Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ1644

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
02-05-2011
Zaaknummer
AWB 10/7877 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2010 van de minister van Defensie, verweerder, is verzoeker met ingang van 8 november 2010 eervol ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid, onder h, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (hierna: AMAR) wegens ontheffing uit de initiële opleiding.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder de verklaring van de bedrijfsarts van 18 oktober 2010 (bijlage bij eisers op 22 oktober 2010 ontvangen bezwaarschrift) onvoldoende in beschouwing heeft genomen bij de voorbereiding van het ontslagbesluit. Het enkele feit dat de bedrijfsarts geen diagnose heeft vermeld, hetgeen het gevolg kan zijn van gebondenheid aan het medisch beroepsgeheim, maakt niet dat geen aanknopingspunten bestaan voor de conclusie dat aan (een groot deel van) de constateringen, op grond waarvan is geconcludeerd dat sprake is van een gebrek aan leervermogen, een medische situatie ten grondslag kan liggen. Verweerder heeft dit, door zelf een uitleg te geven aan de verklaring van de bedrijfsarts, miskend.

Nu verweerder naar aanleiding van de verklaring van de bedrijfsarts bovendien geen nader (medisch) onderzoek heeft laten verrichten door een medisch specialist, is het bestreden besluit van 25 oktober 2010 niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de gehanteerde ontslagdatum niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 47, derde lid, van het AMAR.

De mededeling in het ontheffingsbesluit van de commandant [...] van 27 september 2010 dat voor wat betreft verzoekers ontslag [...] separaat een beslissing zal worden genomen, kan niet worden aangemerkt als een schriftelijke mededeling van het voorstel tot ontslagverlening als bedoeld in artikel 47, derde lid, van het AMAR. Ontslagverlening zoals in het onderhavige geval is geschied, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van verweerder en niet tot de bevoegdheid van de commandant [...]. Van de zijde van verweerder is verzoeker eerst bij het thans bestreden besluit in kennis gesteld van zijn ontslag. Dat bij opkomst van militairen in de regel voorlichting wordt gegeven over de rechtspositie ten aanzien van dit aspect doet hier niet aan af.

Reeds op grond hiervan zal het bestreden besluit in bezwaar niet in stand kunnen blijven.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding nader te overwegen als volgt.

Gelet op de verklaring van de bedrijfsarts van 18 oktober 2010 en het vermoeden dat sprake zou kunnen zijn van ADHD, ligt het op de weg van verweerder om tijdens de bezwaarfase alsnog door een ter zake kundige medisch specialist (psychiater of klinisch psycholoog) onderzoek te laten verrichten.

De voorzieningenrechter overweegt dat bij de [..] zoals verweerder ter zitting heeft medegedeeld, de gedragslijn wordt gehanteerd dat een betrokkene in geval van een medische indicatie bij de [medische dienst] wordt geplaatst om behandeling op te starten. Vooralsnog valt niet in te zien waarom deze gedragslijn in het geval van verzoeker niet zou kunnen worden gehanteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3

Reg.nr.: AWB 10/7877 MAW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[A], wonende te [plaats], verzoeker,

gemachtigde mr. H.J.G. Dudink,

ter zake van het besluit van 25 oktober 2010 van de minister van Defensie, verweerder, waarbij verzoeker met ingang van 8 november 2010 eervol ontslag is verleend op grond van artikel 39, tweede lid, onder h, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (hierna: AMAR) wegens ontheffing uit de initiële opleiding.

Verzoeker heeft bij brief van 8 november 2010 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Voorts heeft hij bij brief van 8 november 2010 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 30 november 2010 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Hurks.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting met overeenkomstige toepassing van artikel 8:64 van de Awb geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen zich te beraden op het al dan niet handhaven van het bestreden besluit van 25 oktober 2010.

Bij nader verweerschrift van 2 december 2010 heeft verweerder gemotiveerd medegedeeld dat geen aanleiding bestaat om het besluit van 25 oktober 2010 in te trekken.

Bij brief van 15 december 2010 heeft verzoeker zijn reactie op het nader verweerschrift kenbaar gemaakt.

Bij brief van 18 januari 2011 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de voorzieningenrechter toestemming verleend om in deze zaak uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter heeft daarop het onderzoek gesloten.

I OVERWEGINGEN

1 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

2.1 Verzoeker is met ingang van 18 augustus 2008 aangesteld als [functie] en ingedeeld bij [...] in de rang [subdienstgroep] bij [rang], met bestemming [bestemming]. Verzoeker bevindt zich in [fase].

2.2 Verzoeker heeft op enig moment verzocht om beëindiging van de opleiding [opleiding], welk verzoek per 19 juli 2009 is ingewilligd. Per 20 juli 2009 is verzoeker aangevangen met de initiële vakopleiding tot de [subdienstgroep], ook wel [Basisopleiding] genoemd. De initiële opleiding bestaat in zijn geval uit de [basisopleiding], gevolgd door de typegerichte functieopleiding en de Praktische Bedrijfsintroductie (hierna: PBI). Bij besluit van 1 september 2010 is de bestemming van verzoeker per 20 juli 2009 gewijzigd in die zin dat zijn subdienstgroep is gewijzigd van [naam 1] in [naam 2].

2.3 Verzoeker is na een stageperiode in december 2009 per 11 januari geplaats [plaats] als PBI'er.

2.4 De Commandant [plaats], in deze het Hoofd van het Onderwijs, heeft op 19 augustus 2010 besloten om een Commissie van Advies (hierna: de Commissie) in te stellen omdat tijdens de PBI is gebleken dat verzoeker mogelijk niet voldoet aan de bij de opleiding gestelde onderwijsdoelstellingen.

De Commissie wordt opgedragen te onderzoeken of feiten en omstandigheden aanwezig zijn die aanleiding kunnen geven om verzoeker uit de opleiding te ontheffen dan wel kunnen leiden tot wijziging van bestemming.

2.5 Op 31 augustus 2010 heeft de Commissie een rapport uitgebracht.

2.6 Bij besluit van 27 september 2010 heeft de Commandant [...] verzoeker met ingang van 28 september 2010 ontheven uit de initiële opleiding PBI en medegedeeld dat voor wat betreft het ontslag uit [...] separaat een beslissing wordt genomen.

Verzoeker heeft bij brief van 20 oktober 2010 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.7 Bij besluit van 25 oktober 2010 heeft verweerder verzoeker met ingang van

8 november 2010 eervol ontslag verleend wegens ontheffing uit de initiële opleiding.

Verzoeker heeft bij brief van 8 november 2010 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Voorts heeft verzoeker bij brief van 8 november 2010 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

3 Verweerder heeft aan het bestreden besluit van 25 oktober 2010 ten grondslag gelegd dat verzoeker is ontheven uit de initiële opleiding omdat hij niet voldoet aan de bij deze opleiding gestelde eisen. Geconcludeerd is dat sprake is van een gebrek aan leervermogen. Hieraan ligt ten grondslag dat tijdens de PBI-periode van verzoeker is geconstateerd dat de voortgang in het takenboek onvoldoende is, dat verzoeker - ondanks dat meerdere malen uitleg is gegeven - moeite heeft met het reproduceren van en het handelen naar opgedane informatie, dat verzoeker moeite heeft om te werken in teamverband, dat verzoeker een gebrekkige planning heeft en dat verzoeker weinig inzicht heeft in hiërarchische verhoudingen. Verweerder heeft de ontslagdatum vastgesteld op

8 november 2010, met de overweging dat rekening is gehouden met het bepaalde in artikel 47, derde lid, van het AMAR. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker met het besluit van 27 september 2010 schriftelijk in kennis is gesteld van het voorstel tot ontslagverlening.

4 Verzoeker heeft in zijn bezwaarschrift van 20 oktober 2010, gericht tegen het besluit van 27 september 2010 tot ontheffing uit de opleiding, medegedeeld dat hij zich er van bewust is dat hij fouten heeft gemaakt. Hij heeft dan ook hulp gezocht bij diverse instanties, zoals de GV, de vertrouwenspersoon, de SMD en een arts. De bedrijfsarts heeft diverse medische onderzoeken verricht. Deze arts is van mening dat een mogelijke medische oorzaak een rol heeft gespeeld in enkele problemen waar verzoeker in de opleiding mee kampte en die een rol hebben gespeeld in de gesignaleerde problematiek die door anderen is verwoord in de rapportage. Verzoeker verwijst daartoe naar de als bijlage bij het bezwaarschrift meegezonden brief van de bedrijfsarts van 18 oktober 2010.

In deze brief heeft de bedrijfsarts medegedeeld dat verzoeker, die bij hem onder behandeling was, in het recente verleden diverse problemen op de werkvloer heeft gehad, gecombineerd met rapportages voor te laat op de arbeidsplek verschijnen en in slaap vallen onder werktijd. De uitkomst van één van de onderzoeken geeft naar zijn mening een oorzaak aan voor een deel van de onderkende problematiek, waarbij dit echter niet de verantwoordelijkheid van verzoeker bij bepaalde beslissingen volledig excuseert. Met een juiste behandeling en begeleiding zou verzoeker in staat kunnen blijken een deel van de problematiek te couperen. Dit betreft met name een verbeterde aanpassing (in werk en van gedrag), meer structuur en energie. Dit zou mogelijk ruimte laten voor een hernieuwde kans om zich te bewijzen.

5.1 Ingevolge artikel 39, tweede lid, onder h, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens ontheffing van de initiële opleiding tot het volgen waarvan hij bij zijn aanstelling is aangewezen, om reden dat hij niet voldoet aan de bij die opleiding gestelde eisen.

5.2 Artikel 47 van het AMAR, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

"1. Ontslag wordt in het algemeen verleend met ingang van de eerste dag van een kalendermaand.

2. Een ontslag op aanvraag anders dan tijdens de proeftijd en een ontslag om een van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid onder c, d, e, f, g, en j, gaan niet eerder in dan nadat ten minste drie maanden zijn verstreken sedert het tijdstip waarop het aanvraag om ontslag is ingediend onderscheidenlijk de militair van de beslissing tot ontslagverlening schriftelijk in kennis is gesteld.

3. Een ontslag op aanvraag tijdens de proeftijd en de ontslagen, bedoeld in artikel 39, tweede lid onder h, en zevende lid, gaan niet eerder in dan nadat ten minste een maand is verstreken sedert het tijdstip waarop het aanvraag om ontslag is ingediend of de militair van de beslissing onderscheidenlijk het voorstel tot ontslagverlening schriftelijk in kennis is gesteld.

4. De in het tweede en derde lid genoemde termijnen kunnen op verzoek van de militair worden bekort."

6.1 Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat de door verzoeker overgelegde verklaring van de bedrijfsarts geen aanleiding heeft gevormd om aan te nemen dat er sprake was van ziekte, nu de bedrijfsarts spreekt over problematiek. Uit de verklaring blijkt niet wat het probleem is. Evenmin blijkt waarom verzoeker niet in staat is om de stof tot zich te nemen. Verweerder acht het bestreden besluit van 25 oktober 2010 derhalve niet onrechtmatig. Verweerder is bereid om onderzoek te (laten) doen naar de medische situatie, maar stelt zich daarbij op het standpunt dat verzoeker daartoe niet in dienst behoeft te blijven.

Met betrekking tot de gekozen ontslagdatum heeft verweerder nader aangevoerd dat het gebruik is dat militairen bij opkomst worden medegedeeld dat bij ontheffing uit de opleiding ontslag volgt en dat verzoeker hiervan derhalve reeds op de hoogte was.

6.2 De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder de verklaring van de

bedrijfsarts van 18 oktober 2010 (bijlage bij eisers op 22 oktober 2010 ontvangen bezwaar-schrift) onvoldoende in beschouwing heeft genomen bij de voorbereiding van het ontslag-besluit. Het enkele feit dat de bedrijfsarts geen diagnose heeft vermeld, hetgeen het gevolg kan zijn van gebondenheid aan het medisch beroepsgeheim, maakt niet dat geen aanknopingspunten bestaan voor de conclusie dat aan (een groot deel van) de constateringen, op grond waarvan is geconcludeerd dat sprake is van een gebrek aan leervermogen, een medische situatie ten grondslag kan liggen. Verweerder heeft dit, door zelf een uitleg te geven aan de verklaring van de bedrijfsarts, miskend.

Nu verweerder naar aanleiding van de verklaring van de bedrijfsarts bovendien geen nader (medisch) onderzoek heeft laten verrichten door een medisch specialist, is het bestreden besluit van 25 oktober 2010 niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de gehanteerde ontslagdatum niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 47, derde lid, van het AMAR.

De mededeling in het ontheffingsbesluit van de commandant[...] van

27 september 2010 dat voor wat betreft verzoekers ontslag uit de [...] separaat een beslissing zal worden genomen, kan niet worden aangemerkt als een schriftelijke mededeling van het voorstel tot ontslagverlening als bedoeld in artikel 47, derde lid, van het AMAR. Ontslagverlening zoals in het onderhavige geval is geschied, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van verweerder en niet tot de bevoegdheid van de commandant [...]. Van de zijde van verweerder is verzoeker eerst bij het thans bestreden besluit in kennis gesteld van zijn ontslag. Dat bij opkomst van militairen in de regel voorlichting wordt gegeven over de rechtspositie ten aanzien van dit aspect doet hier niet aan af.

Reeds op grond hiervan zal het bestreden besluit in bezwaar niet in stand kunnen blijven.

6.3 De voorzieningenrechter ziet aanleiding nader te overwegen als volgt.

Verzoeker heeft thans ter zitting verklaard dat de bedrijfsarts heeft geconstateerd dat mogelijk sprake is van ADHD-problematiek en dat de bedrijfsarts het derhalve niet vreemd achtte dat verzoeker niet functioneerde. Verzoeker heeft voorts verklaard dat hij geen structuur had, moe was van zichzelf, dat hij niet goed kon plannen, dat hij zich niet goed kon concentreren en dat hij chaotisch was. Zijn hoofd zat vol. Inmiddels gebruikt hij medicatie, te weten Ritalin. Dit helpt: hij is nu rustiger en heeft beter overzicht. Daarnaast heeft verzoeker verklaard dat hij reeds in september 2010 verschillende malen een walarts heeft bezocht. Voorts heeft hij [arts] bezocht.

Uit het nader verweerschrift van verweerder van 2 december 2010 blijkt dat van de zijde van verweerder op 1 december 2010 telefonisch contact heeft plaatsgevonden met de bedrijfsarts. Nu de inhoud van hetgeen tijdens dit telefoongesprek is besproken niet in een eigen verklaring van de bedrijfsarts is neergelegd, gaat de voorzieningenrechter alleen uit van het onbetwiste vermoeden dat sprake zou kunnen zijn van ADHD en dat deze diagnose bij verzoeker nog niet is gesteld. Hetgeen verzoeker ter zitting heeft verklaard is hiermee in lijn.

Gelet op de verklaring van de bedrijfsarts van 18 oktober 2010 en het vermoeden dat sprake zou kunnen zijn van ADHD, ligt het op de weg van verweerder om tijdens de bezwaarfase alsnog door een ter zake kundige medisch specialist (psychiater of klinisch psycholoog) onderzoek te laten verrichten.

De voorzieningenrechter overweegt dat bij de [...], zoals verweerder ter zitting heeft medegedeeld, de gedragslijn wordt gehanteerd dat een betrokkene in geval van een medische indicatie bij de [medische dienst] wordt geplaatst om behandeling op te starten. Vooralsnog valt niet in te zien waarom deze gedragslijn in het geval van verzoeker niet zou kunnen worden gehanteerd.

7 Het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen, in die zin dat het bestreden besluit van 25 oktober 2010 dient te worden geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar.

8 Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 874,-- (2 punten à € 437,--, wegingsfactor 1). Voorts dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht in beide procedures te vergoeden.

II BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit van 25 oktober 2010 wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar;

2 veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874,--, welk bedrag aan verzoeker moet worden vergoed;

3 bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht, te weten € 150,--, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.W.H.B. Sentrop, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse - van Rossum.

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.