Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3546

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-04-2011
Datum publicatie
04-05-2011
Zaaknummer
362725 - FA RK 10-2457
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding geregistreerd partnerschap met bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw, dat de vrouw het eenhoofdig gezag over de minderjarige toekomt, dat de man een bijdrage dient te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en vaststelling van de verdeling van de gemeenschap van goederen tussen partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

6x

Rekestnummer: FA RK 10-2457

Zaaknummer: 362725

Datum beschikking: 4 april 2011

Ontbinding geregistreerd partnerschap

Beschikking op het op 26 maart 2010 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats A],

advocaat: mr. I.H. van Hall te Gouda.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats B],

advocaat: mr. E.A.C. Nijhof-Top te Zeewolde.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen de zelfstandige verzoeken;

- de brief van 19 juli 2010 van de zijde van de man;

- de brief van 7 december 2010, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het faxbericht van 11 december 2010, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief van 14 februari 2011, met bijlage, van de zijde van de vrouw.

Op 28 februari 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: beide partijen, vergezeld van hun advocaten.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brief van 14 maart 2011, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief van 14 maart 2011, met bijlagen, van de zijde van de man;

- het faxbericht van 21 maart 2011 van de zijde van de man.

Verzoek en verweer

Het verzoek, zoals dat thans luidt, strekt tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, met nevenvoorzieningen tot:

- bepaling dat voortaan alleen aan de vrouw het ouderlijk gezag zal toekomen over hun na te melden minderjarige kind;

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw;

- bepaling dat de vrouw zich zal inspannen de minderjarige contact te laten houden met de man en zich tevens zal inspannen de minderjarige contact te laten houden met de familie van de man waaronder zijn ouders en zusjes;

- vaststelling van de verdeling van de gemeenschap van goederen, conform

het voorstel van de man;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw stemt in met ontbinding van het geregistreerd partnerschap en met bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw en zij verzoekt zulks ook zelfstandig. De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man ten aanzien van het gezag, het inspannen voor contact tussen de minderjarige en de (familie van de) man en de verdeling, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Tevens heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de verdeling vast te stellen conform haar voorstel en om kinder- en partneralimentatie vast te stellen met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer tegen het verzoek tot vaststelling van kinder- en partneralimentatie, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. De man verzoekt zelfstandig kinderalimentatie vast te stellen van € 65,- per maand met ingang van de datum waarop het geregistreerd partnerschap is ontbonden.

Feiten

- Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op [datum registratie] 2006 te [plaats partnerschap].

- Uit dit geregistreerd partnerschap is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

[de minderjarige], op [geboortedatum minderjarige] 2009, die door de man is erkend.

- De minderjarige verblijft thans bij de vrouw.

- Partijen oefenen thans het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

- Tussen partijen bestaat gemeenschap van goederen.

Beoordeling

Door partijen is bij hun verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap geen ouderschapsplan overgelegd. De rechtbank stelt vast dat partijen het blijkbaar eens zijn over het gezag, de hoofdverblijfplaats en het niet vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige. Daarnaast is ter terechtzitting gebleken dat partijen aanzienlijk van mening verschillen over de reden en de achtergrond van het achterwege blijven van contact tussen de man en de minderjarige, alsmede over de hoogte van de vast te stellen kinderalimentatie. Voorts is de communicatie tussen partijen ernstig verstoord. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een ouderschapsplan door partijen redelijkerwijs niet kan worden overgelegd, zodat de rechtbank partijen zal ontvangen in hun verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap en zal beslissen op de verzochte voorzieningen ten aanzien van de minderjarige.

Ontbinding geregistreerd partnerschap

De door de man gestelde duurzame ontwrichting van het geregistreerd partnerschap is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat de daarop steunende niet weersproken verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Gezag

Indien geen der partijen bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap verzoekt om alleen met het gezag te worden belast dan blijft het gezamenlijk gezag - dat partijen gedurende het geregistreerd partnerschap gezamenlijk uitoefenen - voortduren. Op grond van artikel 1:253aa, tweede lid, juncto artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van partijen of van een van hen in het kader van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap het gezamenlijk gezag beëindigen en daarbij bepalen aan wie van de ouders voortaan het gezag toekomt. De criteria van artikel 1:251a, eerste lid, BW zijn van overeenkomstige toepassing welke onder meer inhouden dat de rechter eenhoofdig gezag kan bepalen indien dit in het belang van het kind noodzakelijk is.

Beide partijen wensen dat de vrouw alleen met het gezag over de minderjarige wordt belast. De man stelt dat de vrouw alle beslissingen aangaande de minderjarige alleen zal nemen en de rechtbank begrijpt daaruit dat de man geen invulling zal gaan geven aan het ouderlijk gezag. Daarnaast gaat de rechtbank er, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, van uit dat de man zich in ieder geval de komende periode niet zal inspannen om enige vorm van contact met de minderjarige te bewerkstelligen, daargelaten de reden daarvan waarover partijen van mening verschillen. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige noodzakelijk om de vrouw alleen met het gezag te belasten. De rechtbank zal aldus beslissen.

Hoofdverblijfplaats minderjarige

De rechtbank zal de gelijkluidende verzoeken van partijen om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw te bepalen, toewijzen.

Door de man verzochte inspanning van de vrouw om de minderjarige contact met de man en zijn familie te laten houden

De man stelt dat hij wel contact met de minderjarige zou willen, maar dat hij wil voorkomen dat de minderjarige door de slechte onderlinge verhouding van partijen klem en verloren geraakt tussen de ouders. Dit zal volgens hem, gezien zijn ervaringen in het verleden, gebeuren als hij contact met de minderjarige zoekt. Om die reden heeft de man besloten hier thans niet om te verzoeken. Hij hoopt dat de vrouw, als de minderjarige ouder is, zich zal inspannen om contact tussen de minderjarige en hem tot stand te brengen. De vrouw heeft een andere lezing van de beweegredenen van de man om geen contactregeling te verzoeken. Kort gezegd onttrekt de man zich volgens haar aan al zijn verantwoordelijkheden.

De rechtbank overweegt dat reeds uit de wet voortvloeit dat:

- de vrouw, als gezaghebbende ouder, op grond van artikel 1:247, derde lid, BW gehouden is om de ontwikkeling van de band van de minderjarige met zijn vader te bevorderen;

- de minderjarige recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staan.

Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen bij gebrek aan belang. De rechtbank heeft hierbij tevens acht geslagen op het feit dat de man desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat zijn verzoek niet een verdere strekking heeft dan hetgeen uit de wet volgt.

De rechtbank wenst partijen er wel op te wijzen dat een goed contact met beide ouders zeer belangrijk is voor een goede en evenwichtige ontwikkeling van kinderen en dat een gebrek aan contact met een ouder schadelijk kan zijn, waarbij de toegebrachte schade zich pas in de toekomst kan openbaren. De rechtbank geeft partijen daarom in overweging om zich alsnog te bezinnen op hun afspraken en in onderling overleg alsnog te trachten uitvoering te geven aan het recht van het kind op omgang met zijn vader en de verplichting van de man tot omgang met zijn kind.

Kinder- en partneralimentatie

De rechtbank zal de draagkracht van de man en van de vrouw berekenen om te beoordelen voor welke gedeelte de man in de behoefte van de minderjarige moet voorzien.

Draagkracht man

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man uit van een inkomen van € 28.528,- per jaar zijnde het loon voor inkomstenbelasting zoals vermeld op de salarisstrook van de man van december 2010.

Aangaande het maandelijks door de man ontvangen daggeld overweegt de rechtbank als volgt. Weliswaar merkt [werkgever] het aan de man verstrekte daggeld niet aan als inkomen maar als een vergoeding voor maaltijden en drankjes (in hotels en restaurants), vervoer en fooien, maar de rechtbank acht het desondanks redelijk om voor de bepaling van kinderalimentatie een deel van deze vergoeding als inkomen bij de man mee te nemen. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op het feit dat in de bijstandsnorm (die zij aan de lastenkant van de man in aanmerking neemt) ook een bedrag zit begrepen voor kosten voor eten en drinken. Voorts acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de man van de daggelden een deel overhoudt. Ten slotte acht de rechtbank van belang dat het de man vrij staat het ontvangen bedrag naar eigen goeddunken te besteden en dat de rechtbank thans zijn draagkracht berekend voor de kosten van verzorging en opvoeding van zijn minderjarige zoon. Al het voorgaande in aanmerking nemende acht de rechtbank het, gelet op de uit de overgelegde salarisspecificaties blijkende bedragen aan toegekende daggeldvergoedingen en (daarop) ingehouden crewkosten, redelijk om bij de man een bedrag van € 50,- netto per maand aan extra inkomsten in aanmerking te nemen.

De rechtbank houdt aan de inkomenskant ten slotte rekening met de voor de man toepasselijke heffingskortingen en de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

Rekenend met vorenstaande gegevens bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man € 1.709,- per maand.

Aan de lastenkant van de man neemt de rechtbank in aanmerking:

- de bijstandsnorm voor een alleenstaande;

- een (kale) huurlast van € 416,- per maand, waarop een gemiddelde basishuur van € 207,- in mindering wordt gebracht;

- een premie ziektekostenverzekering van € 114,- per maand, waarop het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel van de premie ZVW van € 44,- in mindering wordt gebracht;

- een bedrag van € 300,- per maand aan aflossing schulden.

De rechtbank overweegt dat de huurlast die bij de man in aanmerking wordt genomen gelet op zijn inkomen niet onredelijk is. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat een huurlast van € 825,- per maand wel onredelijk zou zijn, maar de man voert slechts de helft van deze last op, nu hij deze last kan delen.

Gebleken is dat de schuld van de man bij de SNS-bank is ontstaan na verkoop van de gezamenlijke woning van partijen en dat deze op 1 maart 2011 nog € 7.748,- bedroeg. Deze schuld bedroeg oorspronkelijk € 20.944,35. De rechtbank acht het redelijk om bij de draagkrachtbepaling van de man rekening te houden met deze schuld, nu deze voortvloeit uit de samenwoning van partijen en vaststaat dat de man maandelijks € 300,- hierop aflost.

De man heeft tijdens de procedure melding gemaakt van een schuld bij VISA maar heeft in zijn draagkrachtberekening geen rekening gehouden met aflossing van deze schuld en hij heeft ter zitting bevestigd dat hij deze schuld niet ten laste van zijn draagkracht heeft gebracht. Eerst in zijn reactie op de na de zitting door de vrouw overgelegde stukken heeft de man gesteld dat bij zijn draagkrachtberekening rekening moet worden gehouden met een maandelijkse aflossing ter zake van deze schuld van € 34,-. De rechtbank acht dit in strijd met de eisen van een goede procesorde. Daarnaast is door de man niet gesteld ten behoeve van welke kosten deze schuld is aangegaan, zodat de rechtbank niet kan beoordelen of deze prevaleren boven de kinderalimentatie. Gelet op al het bovenstaande, acht de rechtbank het niet redelijk om bij de draagkrachtbepaling van de man rekening te houden met deze schuld.

De rechtbank acht het voorts niet redelijk om rekening te houden met de schuld die de man stelt te zijn aangegaan voor herinrichtingskosten. Ook deze schuld heeft de man weliswaar tijdens de procedure genoemd, maar de man heeft in zijn draagkrachtberekening geen rekening gehouden met aflossing van deze schuld en hij heeft ter zitting bevestigd dat hij deze schuld niet ten laste van zijn draagkracht heeft gebracht. Eerst in zijn reactie op de na de zitting door de vrouw overgelegde stukken heeft de man gesteld dat bij zijn draagkrachtberekening rekening moet worden gehouden met een maandelijkse aflossing ter zake van deze schuld van € 100,-. Daarnaast heeft ten aanzien van deze schuld te gelden dat de betreffende uitgaven naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet ten laste van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige kunnen worden gebracht.

De vrouw heeft de door de man overgelegde draagkrachtberekening voor het overige niet betwist.

Gelet op het voorgaande en een draagkrachtpercentage van 70 in aanmerking nemende, heeft de man een draagkracht voor kinderalimentatie van € 190,- per maand, waarbij rekening is gehouden met het fiscaal voordeel wegens de betaling van kinderalimentatie.

Draagkracht vrouw

De vrouw heeft vóór de zitting enkele stukken overgelegd ter onderbouwing van haar inkomen en haar lasten (bij faxbericht van 11 december 2010) en zij heeft desgevraagd na de zitting een draagkrachtberekening overgelegd. De man heeft daarop gereageerd.

De stukken en de stellingen over en weer in aanmerking nemende, gaat de rechtbank bij de draagkrachtbepaling van de vrouw (waarbij zij een bruto rekenmethode zal hanteren, omdat zij uitgaat van een inkomen uit jaaropgave) uit van:

Aan de inkomenskant:

- een jaarinkomen van € 22.548,- conform de jaaropgave 2010, waarin zit begrepen een werkgeversbijdrage in de premie Zorgverzekering van € 1.485,- per jaar. De rechtbank houdt aan de inkomenskant, gezien de rekenmethode 2011, ook rekening met de daarmee samenhangende inhouding van de werkgever;

- een bij dat inkomen behorend kindgebonden budget van € 1.011,- per jaar;

- de voor de vrouw (als werkende alleenstaande ouder) toepasselijke heffingskortingen ad totaal € 6.918,-;

Aan de lastenkant:

- de bijstandsnorm voor een alleenstaande;

- een bedrag van € 490,- aan huurlasten, waarop € 163,- aan huurtoeslag en € 210,- aan gemiddelde basishuur in mindering wordt gebracht (welke lasten door de vrouw met bescheiden zijn onderbouwd);

- een nominale premie basisverzekering ZVW van € 96,- per maand, waarop € 44,- in mindering wordt gebracht aan in de bijstandsnorm begrepen deel van de premie ZVW en € 38,- aan zorgtoeslag (welke lasten door de vrouw met bescheiden zijn onderbouwd).

Rekenend met vorenstaande gegevens bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 1.766,- per maand en heeft de vrouw een draagkracht voor kinderalimentatie (rekening houdend met een draagkrachtpercentage van 70) van € 503,- per maand.

Behoefte minderjarige

Zoals voormeld bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man € 1.709,- per maand en van de vrouw € 1.766,- per maand. De rechtbank berekent de behoefte van de minderjarige op € 240,- per maand, behorend bij een netto besteedbaar inkomen van € 1.750,- per maand, een en ander volgens de tabel eigen aandeel kosten van kinderen zoals vermeld in de bijlage bij het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen. De rechtbank ziet geen aanleiding de inkomens van partijen voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen bij elkaar op te tellen, zoals de vrouw betoogt. Partijen zijn immers reeds voor de geboorte van de minderjarige uiteengegaan en de minderjarige heeft derhalve nooit een welstand genoten gerelateerd aan de inkomens van partijen tezamen. Het standpunt van de vrouw vindt geen navolging in recente jurisprudentie noch in voormeld rapport.

Te betalen kinderalimentatie

Gelet op de verhouding van de draagkracht van partijen voor de betaling van kinderalimentatie komt 27% van de behoefte van de minderjarige ad € 240,- per maand voor rekening van de man, te weten een bedrag van € 65,- per maand.

Partneralimentatie

Indien de behoefte van de vrouw wordt gesteld op 60% van het netto gezinsinkomen van partijen (waar in dit geval de kosten van de minderjarige niet van worden afgetrokken, omdat hij pas na het uiteengaan van partijen is geboren), heeft de vrouw behoefte aan partneralimentatie. De vrouw heeft echter, met inachtneming van vorenstaande gegevens en met een door de man te betalen kinderalimentatie van € 65,- per maand, een grotere vrije ruimte dan de man. Gelet daarop acht de rechtbank het niet redelijk om een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 65,- per maand en een partneralimentatie van nihil redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is. De rechtbank zal aldus beslissen.

Verdeling

Beide partijen verzoeken om de verdeling van de gemeenschap van goederen die tussen hen bestaat, zodat de rechtbank daar uitvoering aan zal geven.

Als wettelijke peildatum voor de bepaling van de omvang van de gemeenschap heeft te gelden de datum van ontbinding van het geregistreerd partnerschap. De stelling van de vrouw dat de man zich - kort gezegd - aan zijn verantwoordelijkheden heeft onttrokken (daargelaten wat hiervan zij nu deze stelling door man wordt betwist) kan er niet toe leiden dat van deze wettelijke peildatum wordt afgeweken in die zin dat de datum van het uiteengaan van partijen wordt gehanteerd, zoals de vrouw voorstaat.

Voor de waarde van de verschillende boedelbestanddelen moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen (hetgeen niet het geval is; de man wenst waardes in het heden te hanteren en de vrouw waardes ten tijde van het uiteengaan van partijen) of uit de redelijkheid en billijkheid iets anders voortvloeit. De rechtbank acht de stelling van de vrouw dat de man zich - kort gezegd - aan zijn verantwoordelijkheden heeft onttrokken (daargelaten wat hiervan zij nu deze stelling door man wordt betwist) onvoldoende om op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum voor waardering te hanteren.

Ter terechtzitting is gebleken dat de te verdelen gemeenschap op dat moment in ieder geval uit de volgende goederen bestond:

1. twee levensverzekeringspolissen bij Reaal, één ten name van de vrouw en één ten name van de man;

2. een lijfrenteverzekering op naam van de vrouw bij DSB, nummer 9076634;

3. inboedelgoederen;

4. een nog niet in rechte vaststaande vordering van partijen op de voormalige kopers van de echtelijke woning (wegens het afzien van de koop);

5. een schuld bij SNS-bank (resterend na verkoop van de voormalige echtelijke woning);

6. een schuld bij International Card Services (VISA).

De voormalige echtelijke woning is reeds overgedragen, zodat deze gezien de peildatum geen deel uitmaakt van de thans te verdelen gemeenschap van goederen.

1. Partijen zijn het er in beginsel over eens dat ieder der partijen de polis op zijn/haar naam behoudt zonder nadere verrekening, zodat de rechtbank aldus zal beslissen.

2. Beide partijen wensen dat deze verzekering aan de vrouw wordt toegedeeld, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.

3. De rechtbank zal bepalen dat ieder der partijen de inboedelgoederen behoudt die hij/zij thans onder zich heeft zonder nadere verrekening, conform de overeenstemming van partijen.

4. Partijen zijn overeengekomen dat de geldsom die partijen mogelijk zullen ontvangen, indien de vordering wordt toegewezen, bij helfte zal worden gedeeld. De rechtbank zal aldus beslissen. De rechtbank overweegt hierbij dat de man heeft voorgesteld om met zijn deel de SNS-schuld, die thans ten laste van zijn draagkracht komt, af te lossen indien er geld uit deze vordering beschikbaar komt. Zijn draagkracht voor de betaling van kinderalimentatie zal dan toenemen. De rechtbank gaat ervan uit dat de man deze toezegging gestand zal doen.

5. Uit de na de zitting overgelegde stukken is gebleken dat:

- deze schuld op 28 februari 2011 € 7.748,21 bedroeg;

- de vrouw de helft van de schuld die resteerde na verkoop van de woning heeft afgelost tegen ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

De rechtbank acht het gelet op het bovenstaande redelijk en in overeenstemming met de bedoeling van partijen om te bepalen dat de man de thans resterende schuld voor zijn rekening dient te nemen en als eigen schuld dient te voldoen.

6. Uit de na de zitting overgelegde stukken is gebleken dat deze schuld op 14 februari 2011 € 1.403,48 bedroeg. Partijen zijn het er, zo begrijpt de rechtbank, over eens dat de vrouw van deze schuld een bedrag van € 500,- voor haar rekening dient te nemen en de man het overige gedeelte (omdat de vrouw reeds een deel van deze schuld heeft afgelost), zodat de rechtbank aldus zal beslissen.

De rechtbank overweegt ten slotte dat er geen grond is voor verrekening van eventueel door de vrouw voor de man betaalde kosten, nog daargelaten de vraag of hiervan voldoende gebleken is. Het betreft immers de periode vóór de peildatum.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank beslissen als na te melden.

Beslissing

De rechtbank:

ontbindt het geregistreerd partnerschap tussen: [de man], en [de vrouw], gesloten op [datum registratie] 2006 in de gemeente [plaats partnerschap];

bepaalt dat de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 2009 te [geboorteplaats minderjarige],

de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat voortaan alleen aan de vrouw, wonende te [postcode] [woonplaats B], [adres], het gezag zal toekomen over voormelde minderjarige, en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige aan de vrouw, die de minderjarige verzorgt en opvoedt, (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)zal betalen een bedrag van € 65,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

stelt de verdeling van de gemeenschap van goederen, welke door de ontbinding van het geregistreerd partnerschap wordt ontbonden, als volgt vast:

1. aan de man wordt toebedeeld:

1.1 de polis levensverzekering bij Reaal op zijn naam;

1.2 de inboedelgoederen die hij thans in zijn bezit heeft;

1.3 de helft van het bedrag dat mogelijk zal worden uitgekeerd aan partijen wegens hun vordering op de voormalige kopers van de woning te [woonplaats B], [adres];

2. aan de vrouw wordt toebedeeld:

2.1 de polis levensverzekering bij Reaal op haar naam;

2.2. de inboedelgoederen die zij thans in haar bezit heeft;

2.3 de helft van het bedrag dat mogelijk zal worden uitgekeerd aan partijen wegens hun vordering op de voormalige kopers van de woning te [woonplaats B], [adres];

en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man de schuld bij SNS-Bank, rekening nummer [rekeningnummer 1], voor zijn rekening dient te nemen en als eigen schuld dient te voldoen, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw van de schuld bij VISA, rekeningnummer [rekeningnummer 2], een bedrag van € 500,- voor haar rekening dient te nemen en de man het overige gedeelte van deze schuld, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Zonneveld, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. T.A.E. Scheers als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2011.