Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ1653

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
02-05-2011
Zaaknummer
AWB 09/7387 WRO en AWB 09/7588 WRO
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning eerste fase en vrijstelling ex art. 19.2 WRO voor de bouw van 20 eengezinswoningen aan de Noordenseweg te Nieuwkoop. Verweerder niet bevoegd vrijstelling te verlenen, omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het gehele bouwplan binnen de bebouwingscontour is gelegen. Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 09/7387 WRO en AWB 09/7588 WRO

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

1. Stichting Veenweidegebied in Nood, gevestigd te Nieuwkoop, eiseres,

gemachtigde mr. J.E. Dijk;

2. [A] en [B] wonende te [plaats], eisers,

gemachtigde mr. A.M.H. Dellaert,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, verweerder.

Derde partij: [C] Projecten B.V., gevestigd te Nieuwkoop, vergunninghoudster.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 27 januari 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder aan vergunninghoudster met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling en gelijktijdig reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor de bouw van 20 eengezinswoningen op het perceel Noordenseweg nabij nummer 21 te Nieuwkoop, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, sectie A, nummer 7585.

Tegen dit besluit hebben eiseres sub 1 en eisers sub 2 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 september 2009, verzonden 14 september 2009, heeft verweerder, overeenkomstig het advies voor de Commissie voor de bezwaarschriften van 26 maart 2008, de bezwaren van eiseres sub 1 en eisers sub 2 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres sub 1 bij brief van 16 oktober 2009, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, zaaknummer AWB 09/7387 WRO, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Eisers sub 2 hebben bij brief van 23 oktober 2009, ingekomen bij de rechtbank op

26 oktober 2009, zaaknummer AWB 09/7588 WRO, beroep ingesteld. De gronden zijn eveneens daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Verweerder heeft enige nadere stukken overgelegd.

De beroepen zijn op 16 september 2010 gevoegd ter zitting behandeld.

Namens eiseres sub 1 is verschenen [D], bijgestaan door mr. J.E. Dijk.

Eisers sub 2 zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.M.H. Dellaert.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.D.N. Prevoo.

Namens vergunninghoudster is verschenen [E].

De rechtbank heeft het onderzoek in deze zaken ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een recent rapport van de Dienst Landelijk Gebied omtrent de natuurwaarden in het gebied in te zenden, alsmede het schriftelijke antwoord van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (GS) op de vraag hoe het bouwplan zich verhoudt tot de bebouwingscontour.

Verweerder heeft bij brieven van 7 oktober 2010 en 26 oktober 2010 de gevraagde informatie ingediend. Eiseres sub 1 heeft daarop gereageerd.

Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege blijft.

II OVERWEGINGEN

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de WRO ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet (Wow) gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning en impliciet dus ook het verzoek om vrijstelling dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval nog de bepalingen van de WRO en de Wow van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden.

Het bouwplan, waarvoor vergunninghoudster op 7 november 2006 een aanvraag om reguliere bouwvergunning eerste fase heeft ingediend, voorziet in de bouw van 20 een-gezinswoningen op het perceel Noordenseweg nabij nummer 21 te Nieuwkoop. Het project bestaat uit 10 geschakelde villa's (nokhoogte 9 meter), 8 eengezinswoningen (nokhoogte 11 meter) en 2 GGZ-units. Op het terrein bevond zich een woning met bijbehorend erf, waarop een berging, een schuur en een silo aanwezig waren, alsmede weiland.

Eisers sub 2 wonen aan de [adres], op geringe afstand van het bouwplan en hebben vanuit hun woning zicht op het bouwplan. Derhalve kunnen zij als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

Blijkens artikel 2, eerste lid, van de statuten heeft eiseres sub 1 als doelstelling het openhouden en beschermen van de groene ruimte in het (veen)weidegebied rond om de kern Nieuwkoop en directe omgeving. Onder de doelstelling valt mede het behouden en het verbeteren van de natuurwaarden, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de flora en de fauna, de kwaliteit van het milieu waaronder de lucht, de bodem en het water en de gezondheid van mensen en een goede ruimtelijke ordening, alles in de ruimste zins des woords.

In het beroepschrift van eiseres sub 1 is vermeld dat zij deelneemt aan klankbordgroepen omtrent de inrichting van het veenweidegebied rondom Nieuwkoop. Verweerder heeft dit niet weersproken. Gelet op dit samenstel van statutaire doelomschrijving en activiteiten kan ook eiseres sub 1 als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden aangemerkt.

In het bestreden besluit is overwogen dat het bouwplan valt binnen de bebouwingscontour die het Streekplan Zuid-Holland Oost 2003 stelt. De inpassing van de woningen in de omgeving is door het stellen van voorschriften voldoende gegarandeerd. Daardoor zijn ook de belangen van omwonenden voldoende meegewogen. Door het treffen van verkeersmaatregelen zal de verkeersveiligheid gewaarborgd worden. Het plangebied is volgens een door ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot uitgevoerd onderzoek gelegen ten noorden van De Nieuwkoopse Plassen en grenst daaraan niet direct. Extra verstoringseffecten door uitvoering van de plannen zullen zeer gering zijn, waardoor er geen schadelijke gevolgen worden verwacht. Compensatie van verloren natuurwaarden is onder die omstandigheden dan ook niet nodig. De Woonvisie Zuid-Holland 2005-2014 bevat een bouwopgave waaraan ook de gemeente Nieuwkoop een bijdrage moet leveren. Daarnaast is de bouw van woningen noodzakelijk voor de vestiging van de eigen bevolking. De provincie heeft het gegeven dat de bouwlocatie in het Groene Hart is gelegen meegewogen bij het bepalen van de contouren voor Nieuwkoop. Een alternatieve ontsluitingsweg is onderzocht en blijkt niet tot inrichting van de ruimte op de meeste doelmatige wijze te leiden. Verweerder heeft mede gezien het negatieve migratiesaldo in Nieuwkoop en de bouwopgave die de provincie stelt aan het algemeen belang een groter gewicht toegekend dan aan individuele belangen.

Eiseres sub 1 heeft gesteld dat een deel van het bouwplan is gelegen buiten de op de bij de partiële herziening van het Streekplan Zuid-Holland Oost van 28 juni 2006 behorende plankaart aangegeven bebouwingscontour (een strook van 10 x 65 m). Om die reden kon volgens eiseres sub 1 niet met een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO worden volstaan.

Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Wow, wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend. De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet ingevolge het tweede lid van dit artikel worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Krachtens het eerste lid van artikel 19 van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Nieuwkoop". Het betrokken perceel heeft de bestemming "Agrarisch gebied in een open landschap", met gedeeltelijk de nadere aanduiding "agrarisch bouwperceel". Ingevolge artikel 4, onder A, van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming onder meer bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische veehouderij, alsmede voor het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering.

Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet hierop heeft verweerder vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend.

Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO hebben GS in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening bij besluit van 9 oktober 2007 een lijst met categorieën van gevallen vastgesteld en op de in de Provinciewet voorgeschreven wijze gepubliceerd in het provinciaal blad van Zuid-Holland nummer 96 van 24 oktober 2007. De lijst is opgesteld op basis van het huidige provinciale ruimtelijk beleid, zoals neergelegd in de streekplannen en de Nota regels voor Ruimte.

Volgens die lijst kan het college van burgemeester en wethouders in een aantal limitatief opgesomde situaties vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen.

Deze situaties betreffen, voor zover hier van belang, het in stedelijk gebied bouwen ten behoeve van de woonfunctie (woningen, woonzorgcentra, woonwagens et cetera) - inclusief bij die functie behorende bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen (garages, carports, parkeerkelders, zwembaden, et cetera) - en het omzetten van bestaande functies naar een woonfunctie.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of het bouwplan geheel in het stedelijke gebied is gelegen. Bepalend daarvoor is de ligging van de in het streekplan Zuid-Holland Oost 2003 opgenomen bebouwingscontour kern Nieuwkoop.

Bij brief van 22 oktober 2010 hebben GS meegedeeld dat de rode contouren destijds op een bepaald schaalniveau zijn weergegeven, waaruit een exacte lijn op perceelsniveau niet valt af te leiden. GS voegen daaraan toe dat zij een verklaring van geen bezwaar zouden hebben afgegeven indien een procedure als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO zou zijn gevolgd, omdat een eventuele overschrijding van de contour zo minimaal is dat dit geen grond is om de ontwikkeling tegen te houden.

Gelet op deze brief van GS kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het gehele bouwplan binnen de bebouwingscontour is gelegen. Dat betekent, nu het hier om één project gaat dat niet in meerdere delen kan worden gesplitst, dat een gedeelte van het project waarvoor vrijstelling en bouwvergunning is gevraagd mogelijk buiten de bebouwingscontour valt. Gezien deze omstandigheid moet naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat verweerder niet aan het besluit van GS van 9 oktober 2007 de bevoegdheid kon ontlenen vrijstelling te verlenen voor het in geding zijnde bouwplan. De rechtbank acht hierbij van belang dat de rode contour ertoe strekt te voorkómen dat uitbreiding van het stedelijk gebied in het zogeheten groene hart plaatsvindt. Dat betekent dat de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling niet mag worden uitgeoefend als niet buiten twijfel staat dat het bouwplan volledig binnen de rode contour wordt gerealiseerd. In dat geval kan het bouwplan slechts worden gerealiseerd met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO. Daarvoor is een verklaring van geen bezwaar van GS vereist, die in het kader van een met gebruikmaking daarvan verleende vrijstelling vatbaar is voor rechterlijke toetsing. Een enkele brief van GS kan daarvoor niet in de plaats treden, nog daargelaten dat in dit geval geen vrijstelling krachtens het eerste lid van artikel 19 van de WRO is verleend, maar krachtens het tweede lid.

Dit leidt ertoe dat de beroepen gegrond zijn en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer, gelet op de aan dit oordeel te verbinden consequenties.

Verweerder wordt opgedragen binnen een termijn van zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Hij moet daarbij beslissen of hij (1) de procedure van artikel 19, eerste lid, van de WRO zal initiëren dan wel (2) daarvan afziet, in welk geval geen vrijstelling kan worden verleend en de bouwvergunning geen stand kan houden. In dat geval zal verweerder de bezwaren gegrond moeten verklaren, het primaire besluit moeten herroepen en alsnog de gevraagde vergunning moeten weigeren.

Verweerder wordt in de door eiseres sub 1 gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaken is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.

Aangezien ten behoeve van eiseres sub 1 ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Verweerder wordt voorts in de door eisers sub 2 gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) eveneens 2 punten worden toegekend.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat verweerder aan eiseres sub 1 het door haar betaalde griffierecht, te weten € 297,00 vergoedt;

bepaalt dat verweerder aan eisers sub 2 het door haar betaalde griffierecht, te weten € 150,00 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiseres sub 1 gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, welk bedrag aan de griffier moet worden vergoed.

veroordeelt verweerder in de door eisers sub 2 gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, welk bedrag aan eisers sub 2 moet worden vergoed.

Aldus vastgesteld door mrs. H.P.M. Meskers, J.L. Verbeek en A.C.M. van Wesenbeeck, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.