Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ2504

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
379820 - FA RK 10-8940
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 10-8940

Zaaknummer: 379820

Datum beschikking: 8 maart 2011

Alimentatie

Beschikking op het op 5 november 2010 ingekomen verzoek van:

[De vrouw]

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. H.C.D. Bos te Arnhem.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[De man],

de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. P.C. Burger te 's-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brief met bijlagen d.d. 27 januari 2011 van de zijde van de vrouw;

- de brief met bijlagen d.d. 1 februari 2011 van de zijde van de man.

Op 8 februari 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen en hun advocaten. Van de zijde van de man zijn nadere stukken overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt tot vaststelling van een door de man te betalen kinderalimentatie van € 395,00 per maand, met ingang van 1 november 2010, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De man heeft verweer gevoerd strekkende tot afwijzing van het verzoek.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Uit de vrouw is geboren de minderjarige:

* [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats],

die erkend is door de man.

- De minderjarige verblijft thans bij de vrouw.

- Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarige uit.

- Tussen partijen geldt thans een (voorlopige) co-ouderschapregeling.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

Nu de man op de voet van artikel 1:392 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) onderhoudsplichtig is jegens de minderjarige, zal de rechtbank de vrouw in haar verzoek ontvangen.

Inhoudelijke beoordeling

De behoefte van de minderjarige

Voor de bepaling van de behoefte van de minderjarige zoekt de rechtbank aansluiting bij de tabel eigen aandeel kosten van kinderen behorende bij het Tremarapport. Hiertoe dient eerst het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen te worden vastgesteld.

De rechtbank zal ter bepaling van de hoogte van het netto gezinsinkomen van partijen aansluiten bij het fiscaal jaarinkomen van de man conform de jaaropgave 2010 ad € 63.466,00.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Tevens houdt de rechtbank rekening met de door de vrouw ontvangen heffingskorting 2010 ad € 1.987,00 netto. De rechtbank zal daarentegen de eventuele inkomsten uit de verkoop van schilderijen door de vrouw buiten beschouwing laten, nu niet is aangetoond dat er ten tijde van de samenleving structureel een bepaalde opbrengst werd gegenereerd.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen, na aftrek van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW 2010 van € 195,00 per maand, op € 3.404,00 per maand.

Gelet op het voorgaande en uitgaande van vier kinderbijslagpunten bepaalt de rechtbank het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige aan de hand van voormelde tabel op € 519,00 per maand.

Nu in onderhavige zaak sprake is van een co-ouderschapregeling, dient voormeld bedrag conform de aanbevelingen in het Tremarapport te worden verhoogd met de kinderbijslag voor de minderjarige ad € 65,00 per maand (€ 195,00 per kwartaal). Vervolgens dient dit totaalbedrag te worden verhoogd met 16 % (€ 93,44 per maand) in verband met de extra woonkosten die een co-ouderschapregeling met zich brengt. Wanneer vervolgens de kinderbijslag weer wordt afgetrokken resteert een eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige van afgerond € 612,00 per maand.

In beginsel dienen beide ouders naar draagkracht in dit bedrag te voorzien. De rechtbank zal daarom in het navolgende de financiële draagkracht van beide partijen vaststellen.

De draagkracht van de man

De rechtbank houdt bij de berekening van de financiële draagkracht van de man rekening met een fiscaal jaarloon van € 63.466,00 conform de jaaropgave van 2010.

De rechtbank houdt voorts op jaarbasis rekening met:

- de fiscale bijtelling van het eigenwoningforfait ad € 1.936,00;

- de fiscaal aftrekbare hypotheekrente ad € 10.650,00.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man, na aftrek van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, op € 3.608,00 per maand.

De rechtbank neemt de volgende maandelijkse lasten in aanmerking:

a. hypotheekrente € 887,50

b. overige eigenaarslasten € 95,00

c. premie zorgverzekering € 103,00

De rechtbank zal op de woonlast de in de bijstandsnorm begrepen wooncomponent ad € 210,00 per maand in mindering brengen en op de ziektekosten de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie ad € 44,00 per maand.

Voor de man geldt - in het kader van deze draagkrachtvergelijking - de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

Gezien het voorgaande en rekening houdend met fiscaal voordeel, stelt de rechtbank vast dat de man ruimte heeft voor een bijdrage voor de minderjarige van € 1.340,00 per maand.

De draagkracht van de vrouw

De rechtbank houdt bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw rekening met een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand ad € 1.315,00 netto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag. Tevens neemt de rechtbank een kindgebonden budget van € 84,00 netto per maand in aanmerking.

Uitgaande hiervan berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 1.465,00 per maand.

De rechtbank neemt de volgende maandelijkse lasten in aanmerking:

a. kosten noodopvang € 387,18

b. premie zorgverzekering € 138,00

De rechtbank zal op de woonlast de in de bijstandsnorm begrepen wooncomponent ad € 210,00 per maand in mindering brengen en op de ziektekosten de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie ad € 44,00 per maand alsmede de zorgtoeslag van € 61,00 per maand.

Voor de vrouw geldt - in het kader van deze draagkrachtvergelijking - de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

Gezien het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de vrouw ruimte heeft voor een bijdrage voor de minderjarige van € 234,00 per maand.

Draagkrachtvergelijking

Gelet op de hiervoor berekende beschikbare bedragen, dient de man in de kosten van de minderjarige bij te dragen met een bedrag van in totaal € 521,00 per maand. Ter berekening van het door de man aan de vrouw te betalen bedrag aan kinderalimentatie dient hierop de door de man betaalde extra woonlast ad € 93,44 per maand (16 %) in mindering te worden gebracht. De man heeft betoogd dat tevens een bedrag aan voeding ad € 125,00 per maand dient te worden afgetrokken (een en ander conform de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 14 augustus 2007, LJN BB4268). Nu de vrouw echter gemotiveerd heeft betwist dat de kosten voor voeding van de minderjarige voor de man € 125,00 per maand bedragen, zal de rechtbank in redelijkheid een bedrag van € 75,00 per maand (zijnde € 5,00 per dag dat de minderjarige bij de man verblijft) in mindering brengen op het aandeel van de man in de kosten van de minderjarige. Per saldo resteert een bedrag van afgerond € 353,00 per maand dat de man aan de vrouw dient te voldoen. Gelet op het vorenstaande is de man ook in staat deze bijdrage te voldoen zodat de rechtbank aldus zal beslissen.

Ingangsdatum

De vrouw heeft gesteld dat zij sinds 1 november 2010 zelfstandig woont en dat zij sindsdien herhaaldelijk heeft getracht financiële informatie van de man te verkrijgen voor het treffen van een regeling. Nu de man dit steeds heeft geweigerd, acht de vrouw het redelijk dat de kinderalimentatie met ingang van 1 november 2010 wordt vastgesteld.

De man heeft verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte ingangsdatum. Hij is van mening dat de kinderalimentatie dient te worden vastgesteld met ingang van de datum van deze beschikking.

De rechtbank acht het in onderhavige zaak redelijk om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van 1 december 2010, zijnde de eerste van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift omdat de man sindsdien rekening had kunnen houden met een door hem te betalen kinderalimentatie.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt de door de man met ingang van 1 december 2010 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats], op € 353,00 per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt in tegenwoordigheid van mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2011.