft verklaard dat de plaats waar hij gevangen werd gehouden, was afgesloten door een deur en dat hij later heeft verklaard dat hij gedetineerd werd in een kuil, die was bedekt met takken en bladeren. Tevens heeft verweerder van belang geacht dat eiser heeft verklaard dat de deur van de ruimte waarin hij gevangen werd gehouden is geforceerd en dat dat woordgebruik niet past bij een kuil waarvan de opening is afgedekt met takken en bladeren. Verweerder volgt eiser wel in hetgeen hij aanvoert ten aanzien van de plaatsen waar de kuil was waar hij gevangen werd gehouden. Eiser is tweemaal op dezelfde plaats gevangen gehouden.

Dat verweerder eiser volgt in zijn stelling dat hij tweemaal op dezelfde plaats gevangen is gehouden, verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank slecht met het tegenwerpen aan eiser dat hij wisselend heeft verklaard over de plaats waar hij gevangen werd gehouden. Daar komt nog bij dat eiser ter verklaring van het feit dat in het verslag van het nader gehoor is genoteerd dat eiser heeft verklaard over een deur een rapport van linguïstisch onderzoek door de Concorde groep van 16 maart 2011 heeft overgelegd. Daaruit blijkt dat het gebruikte woord ‘akadyango’ of ‘akaryango’ in het Kinyamulenge verschillende betekenissen kan hebben, waaronder een deurtje of een kleine toegang tot een ruimte. Deze kleine toegang kan wel of geen deur hebben (de deur kan van hout zijn of bestaan uit een traditionele mat) of simpelweg ‘gesloten’ zijn door stukken hout om de toegang te blokkeren. Gelet daarop heeft verweerder zijn argument dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de plek waar hij gevangen werd gehouden, onvoldoende gemotiveerd. Zonder nadere motivering valt naar het oordeel van de rechtbank voorts niet in te zien dat de bedekking met takken en bladeren van een kuil waarin personen gevangen worden gehouden niet kan worden geforceerd.

Tot slot heeft verweerder zich in dit kader op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser dat hij na de tweede ontsnapping naar zijn huis is teruggegaan bevreemdingwekkend is. Verweerder volgt eiser wel in zijn verklaring dat hij na zijn eerste ontsnapping naar de boerderij van zijn vader is gegaan.

Van de zijde van eiser is dit argument van verweerder niet weersproken.

Verweerder heeft met betrekking tot het asielrelaas van eiser weliswaar kunnen overwegen dat het relaas één bevreemdingwekkend element bevat, op grond waarvan verweerder zich in beginsel in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas positieve overtuigingskracht mist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van het relaas echter onvoldoende rekening gehouden met het rapport van het MOG van 9 april 2010. Daarin wordt door de arts van het MOG als samenvatting onder meer het volgende geconcludeerd:

“Lichamelijk zijn er 2 littekens te vinden die betrekking hebben op zijn verhaal:

(…)

- een litteken van 2 cm lang op zijn linker onderbeen, passend bij een verwonding met een scherp voorwerp zoals hij vertelde over zijn 2e gevangenschap;

Psychisch zijn er wel een antal kenmerken die zeer wel kunnen passen bij zijn verhaal over detentie en marteling.”

In dat verband acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas gewicht toekent aan een medische verklaring ter onderbouwing van de stelling dat de vreemdeling is gemarteld (zoals volgt uit het arrest in de zaak R.C. tegen Zweden (zaaknummer 41827/07, JV 2010/147)). Het EHRM heeft in voornoemd arrest onder meer het volgende overwogen:

“53. Firstly, the Court notes that the applicant initially produced a medical certificate before the Migration Board as evidence of his having been tortured (see paragraph 11). Although the certificate was not written by an expert specialising in the assessment of torture injuries, the Court considers that it, nevertheless, gave a rather strong indication to the authorities that the applicant’s scars and injuries may have been caused by ill-treatment or torture. In such circumstances, it was for the Migration Board to dispel any doubts that might have persisted as to the cause of such scarring (see the last sentence of paragraph 50). In the Court’s view, the Migration Board ought to have directed that an expert opinion be obtained as to the probable cause of the applicant’s scars in circumstances where he had made out a prima facie case as to their origin. It did not do so and neither did the appellate courts. While the burden of proof, in principle, rests on the applicant, the Court disagrees with the Government’s view that it was incumbent upon him to produce such expert opinion. In cases such as the present one, the State has a duty to ascertain all relevant facts, particularly in circumstances where there is a strong indication that an applicant’s injuries may have been caused by torture. The Court notes that the forensic medical report submitted at its request has documented numerous scars on the applicant’s body. Although some of them may have been caused by means other than by torture, the Court accepts the report’s general conclusion that the injuries, to a large extent, are consistent with having been inflicted on the applicant by other persons and in the manner in which he described, thereby strongly indicating that he has been a victim of torture. The medical evidence thus corroborates the applicant’s story.”

In de tweede plaats is van belang dat uit verweerders eigen beleid volgt (paragraaf C14/3.5.2 Vc 2000) dat verweerder gehouden is de inhoud van een rapportage van de MOG mee te nemen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, indien de asielzoeker de gestelde medische aspecten met het rapport heeft gestaafd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit volstaan met de vaststelling dat het relaas ongeloofwaardig wordt geacht en dat de littekens en psychische problemen van eiser dan ook niet kunnen worden herleid tot eisers gestelde problemen. Ter zitting van de rechtbank heeft verweerders gemachtigde opgemerkt dat verweerder daarbij blijft en dat verweerder in het arrest van het EHRM in de zaak R.C. tegen Zweden geen aanleiding ziet daar anders over te denken.

Dat verweerder ondanks de rapportage van de MOG zonder nadere motivering heeft vastgehouden aan het aanvankelijk gemaakte, en in het besluit neergelegde geloofwaardigheidsoordeel acht de rechtbank onzorgvuldig.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en derhalve voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal worden opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking.

Voor veroordeling overeenkomstig artikel 8:75, eerste lid, Awb van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten moet naar het oordeel van de rechtbank worden bepaald op € 874,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

-draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,00 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.A. Vlietstra, rechter, bijgestaan door mr. H.E. Benjamins, griffier.

mr. H.E. Benjamins mr. N.A. Vlietstra

In het openbaar uitgesproken op 12 mei 2011

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. De vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen, zijn opgenomen in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000.

afschrift verzonden op: