Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3926

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
AWB 11/1211
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugkeerrichtlijn, indienen verblijfsaanvraag hangende bewaring, nieuw terugkeerbesluit vereist?

De rechtbank constateert dat eiser op 14 januari 2011 een reguliere verblijfsaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft ter zitting betoogd dat om deze reden de terugkeerprocedure niet meer voortduurt en een nieuw terugkeerbesluit is vereist. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dit niet uit de Terugkeerrichtlijn. Verweerder heeft de terugkeerprocedure niet uitdrukkelijk ingetrokken zodat deze, ondanks de ingediende verblijfsaanvraag, nog steeds loopt. Naar het oordeel van de rechtbank is in een dergelijk geval geen nieuw terugkeerbesluit vereist en duurt de bewaring rechtmatig voort. Dat in een dergelijke situatie voortduring van de bewaring mogelijk is, volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het arrest Kadzoev van het Hof van Justitie van 30 november 2009 (LJN: BK5471). Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 11/1211

V-nr.: 2702.372.361

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 februari 2011

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1986, van (gestelde) Nigeriaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Erik, werkzaam bij de Immigratie en Naturalisatiedienst.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2011. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun voornoemde gemachtigden.

Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat hoger beroep niet mogelijk is.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Motivering

Gelet op de bewoordingen van artikel 15, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Tri) kan een persoon enkel in bewaring worden gesteld indien jegens die persoon een terugkeerprocedure loopt. Uit het systeem van de Tri blijkt dat een terugkeerbesluit noodzakelijk is om die terugkeerprocedure te doen aanvangen. Eiser bevond zich op 25 december 2010 echter al in bewaring. Hieruit volgt dat op dat moment een terugkeerprocedure jegens eiser liep, die is aangevangen met de inbewaringstelling. Op het moment van de inbewaringstelling, op 28 november 2010, was voor het aanvangen van de terugkeerprocedure nog niet noodzakelijk dat een terugkeerbesluit was uitgevaardigd. Gelet hierop liep er op 25 december 2010 jegens eiser een terugkeerprocedure en mocht de maatregel op grond van artikel 15, eerste lid, van de Tri voortduren. Een terugkeerbesluit was daartoe in de onderhavige situatie niet vereist. De rechtbank verwijst daartoe naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van

7 januari 2011 (LJN: BP0867). Derhalve zal de rechtbank de beroepsgronden welke zich richten op het terugkeerbesluit niet bespreken.

Ingevolge vaste jurisprudentie van deze rechtbank en zittingsplaats volgt uit de rechtstreekse werking van artikel 15, eerste en vierde lid, van de Tri dat de rechtbank na 24 december 2010, mits aangevoerd, dient te beoordelen of de maatregel voldoet aan de in bedoeld artikel neergelegde criteria.

Eveneens ingevolge vaste jurisprudentie van deze rechtbank en zittingsplaats kan verweerder de bewaring met ingang van 25 december 2010 niet op het ‘risico op onderduiken’ als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a, van de Tri baseren, zolang de Nederlandse staat geen objectieve criteria op grond waarvan dat risico kan worden aangenomen in nationale wetgeving heeft vastgelegd. De rechtbank komt evenwel tot het oordeel dat verweerder, gezien de gronden welke aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, het verleden van eiser en het feit dat eiser zelf geen aantoonbare pogingen heeft ondernomen het land te verlaten, de bewaring met ingang van 25 december 2010 op ‘ontwijking of belemmering van de terugkeer of de verwijderingsprocedure’, zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid onder b, van de Tri heeft kunnen baseren.

Ten aanzien van de voortvarendheid oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven geen invloed te kunnen uitoefenen op de door de Nigeriaanse autoriteiten bepaalde datum voor een presentatie in persoon, te weten 10 maart 2011. De rechtbank ziet geen reden hieraan te twijfelen. Overigens staat het eiser vrij zelf contact op te nemen met de Nigeriaanse autoriteiten om te bezien of een eerdere presentatie tot de mogelijkheden behoort. Verweerder heeft sinds de eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 december 2010, AWB 10/41173, op 6 en 12 januari 2011 vertrekgesprekken met eiser gehouden. Gezien deze gang van zaken kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat verweerder in dit geval met onvoldoende voortvarendheid heeft gehandeld.

De rechtbank constateert dat eiser op 14 januari 2011 een reguliere verblijfsaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft ter zitting betoogd dat om deze reden de terugkeerprocedure niet meer voortduurt en een nieuw terugkeerbesluit is vereist. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dit niet uit de Tri. Verweerder heeft de terugkeerprocedure niet uitdrukkelijk ingetrokken zodat deze, ondanks de ingediende verblijfsaanvraag, nog steeds loopt. Naar het oordeel van de rechtbank is in een dergelijk geval geen nieuw terugkeerbesluit vereist en duurt de bewaring rechtmatig voort. Dat in een dergelijke situatie voortduring van de bewaring mogelijk is, volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het arrest Kadzoev van het Hof van Justitie EG van 30 november 2009 ( LJN: BK5471).

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

mr. A.M. van Tilburg mr. R.H.G. Odink

griffier rechter

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.