Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ2338

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
11/9148
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is het met eiser eens dat artikel 50, vijfde lid, van de Vw 2000 geen grondslag biedt voor het telefonisch contact opnemen met een persoon van wie het telefoonnummer is opgenomen in het elektronische telefoon¬boek van de bij hem aangetroffen mobiele telefoon. Anders dan verweerder betoogt, biedt ook artikel 5:18 van de Algemene wet bestuurs¬recht (Awb) daarvoor geen grondslag. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 50 van de Vw 2000 waarin in het vijfde lid, in aanvulling op artikel 5:18 van de Awb, de bevoegd¬heid wordt gegeven om zaken van de opgehouden persoon te doorzoeken, waarbij gedacht dient te worden aan het doorzoeken van zijn bagage (memorie van toelichting, Kamer¬stukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3), is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid tot onderzoeken dan wel doorzoeken van zaken, aangetroffen in het bezit van de opgehouden vreemdeling, niet tevens kan worden opgevat als een bevoegdheid tot het telefonisch contact opnemen met een persoon van wie het telefoonnummer is opgenomen in het elektronische telefoonboek van de bij de vreemdeling aangetroffen mobiele telefoon. Het enkele uitlezen van de mobiele telefoon kan een middel zijn om informatie te verkrijgen over onder meer de herkomst van de vreemdeling. Het standpunt van verweerder dat het enkele uitlezen van de mobiele telefoon zonder dat tevens telefonisch contact zou mogen worden opgenomen met de personen van wie de telefoonnummers in het elektronische telefoonboek zijn opgenomen zinledig zou zijn kan dan ook door de rechtbank niet worden gevolgd. Nu verweerder tijdens de ophouding telefonisch contact heeft opgenomen met één van eisers contact¬personen zonder dat eiser daarvoor zijn toestemming heeft verleend, is er in strijd met artikel 8 van het EVRM gehandeld.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 maart 2011 (LJN BP9278), alsmede gelet op de door verweerder overgelegde informatie dat het aangekondigde overleg tussen verweerder en de Chinese ambassadeur op 22 maart 2011 heeft plaatsgevonden, waarbij is gesproken over samen¬werking op het gebied van migratie en het belang van terugkeer, is de rechtbank van oordeel dat, voor zover de medewerking van de Chinese autoriteiten daarvoor al is vereist, voorals¬nog voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de mededeling van verweerder dat het overleg op 22 maart 2011 heeft plaatsgevonden en dat daarbij is gesproken over voormelde onderwerpen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:18
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/272
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr : AWB 11/9148

V-nummer: […]

Inzake: […], eiser,

gemachtigde mr. H.G.A.M. Halfers, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde mr. J.V. van Vegten.

I Procesverloop

1 Eiser stelt te zijn geboren op […] en de Chinese nationaliteit te bezitten.

2 Op 17 maart 2011 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van

16 maart 2011 waarbij eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de maatregel van bewaring is opgelegd.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 30 maart 2011. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Noordeloos. Tevens was aanwezig M.S. Lee, tolk in de taal Mandarijn.

4 Bij faxbericht van 31 maart 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht een nader proces-verbaal te doen opmaken met betrekking tot het uitlezen van eisers mobiele telefoon en het zicht op uitzetting naar China. Op 4 april 2011 heeft verweerder aanvullende informatie overgelegd. Op 5 april 2011 heeft eiser daarop gereageerd.

5 Op 13 april 2011 heeft de rechtbank (in gewijzigde samenstelling) het onderzoek ter zitting hervat. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig X.H. Qian, tolk in de taal Mandarijn.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.1.1 Eiser betoogt dat zijn ophouding op onrechtmatige wijze is geschied, nu verweerder in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gehandeld door na het uitlezen van eisers mobiele telefoon te bellen met één van eisers contactpersonen. Dit maakt de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig, aldus eiser.

2.1.2 Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder gedurende de periode van ophouding eisers mobiele telefoon heeft uitgelezen en dat verweerder telefonisch contact heeft opgenomen met één van eisers contactpersonen van wie het telefoonnummer is opgenomen in het elektronische telefoonboek van deze mobiele telefoon zonder dat eiser daarvoor toestemming heeft verleend. Derhalve is sprake van een inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening van het recht op privéleven, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Een dergelijke inmenging vereist een wettelijke grondslag, die voldoende duidelijk en nauwkeurig is.

2.1.3 Niet in geschil is dat de bevoegdheid om de mobiele telefoon, die bij de krachtens artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 opgehouden vreemdeling is aangetrof¬fen in het kader van onderzoek naar diens identiteit en nationaliteit, uit te lezen haar grond¬slag vindt in artikel 50, vijfde lid, van de Vw 2000. De rechtbank is het met eiser eens dat artikel 50, vijfde lid, van de Vw 2000 geen grondslag biedt voor het telefonisch contact opnemen met een persoon van wie het telefoonnummer is opgenomen in het elektronische telefoon¬boek van de bij hem aangetroffen mobiele telefoon. Anders dan verweerder betoogt, biedt ook artikel 5:18 van de Algemene wet bestuurs¬recht (Awb) daarvoor geen grondslag. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 50 van de Vw 2000 waarin in het vijfde lid, in aanvulling op artikel 5:18 van de Awb, de bevoegd¬heid wordt gegeven om zaken van de opgehouden persoon te doorzoeken, waarbij gedacht dient te worden aan het doorzoeken van zijn bagage (memorie van toelichting, Kamer¬stukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3), is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid tot onderzoeken dan wel doorzoeken van zaken, aangetroffen in het bezit van de opgehouden vreemdeling, niet tevens kan worden opgevat als een bevoegdheid tot het telefonisch contact opnemen met een persoon van wie het telefoonnummer is opgenomen in het elektronische telefoonboek van de bij de vreemdeling aangetroffen mobiele telefoon. Het enkele uitlezen van de mobiele telefoon kan een middel zijn om informatie te verkrijgen over onder meer de herkomst van de vreemdeling. Het standpunt van verweerder dat het enkele uitlezen van de mobiele telefoon zonder dat tevens telefonisch contact zou mogen worden opgenomen met de personen van wie de telefoonnummers in het elektronische telefoonboek zijn opgenomen zinledig zou zijn kan dan ook door de rechtbank niet worden gevolgd. Nu verweerder tijdens de ophouding telefonisch contact heeft opgenomen met één van eisers contact¬personen zonder dat eiser daarvoor zijn toestemming heeft verleend, is er in strijd met artikel 8 van het EVRM gehandeld.

2.1.4 Vaste rechtspraak is dat een onrechtmatigheid de daaropvolgende inbewaring¬stelling eerst onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet bestreden. Gelet op deze gronden, waaronder de grond dat eiser de voorbereiding van zijn terugkeer of verwijderingsprocedure belemmert, is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor geconsta¬teerde inbreuk op artikel 8 van het EVRM niet zodanig ernstig is dat de belangen gemoeid met de oplegging en voortzetting van de bewaring hier niet tegen opwegen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat het telefonisch contact opnemen met eisers contactpersoon met andere doeleinden heeft plaatsgevonden dan het achterhalen van eisers (oude) woon¬adres teneinde zijn persoonlijke spullen daar op te halen. De rechtbank verwijst naar de processen-verbaal van bevindingen van 16 en 31 maart 2011(HV11) waaruit blijkt dat eiser de naam van deze contactpersoon heeft genoemd als zijnde de persoon op wiens adres hij woonachtig was en waarin verslag is gedaan van het met deze persoon gevoerde telefoongesprek. De rechtbank begrijpt dat eiser er belang bij heeft dat zijn ophouding wegens verdenking van illegaal verblijf bij derden onbekend blijft, doch aan dit gestelde geschonden belang wordt geen doorslaggevend gewicht toegekend. Zo kunnen derden ook in geval van binnentreding van een woning op grond van artikel 53 van de Vw 2000 op de hoogte raken van een dergelijke verdenking.

2.2.1 Ten aanzien van het betoog van eiser dat het zicht op uitzetting naar China ontbreekt, overweegt de rechtbank als volgt.

2.2.2 Voorop moet worden gesteld dat op eiser de rechtsplicht rust Nederland te verlaten en dat in dit verband van hem mag worden verlangd dat hij volledig en actief meewerkt aan het verkrijgen van de benodigde documenten voor zijn uitzetting. Het overleggen van een origineel paspoort valt daar onder. Hoewel eiser voorafgaand aan zijn inbewaringstelling heeft verklaard dat hij niet meer over een geldig paspoort beschikt, is de rechtbank van oordeel dat eiser dat vooralsnog niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank verwijst naar de inhoud van het verslag van het vertrekgesprek met eiser van 22 maart 2011. Gelet hierop kan niet worden uitgesloten dat eiser kan beschikken over een geldig paspoort en dus zonder de hulp van de Chinese autoriteiten kan worden uitgezet.

2.2.3 Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 maart 2011 (LJN BP9278), alsmede gelet op de door verweerder overgelegde informatie dat het aangekondigde overleg tussen verweerder en de Chinese ambassadeur op 22 maart 2011 heeft plaatsgevonden, waarbij is gesproken over samen¬werking op het gebied van migratie en het belang van terugkeer, is de rechtbank van oordeel dat, voor zover de medewerking van de Chinese autoriteiten daarvoor al is vereist, voorals¬nog voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de mededeling van verweerder dat het overleg op 22 maart 2011 heeft plaatsgevonden en dat daarbij is gesproken over voormelde onderwerpen. De rechtbank ziet geen aanleiding het verslag van het overleg van 22 maart 2011 aan te merken als een op de onderhavige zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in het artikel 8:42 van de Awb. Het verzoek van eiser om van dit verslag kennis te nemen wordt dan ook afgewezen. Teneinde vast te stellen of het overleg vruchtbaar is geweest in die zin dat het leidt tot afgifte van een laissez passer dient verweerder enige tijd te worden gegund.

2.3 Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van eiser in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om de opheffing van de maatregel te bevelen of een wijziging van de tenuitvoerlegging daarvan te gelasten.

2.4 Het beroep is ongegrond.

2.5 Er bestaat geen ruimte voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

2.6 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep ongegrond;

2 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in tegenwoordigheid van G.F. Meiland, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 20 april 2011.

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroep¬schrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingen¬zaken, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: