Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ4143

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-04-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
391982/KG ZA 11-422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser is niet ontvankelijk in zijn vordering, omdat een met voldoende waarborgen omklede strafvorderlijke rechtsingang heeft open gestaan voor hem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 391982 / KG ZA 11-422

Vonnis in kort geding van 28 april 2011

in de zaak van

[eiser],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te [A.],

eiser,

advocaat mr. L. Hogeterp te Haarlem,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. C.B. Vreede te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 20 april 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Op 2 maart 2011 is [eiser] aangehouden op Schiphol toen hij op doorreis was naar Canada. Hij werd verdacht van overtreding van het bepaalde in artikel 231 Wetboek van Strafrecht. Het proces-verbaal opgesteld door [X.], opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee, district Schiphol, brigade Vreemdelingenzaken, van 3 maart 2011 vermeldt hierover het volgende:

"(...)

Gezien de feit dat:

- [Z.] (ZICH NOEMENDE) gebruik maakte van een document wat niet op zijn naam gesteld was (geen gelijkenis);

- [Z.] (ZICH NOEMENDE) dit residocument ter uitreiscontrole aanbood bij personeel van Securitas;

- [Z.] (ZICH NOEMENDE) voornemens was om via Nederland het Schengengebied door te reizen.

bestaat bij personeel van het Sluisteam het vermoeden dat:

- [Z.] (ZICH NOEMENDE) opzettelijk gebruik had gemaakt van een reisdocument waarvan hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik had gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

(...)".

1.2. De zaak is behandeld door de politierechter. Ter zitting van 15 maart 2011 is de tenlastelegging gewijzigd. De wijziging tenlastelegging vermeldt - voor zover hier van belang - het volgende:

"(...)

van oordeel, dat de tenlastelegging als volgt behoort te worden gewijzigd

t.a.v.

naam [Z.]

voornamen [Y.]

wijzigen in

een persoon zich noemende

naam: [Z.]

voornamen: [Y.]

(...)".

1.3. Bij uitspraak van de politierechter van 15 maart 2011 is een aantekening mondeling vonnis opgesteld waarin - voor zover hier van belang - het volgende is opgenomen:

"(...)

naam: [Z.-1] Man

voornamen: [Y.]

Althans zich noemend [Y.] [Z.-1]

geboren op: [geboortedatum 2] 1991 te [O.] (Marokko)

(...)

de verdachte heeft ter terechtzitting opgegeven te zijn genaamd [eiser], geboren op [geboortedatum] 1989 te [L.], Tunesië

Aangezien de door de verdachte opgegeven personalia niet zijn te verifiëren, betreft het hier EEN PERSOON ZICH NOEMENDE [eiser].

Tegenspraak

KWALIFICATIE:

Opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

GEPLEEGD:

op 02 maart 2011

TOEGEPASTE ARTIKELEN:

Wetboek van Strafrecht art. 231

BESLISSING:

Gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. (...)".

1.4. Tegen voornoemd vonnis van de politierechter en het bevel gevangenhouding van 15 maart 2011 is door [eiser] hoger beroep ingesteld op naam van [Z.-1], [Y.].

1.5. [Eiser] zit vanaf 2 maart 2011 in hechtenis en deze zal voortduren tot 1 mei 2011.

2. Het geschil

2.1. [Eiser] vordert - zakelijk weergegeven - :

1. de Staat te veroordelen om [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in vrijheid te stellen op straffe van een dwangsom; althans de Staat te veroordelen om de strafrechtelijke voorlopige hechtenis van [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis op te heffen dan wel op te schorten op straffe van een dwangsom;

2. de Staat te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade die [eiser] heeft geleden door de onrechtmatige hechtenis, thans begroot op € 4.000,00.

2.2. Daartoe voert [eiser] het volgende aan. [eiser] is op 2 maart 2011 aangehouden op Schiphol omdat hij ervan verdacht werd een niet op zijn naam, maar op naam van [Z.] Abdellah, [Y.] (hierna: [Z.]), gesteld paspoort opzettelijk te hebben gebruikt. De politierechter heeft bij vonnis van 15 maart 2011 [Z.] veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Tegen dit vonnis kon alleen hoger beroep worden ingesteld op naam van [Z.] omdat op zijn naam de veroordeling is uitgesproken. Niet alleen voornoemd vonnis, maar ook de vordering inbewaringstelling en het bevel gevangenhouding staan op naam van [Z.] en niet op naam van [eiser]. Er ligt om die reden geen rechtsgeldige titel ten grondslag aan de voorlopige hechtenis. De detentie is derhalve ondoelmatig, ondoeltreffend en onrechtmatig.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. [Eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven.

3.2. De Staat heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. Daartoe voert de Staat aan dat [eiser] de strafrechter om opheffing van zijn voorlopige hechtenis kan verzoeken, zodat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bestaat. Bijzondere omstandigheden die het mogelijk maken hiervan af te wijken doen zich in dit geval niet voor. Verder heeft de Staat aangevoerd dat het hoger beroep van [eiser] op 20 april 2011, derhalve op dezelfde dag als waarop de zitting in kort geding heeft plaatsgevonden, door het gerechtshof Amsterdam wordt behandeld. In die procedure kan [eiser] zijn bezwaren tegen de voorlopige hechtenis aan de orde stellen. De burgerlijke rechter dient van de rechtmatigheid van de beslissingen van de strafrechter uit te gaan zolang deze niet door enig rechtsmiddel zijn aangetast, aldus steeds de Staat.

3.3. [Eiser] heeft tegen dit primaire verweer van de Staat aangevoerd dat het niet mogelijk was om hoger beroep in te stellen op zijn eigen naam, omdat het bevel gevangenhouding op naam van [Z.] staat. De rechtsmiddelen in het strafrecht zijn voor [eiser] derhalve uitgeput. De kans is groot dat in het hoger beroep [eiser], althans [Z.] want op diens naam moest het hoger beroep ingesteld, niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het vonnis is immers op naam van [Z.] gewezen, maar [Z.] is niet persoonlijk of middels advocaat in deze strafrechtelijke procedure verschenen.

3.4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Voor de beoordeling van het door [eiser] gevorderde is de bijzondere, met waarborgen omklede, strafvorderlijke rechtsgang van artikel 69 van het Wetboek van Strafvordering gegeven. Met het gesloten stelsel van wettelijke rechtsmiddelen is niet verenigbaar dat [eiser] - naast de strafvorderlijke procedure - de gelegenheid zou hebben langs de weg van een vordering tegen de Staat de rechtmatigheid van het voortduren van de voorlopige hechtenis aan de voorzieningenrechter in kort geding ter toetsing voor te leggen. Nu die andere rechtsgang bovendien op korte termijn tot een rechterlijke beslissing kan leiden of heeft geleid, vaststaat immers dat op 20 april 2011 het hoger beroep in de strafzaak is behandeld bij het gerechtshof te Amsterdam, is voor een voorziening in kort geding geen plaats, ook niet met een beroep op de spoedeisendheid van de zaak. De door [eiser] in dit geding aangevoerde bezwaren - ook die betreffende de tenaamstelling - heeft hij in de strafzaak aan de orde kunnen stellen. Het vorenstaande verzet zich er om die reden tegen dat de voorzieningenrechter zich thans uitspreekt over de rechtmatigheid van het vonnis van de politierechter en het bevel in bewaringstelling.

3.5. [Eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.384,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 568,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.TH. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2011.

evdt