Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ2352

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-04-2011
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
388310/KG ZA 11-232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres dient haar eigen insteekhaven en het gedeelte van de rivier voor haar scheepswerf op diepte te houden en daarvoor baggerwerkzaamheden te verrichten. Vanwege bodemverontreiniging in de rivier brengt dat extra kosten met zich. Zij spreekt de Staat aan om die kosten te dragen. De vordering wordt afgewezen. Uit de door de Staat verleende vergunning valt een dergelijke verplichting voor de Staat niet af te leiden. Daarnaast heeft de Staat de eigendom van de rivier overgedragen aan de gemeente. Eiseres kan geen (rechtstreeks) beroep doen op in dat kader tussen de Staat en de gemeente gemaakte afspraken over onder andere de zorg voor de rivierbodem en de vergoedingsplicht voor meerkosten als gevolg van verontreiniging.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 253
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2011/28 met annotatie van H.J. Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 388310 / KG ZA 11-232

Vonnis in kort geding van 8 april 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nieuwenhuijsen Groep B.V.,

gevestigd te Geertruidenberg,

eiseres,

advocaat mr. F.K. van den Akker te Eindhoven,

tegen:

de Staat der Nederlanden, Ministerie van Infrastructuur en Milieu,

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A. Divis-Stein te Utrecht.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'Nieuwenhuijsen' en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 1 april 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Nieuwenhuijsen exploiteert onder de naam Scheepswerf Nederlof een scheepswerf aan de rivier De Donge te Geertruidenberg (hierna: 'de scheepswerf'). De scheepswerf, inclusief insteekhaven, ondergrond, terreinen en de zich daarop bevindende opstallen, is grotendeels in eigendom van de heer [Z.] en wordt aan Nieuwenhuijsen verhuurd.

1.2. Daarnaast huurt Nederlof Scheepsbouw B.V., een onderneming van voornoemde heer [Z.], een gedeelte van de rivier De Donge (hierna: 'de rivier'), gelegen voor de kade van de scheepswerf. De laatste huurovereenkomst met betrekking tot dat deel van de rivier dateert van 26 september 2001 en is met de Staat gesloten.

1.3. Op 25 juli 1978 is een nog altijd geldende vergunning aan de rechtsvoorganger van Nieuwenhuijsen verleend. Daarin staat onder meer vermeld:

"Vanwege de minister van Verkeer en Waterstaat beschikkende op het verzoek van N.V. Scheepswerf en Machinefabriek v/h [Y.], [adres] te Geertruidenberg dd. 26 april 1971 om vergunning voor het uitvoeren van aanpassingswerken, bestaande uit het verlengen van hellingbanen, het aanbrengen van een beschoeiing en het uitvoeren van baggerwerk in het zomerbed van de rivier de Donge tussen de peilraaien 36,5 en 40 in de gemeente Geertruidenberg.

(...)

Artikel c

1. Door of vanwege de houder der vergunning moet de rivierbodem tot de diepte, als bedoeld in artikel b lid 8 worden onderhouden zodanig dat een vloeiend verloop naar de normale rivierbodem wordt verkregen en behouden, met geen steilere belopen dan 1 : 3.

(...)

Artikel h

1. Gebaggerde specie mag, indien overeenstemming met de directie Beneden-rivieren van Rijkswaterstaat, Spuiboulevard 334-348 te Dordrecht wordt bereikt, worden gelost op plaatsen welke door of vanwege de hoofdingenieur-directeur van voornoemde directie daartoe worden aangewezen."

1.4. Op 16 december 2004 hebben de Staat en de gemeente Geertruidenberg (hierna: 'de gemeente') een overeenkomst gesloten. In de overeenkomst staat onder meer vermeld (waarbij de aanduiding "het waterstaatswerk" onder meer de rivier omvat):

"ARTIKEL 2

lid 1. De gemeente Geertruidenberg verbindt zich om medewerking te verlenen aan een formele regeling, waarbij het beheer (exclusief waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer als bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Wet op de waterhuishouding) en onderhoud van het waterstaatswerk aan de gemeente Geertruidenberg, worden overgedragen in de zin van artikel 1 Waterstaatswet 1900.

(...)

lid 3. De gemeente Geertruidenberg zal zich op haar kosten belasten met het feitelijk onderhoud van het in de gemeente Geertruidenberg gelegen waterstaatswerk.

(...)

ARTIKEL 3

lid 1. De gemeenten Geertruidenberg is, met ingang van de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit, waarmee het waterstaatswerk in beheer en onderhoud wordt overgedragen, verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van het waterstaatswerk in de zin van de Waterstaatswet 1900.

(...)

ARTIKEL 6

lid 1. De Staat verbindt zich tegenover de gemeente Geertruidenberg om gedurende een periode van 30 jaar, ingaande per de datum van overgang in beheer en onderhoud, de extra kosten aan de gemeente Geertruidenberg te vergoeden, die aangegeven zijn op de in het derde lid genoemde goedgekeurde baggerplan en die overeenstemmen met de vastgelegde waarden voor frequentie en hoeveelheid van het baggerwerk. Deze waarden zijn gebaseerd op de in artikel 4 genoemde scheepvaartfuncties van het waterstaatswerk op het moment van overdracht.

lid 2. Onder "extra kosten" worden begrepen: de noodzakelijke, meerkosten voor transport/storting/verwerking van de vervuilde baggerspecie, die direct voortvloeien uit de ingevolge het op het moment van de baggerbeurt vigerende beleid van de waterkwaliteitsbeheerder gestelde eisen. Hieronder vallen niet de reguliere kosten, die direct voortvloeien uit de transport/storting/verwerking van de baggerspecie, die zonder speciale milieuvoorzieningen kan plaatsvinden.

(...)

ARTIKEL 13

(...)

lid 5. Het is partijen bekend dat de (onderwater)bodem van het waterstaatswerk ernstig is verontreinigd en dat vanwege de aard en omvang van de verontreiniging een sanering daarvan op korte termijn niet zinvol is. De Staat behoudt als waterkwaliteitsbeheerder van de Donge de zorg voor de verontreinigde (onderwater)bodem met inbegrip van de overstroomgebieden, waaronder het tot het waterstaatswerk behorende buitendijks gebied met uitzondering van de te bebouwen gedeelten daarvan wordt verstaan, en de eventuele sanering daarvan volgens de systematiek van de Wet bodembescherming. (...)"

1.5. De eigendom van onder meer de rivier is op 22 december 2004 bij notariële leveringsakte aan de gemeente overgedragen. Bij Koninklijk Besluit van 23 juni 2005 is het beheer en onderhoud van onder meer de rivier van de Staat op de gemeente overgegaan.

1.6. In opdracht van Nieuwenhuijsen heeft Certicon Kwaliteitskeuringen B.V. op 23 november 2010 een waterbodemonderzoek uitgevoerd bij de scheepswerf. In het rapport van dat onderzoek staat onder meer vermeld:

"Doel van het onderzoek is om de aard en concentratie van verontreinigende stoffen en de omvang van de waterbodemverontreiniging in zowel het horizontale als verticale vlak (diepte) vast te stellen. Tevens wordt inzicht verworven in de locale bodemopbouw.

(...)

* de totaal geschatte volumes te baggeren materiaal per kwaliteitsklasse zijn:

* 140 m³ Nooit toepasbaar (NT) slib;

* 1.570 m³ klasse B slib en zand;

* 760 m³ Klasse A slib en zand;

* 1.650 m3 Vrij toepasbaar zand. N.B: Het totale volume van het vrij toepasbare zand is een benadering, hiervan kan geen exacte schatting worden gedaan

* het totale volume van het vrijkomende materiaal (slib en zand van verschillende milieuhygiënische kwaliteit) op basis van de boorstaten wordt geschat op circa 4.120 m³."

1.7. De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft op aanvraag van Nederlof Scheepsbouw B.V. een vergunning verleend voor "Het brengen van verontreinigde slibdeeltjes in het oppervlaktewater van de haven de Donge van de scheepswerf 'Nederlof Scheepsbouw' (Rivierkade 1, Geertruidenberg) als gevolg van onderhoudsbaggerwerk." De vergunning is geldig tot 25 juni 2011.

1.8. Nieuwenhuijsen heeft opdracht gegeven voor de baggerwerkzaamheden. De baggerwerkzaamheden zullen starten op 11 april 2011.

2. Het geschil

2.1. Nieuwenhuijsen vordert, zakelijk weergegeven, op straffe van een dwangsom:

I. veroordeling van de Staat om binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis schriftelijk aan Nieuwenhuijsen te berichten waar Nieuwenhuijsen de vrijkomende verontreinigde baggerspecie kosteloos kan storten;

II. veroordeling van de Staat om ervoor zorg te dragen dat Nieuwenhuijsen ook daadwerkelijk de baggerspecie op die plaats kosteloos kan storten vanaf het moment van aanvang van de baggerwerkzaamheden, in dier voege dat de Staat een bankgarantie afgeeft voor betaling van de kosten voor het storten en deze kosten ook daadwerkelijk betaalt.

2.2. Daartoe voert Nieuwenhuijsen het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig jegens Nieuwenhuijsen door te weigeren om aan te geven waar Nieuwenhuijsen de baggerspecie, die vrijkomt na het uitbaggeren van de insteekhaven en het riviergedeelte voor de kade van de scheepswerf, kosteloos kan storten, althans door de kosten voor het storten van de verontreinigde baggerspecie te voldoen of te vergoeden. Nieuwenhuijsen lijdt daardoor schade.

De laatste keer dat de rivier daadwerkelijk werd uitgebaggerd was in 1984. Het is dringend noodzakelijk dat dit op korte termijn weer gebeurt. De voorgeschreven diepte van de rivier wordt thans bij lange na niet gehaald. Hierdoor lopen regelmatig schepen vast, wat een directe bedreiging voor het voortbestaan van de scheepswerf vormt. Een groot deel van de uit te baggeren sliblaag is sterk verontreinigd. Dat brengt met zich dat baggerwerkzaamheden in feite neerkomen op het saneren van verontreinigde bodem. Het storten van verontreinigde baggerspecie brengt hoge kosten met zich mee. Uit het riviergedeelte voor de kade dient 2.355 m³ slib te worden verwijderd en uit de insteekhaven 4.120 m³. Daarvan is 3.925 m³ ernstig verontreinigd (klasse B) en nog eens 140 m³ nooit toepasbaar. De kosten voor het afvoeren en storten daarvan bedragen € 10,60 per m³.

Nieuwenhuijsen erkent haar verplichting om haar insteekhaven en de rivier voor de kade van de scheepswerf op de voorgeschreven diepte te houden en de baggerspecie af te voeren. Die omvat echter niet tevens de verplichting om de meerkosten voor de baggerwerkzaamheden vanwege de bodemverontreiniging te betalen. De kosten voor het storten van de verontreinigde baggerspecie dienen voor rekening van de Staat te komen. Nieuwenhuijsen is niet de veroorzaker van de bodemverontreiniging en draagt daarvoor ook overigens geen enkele verantwoordelijkheid.

De Staat is op grond van artikel h van de vergunning van 25 juli 1978 nog altijd verplicht om een stortplaats voor de baggerspecie aan te wijzen. De eigendomsoverdracht van de rivier aan de gemeente in 2004 heeft dat niet veranderd. De Staat is verantwoordelijk voor het kwaliteitsbeheer van de rivier en dient daarom ook de kosten voor de sanering van de rivierbodem te dragen.

Het is voorts niet redelijk dat Nieuwenhuijsen de meerkosten voor het uitbaggeren, afvoeren en storten van de verontreinigde baggerspecie voor haar rekening moet nemen. Zolang niet de gehele rivier op de voorgeschreven diepte is gebracht en de verontreiniging niet is gesaneerd, zullen de insteekhaven en het riviergedeelte voor de kade van de scheepswerf blijven dichtslibben met verontreinigde specie en wordt Nieuwenhuijsen opnieuw met baggerwerkzaamheden en meerkosten geconfronteerd.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De Staat heeft allereerst het spoedeisend belang van Nieuwenhuijsen betwist. Nu Nieuwenhuijsen evenwel heeft aangevoerd dat zij al opdracht heeft gegeven voor het uitvoeren van baggerwerkzaamheden, dat deze werkzaamheden op zeer korte termijn zullen aanvangen en dat de baggerspecie dus op korte termijn gestort zal dienen te worden, heeft zij haar spoedeisend belang bij de vorderingen voldoende aannemelijk gemaakt.

3.2. Nieuwenhuijsens vorderingen komen in feite neer op het mogen storten van de verontreinigde baggerspecie op kosten van de Staat. Deze vordering baseert zij enerzijds op bepalingen in de door de Staat aan Nieuwenhuijsen verleende vergunning en anderzijds op (privaatrechtelijke) afspraken tussen de Staat en de gemeente.

3.3. Nieuwenhuijsen heeft erkend dat op haar de verplichting rust om baggerwerkzaamheden te verrichten in de insteekhaven en het deel van de rivier voor de scheepswerfkade. Uitgangspunt is daarom dat zij ook de daaruit voortvloeiende kosten dient te betalen. Voor zover de Staat na 2004 nog gebonden is aan de bepalingen in de vergunning van 25 juli 1978, geldt dat uit artikel h van die vergunning niet valt af te leiden dat de kosten van de storting door de Staat worden gedragen. Ook de omstandigheid dat Nieuwenhuijsen in het verleden kosteloos mocht storten na een aanwijzing van de Staat, levert op zichzelf geen recht op voor toekomstige stortingen.

3.4. In geschil tussen partijen is onder meer hoeveel m³ van de na de door Nieuwenhuijsen te verrichten baggerwerkzaamheden vrijkomende baggerspecie moet worden gestort bij een stortinrichting voor afvalstoffen. De Staat stelt zich op het standpunt dat slechts de 140 m³ niet toepasbare baggerspecie in een depot behoeft te worden gestort. Wat daar ook van zij, vaststaat dat de door deskundigen vastgestelde bodemverontreiniging extra kosten met zich brengt voor de door Nieuwenhuijsen te verrichten baggerwerkzaamheden. Partijen twisten in dat kader over de vraag of de Staat aansprakelijk is voor de bodemverontreiniging van de rivier en daarom de extra kosten van de baggerwerkzaamheden dient te dragen. Nieuwenhuijsen stelt dat uit de overeenkomst tussen de Staat en de gemeente blijkt dat de Staat verantwoordelijk is gebleven voor het waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer van de rivier, inclusief de (onderwater)bodem daarvan. Volgens Nieuwenhuijsen is de Staat daarom aansprakelijk voor de extra kosten als gevolg van de bodemverontreiniging.

3.5. Uitgangspunt is dat degene die met de schadelijke gevolgen van een bodemverontreiniging wordt geconfronteerd zich in beginsel, daargelaten dat hij mogelijk de vervuiler kan aanspreken, dient te wenden tot de grondeigenaar van de grond waar de verontreiniging zich bevindt of van afkomstig is. De Staat is sinds 2004 niet meer de grondeigenaar van de rivier. Dat de huidige grondeigenaar, de gemeente, afspraken heeft gemaakt met de Staat over de zorg voor de rivierbodem en dergelijke, maakt dat niet anders. Nieuwenhuijsen zou immers enkel een zelfstandig vorderingsrecht hebben jegens de Staat op grond van verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst tussen de Staat en de gemeente, indien in die overeenkomst een derdenbeding is opgenomen. Daarvan is geen sprake. Om die reden bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de verplichting van de Staat om bepaalde - volgens de Staat zwaar geclausuleerde - meerkosten als gevolg van verontreiniging aan de gemeente te vergoeden, een soortgelijke verplichting van de Staat jegens Nieuwenhuijsen oplevert.

3.6. Nieuwenhuijsen heeft haar standpunt dat de Staat als (mede)veroorzaker van de verontreiniging aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan niet voldoende onderbouwd. De Staat kan immers niet enkel op basis van de stelling dat hij zijn plicht om de rivier op diepte te houden heeft verzaakt, als veroorzaker van de verontreiniging worden aangemerkt. Bovendien valt niet uit te sluiten dat Nieuwenhuijsen zelf - hoewel zij dat betwist - (mede)veroorzaker van de bodemverontreiniging is.

3.7. De omstandigheid dat Nieuwenhuijsen wellicht op korte termijn weer wordt geconfronteerd met bagger- en saneringswerkzaamheden zolang niet de gehele rivier op diepte wordt gebracht, levert geen grondslag voor het gevorderde op.

3.8. Los van de vraag wie uiteindelijk de kosten van de bodemverontreiniging dient te dragen, leidt het voorgaande tot de conclusie dat Nieuwenhuijsen de Staat daar niet rechtstreeks voor kan aanspreken. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen. Nieuwenhuijsen zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt Nieuwenhuijsen in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.384,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 568,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2011.

hvd