Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ1583

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
18-04-2011
Zaaknummer
AWB 10/2797 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

X ontving in het onderhavige jaar een pensioen van ING van € 15.147 en een uitkering inzake een pensioenpolis bij Nationale Nederlanden van € 534.521. Daarnaast heeft X inkomen genoten uit een aantal commissariaten en een aantal advies- en bestuursfuncties. De daarmee verband houdende werkzaamheden verrichtte X onder meer vanuit een werkruimte in zijn woning. In geschil is of X de kosten in verband met de werkruimte in het onderhavige jaar ten laste van zijn inkomen kan brengen. Niet in geschil dat de onderhavige werkruimte een zelfstandig gedeelte van eisers woning vormt. Rechtbank 's-Gravenhage oordeelt dat X niet voldoet aan de in artikel 3.16, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 vermelde voorwaarde dat hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit onderneming, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in zijn huis verwerft. Er is geen sprake van een op grond van in artikel 14 van het EVRM of artikel 26 van het IVBPR verboden discriminatie. De inspecteur heeft evenmin in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-0996
V-N 2011/31.12 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10/2797 IB/PVV

Uitspraakdatum: 1 februari 2011

Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 15 maart 2010 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2006 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 741.606 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 92.242.

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [A].

II BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

III OVERWEGINGEN

1.1. Eiser ontving in het onderhavige jaar een pensioen van ING van € 15.147 en een uitkering inzake een pensioenpolis bij Nationale Nederlanden van € 534.521. Daarnaast heeft eiser inkomen genoten uit een aantal commissariaten en een aantal advies- en bestuursfuncties. De daarmee verband houdende werkzaamheden verrichtte eiser onder meer vanuit een werkruimte in zijn woning.

1.2. Eiser heeft voor het jaar 2006 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 724.006. Het inkomen uit de commissariaten en advies- en bestuursfuncties heeft eiser kennelijk voor een bedrag van € 203.708 aangegeven als winst uit onderneming en daarbij € 17.600 als kosten voor een werkruimte in aftrek gebracht.

1.3. In geschil is of eiser de in 1.2 vermelde kosten in verband met de werkruimte in het onderhavige jaar ten laste van zijn inkomen kan brengen. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige werkruimte een zelfstandig gedeelte van eisers woning vormt.

1.4. Eiser stelt dat het onredelijk en onbillijk is en dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat hij, als ZZP-er die, naar hij ter zitting heeft gesteld, 100% vanuit huis werkt, geen recht heeft op aftrek van door hem in verband met zijn werkruimte gemaakte kosten. Eiser stelt voorts dat hij ten opzichte van belastingplichtigen die eenzelfde onderneming drijven, die evenmin over een werkruimte elders beschikken en waarbij de inkomsten uit die onderneming hoofdzakelijk vanuit hun werkkamer thuis worden gegenereerd maar die bijvoorbeeld geen pensioen of ander box 1 inkomen hebben of belastingplichtigen die naast winst uit hun onderneming slechts (een groot) box 3 inkomen hebben, ongelijk wordt behandeld. Eiser verwijst daarbij naar de Grondwet en de Europese verdragen.

De relevante wets- en verdragsbepalingen

1.5.1. Artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt voor zover hier van belang:

"1. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van de belastingplichtige zelf in zijn niet tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en:

a. (...)

b. ingeval hij niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft."

Ingevolge artikel 3.80 van de Wet IB 2001 is belastbaar loon: loon verminderd met de reisaftrek. Ingevolge artikel 3.81 van de Wet IB 2001 wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder loon verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

In de parlementaire geschiedenis van artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 en van de voorloper van deze bepaling, artikel 8b, eerste lid, onderdeel a, ten eerste, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964), is onder meer het volgende opgemerkt:

Parlementaire behandeling Wet IB 1964:

"Het onderhavige voorstel moet worden gezien als het complement voor de winstsfeer van de in wetsvoorstel Oort-II met betrekking tot de aftrekbaarheid van gemengde kosten in de privé-sfeer voorgestelde beperkingen en steunt dan ook op dezelfde overwegingen.

Uitgangspunt van het voorstel is om op pragmatische, soms arbitraire wijze een beperking aan te brengen in de aftrekbaarheid van gemengde kosten."

MvT, Kamerstukken II 20 874, nr. 3, blz. 1 en 2.

"Anders dan deze leden zien wij geen reden ingeval er sprake is van andere inkomsten uit arbeid de inkomsten uit vroegere arbeid niet mee te rekenen. Indien iemand die in zijn actieve periode de kosten van zijn werkkamer niet in aftrek mag brengen omdat hij naast zijn inkomsten uit dienstbetrekking van ƒ 100 000 in de werkkamer nog ƒ 3000 bijverdient, valt niet in te zien dat de kosten van de werkkamer bij continuering van de bijverdiensten na pensionering wel aftrekbaar zouden moeten zijn."

Nota naar aanleiding van het eindverslag, Kamerstukken II 20 873, nr. 9, blz. 34.

"De tweede categorie ziet op belastingplichtigen-ondernemers die niet tevens elders over kantoorruimte beschikken. Voor deze categorie zal als criterium voor aftrekbaarheid gelden het deel van het totaal van de winst uit onderneming en de inkomsten uit arbeid dat wordt verworven in de kantoorruimte of met de kantoorruimte als basis. (...). De factor werktijd is niet meer doorslaggevend. Het voordeel hiervan is dat de (...) gesignaleerde controleproblematiek met betrekking tot urenopgaven sterk in relevantie vermindert omdat in veel gevallen een gemakkelijker inzicht kan worden verkregen in de vraag of winst en inkomsten in de werkkamer worden gegenereerd dan in de vraag hoeveel tijd in die werkkamer wordt doorgebracht."

MvA, Kamerstukken II 20 874, nr. 6, blz. 14.

"Voor deze gevallen wordt derhalve de wijziging van het oude grotendeels-criterium in het hoofdzakelijk-criterium van belang. Wij hebben die wijziging noodzakelijk geacht opdat de aftrek blijft beperkt tot die situaties waarin er een ondubbelzinnige band bestaat tussen de kosten van de werkkamer en de genoten inkomsten."

Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 25 051, nr. 5, blz. 14 en 15.

"Daarnaast wordt een aanscherping aangebracht ten aanzien van het gebruik van de werkruimte in relatie tot het inkomen. In de praktijk is gebleken dat de huidige regeling er onvoldoende toe leidt dat de aftrek van werkkamerkosten wordt beperkt tot die gevallen waarin er een ondubbelzinnige band bestaat tussen de kosten van de werkkamer en de genoten inkomsten. Daarom wordt voorgesteld het bestaande 'grotendeels-criterium' te vervangen door een 'hoofdzakelijk-criterium'. Om voor aftrek van kosten van een werkruimte in aanmerking te komen dienen de inkomsten derhalve hoofdzakelijk in de werkruimte te worden verworven, of indien geen soortgelijke werkruimte elders beschikbaar is - in of vanuit de werkruimte. Voor de gevallen dat geen soortgelijke werkruimte elders beschikbaar is, willen zij voorkomen dat een onbedoelde reikwijdte wordt gegeven aan de aftrek van kosten van een werkruimte. Daarom wordt in die situatie als aanvullende eis gesteld dat de inkomsten in belangrijke mate in de werkruimte zijn verworven. Dit vereiste voorkomt dat ambulante personen die in feite niet of nauwelijks gebruik maken van een werkruimte thuis toch voor kostenaftrek ter zake van een dergelijke werkruimte in aanmerking komen."

MvT, Kamerstukken II 25 051, nr. 3, blz. 18 en 19.

"Voor deze gevallen wordt derhalve de wijziging van het oude grotendeels-criterium in het hoofdzakelijk-criterium van belang. Wij hebben die wijziging noodzakelijk geacht opdat de aftrek blijft beperkt tot die situaties waarin er een ondubbelzinnige band bestaat tussen de kosten van de werkkamer en de genoten inkomsten."

Nader verslag, Kamerstukken II 1996/97, 25 051, nr. 5, blz. 14 en 15.

"Hoofdzakelijk heeft voor de loon- en inkomstenbelasting de betekenis van 70% of meer. Aldus worden de mogelijkheden voor aftrek van kosten van een kantoorruimte in de niet tot het ondernemingsvermogen behorende woning beperkt tot die gevallen waarin 70% of meer van het gezamenlijke bedrag van winst uit onderneming en inkomsten uit arbeid in (wel kantoorruimte elders) of in of vanuit (geen kantoorruimte elders) de kantoorruimte wordt verworven. In de laatste situatie is als aanvullende eis opgenomen dat het gezamenlijke bedrag van de winst en de inkomsten uit arbeid in belangrijke mate (30% of meer) in de kantoorruimte wordt verworven."

MvT, Kamerstukken II 1996/97, 25 051, nr. 3, blz. 38.

Parlementaire behandeling Wet IB 2001:

"De bepaling is mede gebaseerd op artikel 8b, eerste, derde, vierde en zesde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964."

MvT, Kamerstukken II 1998/99, nr. 26 727, nr. 3, blz. 104.

"Teneinde te bepalen of de kosten en lasten van een werkruimte in de eigen woning die niet tot het ondernemingsvermogen behoort, in aftrek mogen komen op de winst, wordt aangesloten bij het gezamenlijke bedrag van de winst, looninkomen en resultaat uit overige werkzaamheden. Zoals wij in de nota naar aanleiding van het verslag (blz. 142) hebben aangegeven, beoogt het daarbij van toepassing zijnde hoofdzakelijkheids- en grotendeelscriterium te voorkomen dat belastingplichtigen

die ter verwerving van hun arbeidsinkomen slechts bijkomstig gebruik maken van een werkruimte aan huis, kosten in aftrek kunnen brengen. Een belangrijk doel van de invoering van dit criterium in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 was de wens op dit vlak paal en perk te stellen aan het opvoeren van de zogenoemde studeerkamer-aftrekken. (...) Deeltijdondernemers die een relatief gering looninkomen hebben, zullen doorgaans kunnen voldoen aan het hoofdzakelijkheids- en grotendeelscriterium. Anders ligt dit voor deeltijdondernemers en personen met resultaat uit overige werkzaamheden die een relatief hoog looninkomen en een relatief laag winstinkomen respectievelijk resultaat uit overige werkzaamheden hebben. Die verkeren echter ook in een geheel andere situatie, die veeleer is te vergelijken met anderen die naast een hoofdberoep in dienstbetrekking, neveninkomsten hebben."

Nota naar aanleiding van het nader verslag, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 17, blz. 246.

"Deze criteria werken naar ons oordeel in het algemeen niet onredelijk uit voor deeltijdondernemers. Bij deeltijdondernemers die daarnaast geen looninkomen (daaronder worden ook inkomsten uit vroegere arbeid zoals WAO-uitkeringen en pensioen begrepen) hebben, wordt het hoofdzakelijkheids- en grotendeelscriterium uitsluitend gerelateerd aan het winstinkomen, zodat zij aan het criterium zullen voldoen. Deeltijdondernemers die een relatief gering looninkomen hebben, zullen doorgaans kunnen voldoen aan het hoofdzakelijkheids- en grotendeelscriterium. Anders ligt dit voor deeltijdondernemers en personen met resultaat uit overige werkzaamheden die een relatief hoog looninkomen en een relatief laag winstinkomen respectievelijk resultaat uit overige werkzaamheden hebben. Die verkeren echter ook in een geheel andere situatie, die veeleer is te vergelijken met anderen die naast een hoofdberoep in dienstbetrekking, neveninkomsten hebben."

Nota naar aanleiding van het nader verslag, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 17, blz. 246.

"'Met de aanpassing van het eerste lid wordt de tekst weer in overeenstemming gebracht met artikel 8b, eerste lid, onderdeel a, 1°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Hiermee wordt voorkomen dat kosten en lasten van een werkruimte in een door de belastingplichtige gehuurde eigen woning, onbedoeld in aftrek zouden kunnen komen."

MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 3, blz. 44.

1.5.2. Artikel 14 van het Europese verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM) luidt als volgt:

"Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status."

Artikel 26 van het Internationale verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (hierna: IVBPR) luidt als volgt:

"Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status."

Beoordeling van het geschil

1.6. Vooropgesteld dient te worden dat de rechter ingevolge het bepaalde in artikel 120 van de Grondwet formele wetgeving niet mag toetsen aan de Grondwet. Voorts is de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen gehouden volgens de wet recht te spreken en mag hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen.

1.7. Gelet op de in 1.5.1 vermelde wettelijke bepalingen dienen de onder 1.1 vermelde uitkeringen van Nationale Nederlanden en de ING te worden aangemerkt als belastbaar loon als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001. Eisers gezamenlijke bedrag aan winst uit onderneming en belastbaar loon bedroeg in het onderhavige jaar

€ 793.554. De bruto winst uit onderneming bedroeg € 243.886. Gelet hierop voldoet eiser niet aan de in artikel 3.16, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 vermelde voorwaarde dat hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit onderneming, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in zijn huis verwerft.

1.8.1. Voor de beoordeling of er sprake is van een door de wetgever op grond van in artikel 14 van het EVRM of artikel 26 van het IVBPR verboden discriminatie, dient in de eerste plaats te worden nagegaan of rechtens en in feite sprake is van gelijke gevallen gelet op doel en strekking van de desbetreffende wetsbepaling. Hierbij moet vooropgesteld worden dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of bij de toepassing van het non-discriminatiebeginsel gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te behandelen (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46 757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398 en Hoge Raad 8 juli 2005, nr. 39.870, BNB 2005/310). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27 793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2).

1.8.2. Bij de invoering en latere wijziging van de aftrekbeperking van de kosten van de werkruimte is het doel van die aftrekbeperking bij de parlementaire behandeling van de Wet IB 1964 en Wet IB 2001 uitvoerig aan de orde geweest. Artikel 3.16 van de Wet IB 2001 is ontleend aan artikel 8b, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet IB 1964 (zie Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, nr. 26.727, nr. 3, blz. 104). Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van 27 april 1989, Stb. 124 (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 20 874, nr. 3, blz. 2) volgt dat met de invoering van artikel 8b van de Wet IB 1964 werd beoogd om op pragmatische, enigszins arbitraire wijze een beperking aan te brengen in de aftrekbaarheid van zogenoemde gemengde kosten, te weten kosten waarin naast een zakelijk element ook een privé-element is te onderkennen. Bedoeling was om op forfaitaire wijze meer rekening te houden met het privé-element in bepaalde uitgaven.

Voorts is het doel van genoemde bepaling in de parlementaire geschiedenis van de Wet van 13 december 1996, Stb. 655, omschreven als het beperken van de aftrek van de werkkamerkosten tot die gevallen waarin er een ondubbelzinnige band bestaat tussen die kosten van de werkkamer en de genoten inkomsten (Kamerstukken II, 1996-1997, 25 051, nr. 3, blz. 18-19). Met het hoofdzakelijkheids- en grotendeelscriterium heeft de wetgever beoogd te voorkomen dat belastingplichtigen die ter verwerving van hun arbeidsinkomen slechts bijkomstig gebruik maken van een werkruimte aan huis, kosten in aftrek kunnen brengen.

1.8.3. Om eventuele controle- en uitvoeringstechnische problemen te voorkomen, heeft de wetgever door middel van de inkomenscriteria van artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 een verband willen leggen tussen het veronderstelde privé-element in de kosten van de werkruimte en de mate waarin de inkomsten die voortvloeien uit in die werkruimte verrichte werkzaamheden bijdragen aan het gezamenlijke bedrag van de door belanghebbende genoten winst en inkomsten uit arbeid. De wetgever heeft daarbij voorts bewust ervoor gekozen pensioenen en andere inkomsten uit vroegere arbeid in de inkomenscriteria te betrekken (zie ook Hoge Raad 24 juli 1995, nr. 30.222, BNB 1995/308 en Hoge Raad 15 juli 1997, nr. 30.195, BNB 1997/325).

1.8.4. Ter zake van de onder 1.4 vermelde gevallen van andere belastingplichtigen die eiser vergelijkt met zijn situatie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat sprake is van gelijke gevallen, immers in de gevallen waarmee eiser zich vergelijkt is geen sprake van het genieten van ander inkomen uit werk en woning (box 1), terwijl de inkomenscriteria van de regeling juist aangrijpen bij dat onderscheid. Dit geldt evenzeer in de situaties waarin naast het winstinkomen slechts sprake is van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3), te meer nu de kosten van de werkruimte in het geheel niet in aftrek kunnen komen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit deze inkomensbox zodat de wetgever ook om die reden deze inkomsten buiten toepassing van de inkomenscriteria heeft kunnen houden.

Voorts heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden dat voor zover al sprake zou zijn van gelijke gevallen, er voor de wetgever een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om het door middel van de inkomenscriteria gemaakte onderscheid te hanteren gelet op het doel van de onderhavige bepaling, namelijk op een pragmatische, forfaitaire wijze aanbrengen van een beperking in de aftrekbaarheid van kosten waarin naast een zakelijk element ook een privé-element is te onderkennen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat aan de omstandigheid dat de andere (belastbare) inkomsten enkel uit pensioeninkomsten bestaan niet per definitie de conclusie kan worden verbonden dat er een ondubbelzinnige band bestaat tussen de kosten van de werkkamer en de belaste inkomsten. Naar het oordeel van de rechtbank dient de keuze van de wetgever voor de in artikel 3.16 opgenomen inkomenscriteria dan ook te worden geëerbiedigd nu die niet van een redelijke grond ontbloot is. Mitsdien is de onderhavige wettelijke regeling niet in strijd is met het in artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR opgenomen discriminatieverbod.

Vertrouwensbeginsel

1.9. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser aan het enkele feit dat verweerder de aanslagen over eerdere jaren heeft gevolgd voor wat betreft de aftrek van kosten in verband met een werkruimte, niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat verweerder in het onderhavige jaar eveneens een aftrek voor kosten in verband met een werkruimte zou toestaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser in de aangiften over voorgaande jaren de aftrek van kosten in verband met een werkruimte in zijn geval niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld.

1.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus vastgesteld door mr. R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.R.M. Dekker.

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.