Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ4389

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
AWB 09-5273
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag / artikel 3 EVRM / geen procesbelang nu aan eiser een verblijfsvergunning regulier is verleend op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb

Verweerder heeft de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen op de grond dat ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. Verweerder is nadien tot de conclusie gekomen dat artikel 3 EVRM zich duurzaam tegen de uitzetting van eiser verzet en het disproportioneel is om hem een verblijfvergunning te onthouden. Daarom heeft verweerder eiser uitgenodigd een verblijfsvergunning regulier aan te vragen. Eiser heeft deze aanvraag ingediend en verweerder heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw had moeten verlenen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang meer heeft.

Een eventuele vernietiging van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat verweerder opnieuw op de aanvraag van eiser moet beslissen. Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, Vw staat dan echter aan het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in de weg. Zolang eiser in het bezit is van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan hij met het door hem ingestelde beroep niet bereiken dat aan hem - alsnog - een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, maar loopt hij evenmin risico dat hij in strijd met artikel 3 EVRM zal worden uitgezet. Het betoog van eiser dat verweerder hem kennelijk niet langer het bepaalde in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag tegenwerpt, nu aan hem een verblijfsvergunning regulier is verleend, hetgeen verweerder overigens bestrijdt, kan daaraan niet af doen.

Eiser kan met het door hem ingestelde beroep evenmin bereiken dat de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier wordt ingetrokken. Anders dan eiser bepleit, biedt artikel 8:72, vierde lid, Awb geen grond om verweerder op te dragen de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier in te trekken. Het beroep richt zich immers niet tegen het besluit tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Het besluit waarbij aan eiser een verblijfsvergunning regulier is verleend kan evenmin worden aangemerkt als een wijziging van het bestreden besluit, waartegen het beroep op grond van de artikelen 6:18 jo. 6:19 Awb wordt geacht mede te zijn gericht, nu dat besluit niet is genomen op de asielaanvraag van eiser, maar eiser daartoe een zelfstandige aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Verweerder heeft daarop bij afzonderlijk besluit beslist. Voor zover eiser overigens meent dat verweerder aan hem geen verblijfsvergunning regulier had moeten verlenen, komt dat voor zijn eigen risico, nu eiser zelf een daartoe strekkende aanvraag heeft ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09 / 5273

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 april 2011

in de zaak van:

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum], van onbekende nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: J.F. Huising, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 25 oktober 1994 een aanvraag ingediend tot toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 19 oktober 1995 afgewezen. Het door eiser tegen het besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 januari 1999 ongegrond verklaard. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 30 juni 1999 (AWB 99/1103) het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.2 Naar aanleiding van een brief van eiser van 9 juli 2004 heeft verweerder op 20 november 2006 een nieuw (aanvullend) besluit genomen op de aanvraag van eiser van 25 oktober 1994. Verweerder heeft die aanvraag in dat besluit opgevat als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft bij uitspraak van 11 september 2007 (AWB 06/61228) het daartegen door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 november 2006 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op de brief van eiser van 9 juli 2004.

1.3 Bij besluit van 23 januari 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw afgewezen. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daarop schriftelijk gereageerd. Verweerder heeft vervolgens schriftelijk gereageerd op de brief van eiser.

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft in het bestreden besluit de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op de grond dat ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft voorts geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar Libanon een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser op grond van artikel 3.107 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) echter niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, nu artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is. Voorts heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat artikel 3 EVRM zich duurzaam tegen zijn uitzetting verzet en dat hij zich in een zodanige situatie bevindt dat het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

2.2 Op grond van de stukken van de zaak en de zitting staat voorts het volgende vast. Bij besluit van 15 juni 2007 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard. Bij besluit van 28 mei 2010 heeft verweerder het daartegen door eiser ingediende bezwaar gegrond verklaard en de ongewenstverklaring opgeheven omdat verweerder naar aanleiding van het bezwaar van eiser tot de conclusie is gekomen dat artikel 3 EVRM zich duurzaam tegen zijn uitzetting verzet en het disproportioneel is om hem een verblijfsvergunning te onthouden. Daarom heeft verweerder voorts met toepassing van zijn beleid, neergelegd in paragraaf C4/3.11.3.4 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), eiser uitgenodigd een verblijfsvergunning regulier aan te vragen. Eiser heeft vervolgens deze aanvraag ingediend. Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb, geldig van 16 juni 2010 tot 16 juni 2011.

2.3 In het verweer tegen het beroep van eiser stelt verweerder zich primair op het standpunt dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep, nu hij in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier.

2.4 Eiser voert daartegen aan dat uit de opheffing van de ongewenstverklaring en het verlenen van een verblijfsvergunning regulier volgt dat de tegenwerping van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag kennelijk niet meer aan de orde is. Volgens eiser dient verweerder hem daarom een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw te verlenen, nu niet meer in geschil is dat eiser aan de voorwaarden voldoet. Verweerder heeft ten onrechte een verblijfsvergunning regulier verleend, omdat het doel waarvoor eiser in Nederland wil verblijven verband houdt met de situatie in het land van herkomst. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij voldoende belang heeft bij het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, omdat hij zich daarmee zonder nadere voorwaarden met zijn echtgenote kan herenigen. Eiser verzoekt daarom de rechtbank om verweerder op te dragen de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier in te trekken en aan hem een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw te verlenen.

2.5 De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder a, Vw heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw afgewezen indien de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e of l, Vw.

2.6 Vast staat dat aan eiser een verblijfsvergunning regulier is verleend op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb, geldig tot 16 juni 2011. Eiser heeft derhalve thans rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a, Vw.

2.7 Een eventuele vernietiging van het bestreden besluit van 23 januari 2009 heeft tot gevolg dat verweerder opnieuw op de aanvraag van eiser moet beslissen. Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, Vw staat dan echter aan het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in de weg. Zolang eiser in het bezit is van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan hij met het door hem ingestelde beroep niet bereiken dat aan hem - alsnog - een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, maar loopt hij evenmin risico dat hij in strijd met artikel 3 EVRM zal worden uitgezet. Het betoog van eiser dat verweerder hem kennelijk niet langer het bepaalde in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag tegenwerpt, nu aan hem een verblijfsvergunning regulier is verleend, hetgeen verweerder overigens bestrijdt, kan daaraan niet af doen.

2.8 Eiser kan met het door hem ingestelde beroep evenmin bereiken dat de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier wordt ingetrokken. Anders dan eiser bepleit, biedt artikel 8:72, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen grond om verweerder op te dragen de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier in te trekken. Het beroep richt zich immers niet tegen het besluit van 6 oktober 2010 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Het besluit van 6 oktober 2010 kan evenmin worden aangemerkt als een wijziging van het bestreden besluit, waartegen het beroep op grond van de artikelen 6:18 jo. 6:19 Awb wordt geacht mede te zijn gericht, nu het besluit van 6 oktober 2010 niet is genomen op de asielaanvraag van eiser, maar eiser daartoe een zelfstandige aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Verweerder heeft daarop bij afzonderlijk besluit beslist. Voor zover eiser overigens meent dat verweerder aan hem geen verblijfsvergunning regulier had moeten verlenen, komt dat voor zijn eigen risico, nu eiser zelf een daartoe strekkende aanvraag heeft ingediend.

2.9 Gelet op het voorgaande heeft eiser geen belang bij een beoordeling van het door hem ingestelde beroep. De rechtbank zal daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

2.10 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75 Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt in verband met het indienen van het beroepschrift. Tot aan de verlening van de verblijfsvergunning regulier had eiser immers nog belang bij een beoordeling van zijn beroep en heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 3 EVRM zich duurzaam tegen zijn uitzetting verzet en dat hij zich in een zodanige situatie bevindt dat het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. De rechtbank zal verweerder niet veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt in verband met de nadere schriftelijke reactie na het verweerschrift en het bijwonen van de zitting, omdat uit hetgeen in het voorgaande is overwogen volgt dat eiser op dat moment geen procesbelang meer had, nu aan hem een verblijfvergunning regulier was verleend.

2.11 Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de kosten van eiser met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 437,- (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep niet-ontvankelijk,

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 437,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, rechter, in tegenwoordigheid van

E. Heemsbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2011.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.