Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ1571

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
02-05-2011
Zaaknummer
AWB 10/4307 WRO
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en vrijstelling ex art. 19.2 WRO voor de bouw van een warmtecentrale die d.m.v. geothermie warmte beschikbaar stelt voor een stadsverwarmingsproject. Bouwplan voldoet aan de beschrijving van een project in categorie 1, onder 1.5 van bijlage I bij de Crisis- en herstelwet. College bevoegd vrijstelling te verlenen, omdat project voldoet aan alle eisen die het GS-besluit van 24 oktober 2007 en de GS-lijst terzake stellen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/6805
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/4307 WRO

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

De vereniging "VVH Florence Nightingale Park", te Den Haag, eiseres,

en

het college van Burgemeester en wethouders van Den Haag; Juridische Zaken, verweerder.

De rechtbank heeft de vennootschap "Aardwarmte Den Haag v.o.f.", gevestigd te Den Haag, vergunninghoudster, aangemerkt als partij in de zin van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 23 oktober 2009 (primair besluit) heeft verweerder vergunninghoudster vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Wow) verleend voor het plaatsen van een boorlocatie en het bouwen van een geothermiecentrale ter plaatse van Zuidwoldestraat 1 (hoek Leyweg/Zuidwoldestraat) te Den Haag. Dit bouwplan wordt hierna ook wel aangeduid als: project.

Bij besluit van 11 mei 2010 (bestreden besluit) heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 28 april 2010, het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Per brief van 18 juni 2010 heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het beroep is op 18 maart 2011 ter zitting behandeld.

Namens eiseres zijn [A], [B] en [C] verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Remeijer-Schmitz en

drs. H. Eleveld.

Namens vergunninghoudster is [D] verschenen.

II OVERWEGINGEN

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de WRO ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Wow gewijzigd. Aangezien verweerder de aanvraag om bouwvergunning, die tevens als verzoek om vrijstelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan moet worden aangemerkt, vóór 1 juli 2008 heeft ontvangen, moest verweerder de heroverweging van primaire besluit baseren op de bepalingen van de WRO en de Wow zoals deze laatstelijk vóór 1 juli 2008 luidden.

Het project voorziet in de bouw van een warmtecentrale die door middel van geothermie warmte beschikbaar stelt voor een stadsverwarmingsproject. Aangezien de aardwarmtebron, met een vermogen van 5 à 6 MW, wanneer het beoogde maximum-aantal woningen op deze voorziening is aangesloten, op de koudste dagen en op piekmomenten niet in de warmtevraag kan voorzien, zal in de warmtecentrale tevens een aardgasgestookte ketel worden opgesteld, voorzien van twee rookgasafvoeren, met een maximaal vermogen van 25 MW. Ten behoeve van het genereren van de aardwarmte zal er op twee plaatsen langs de Leyweg op circa 2.200 meter diepte water van circa 75 oC worden aangeboord. Deze putten worden afgedekt door stalen deksels van ongeveer 3,5 x 3,5 meter en zijn ongeveer 40 cm hoog. Daarnaast zal er in de keerlus van tramlijn 6 een gebouw voor de warmtecentrale worden gebouwd dat bestaat uit een pompgebouw van (27 x 17,5 m =) 472,5 m² en een ketelhuis van (23 x 17,5 m =) 402,5 m² met een schoorsteen. Het pompgebouw heeft een goothoogte van 4,40 m en een nokhoogte van 13,0 m. De goothoogte van het ketelhuis bedraagt 7,25 m en de nokhoogte 15,85 m. De schoorsteen heeft een bouwhoogte van 25 m. .

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onderdeel a, van de Crisis- en herstelwet (Chw) is afdeling 1.2 van de Chw van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In bijlage I bij de Chw is in categorie 1, onder 1.5 vermeld de ontwikkeling of verwezenlijking van overige ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van het leveren van duurzame energie.

Ter zitting is gebleken dat na ingebruikname van de warmtecentrale aanvankelijk alle en uiteindelijk 75% van de te leveren energie wordt gewonnen uit geothermie. Ter zitting is verder gebleken dat thans enkele honderden woningen zijn aangemeld voor aansluiting op de aardwarmte. Die kunnen onder alle omstandigheden worden voorzien uit die bron. De plaatsing van de gasketel zal, zoals ter zitting door vergunninghoudster is verklaard, pas plaatsvinden als zoveel woningen zijn aangesloten dat behoefte kan bestaan aan extra capaciteit bovenop de door middel van de aardwarmte te genereren warmte. Naar de ter zitting uitgesproken verwachting zal dat pas over enkele jaren het geval zijn. Daarmee voldoet het bouwplan, naar het oordeel van de rechtbank, aan de beschrijving van een project in categorie 1, onder 1.5 van bijlage I bij de Chw. Dat betekent dat, nu het bestreden besluit na de inwerkingtreding van de Chw is genomen, op het bestreden besluit afdeling 1.2 van de Chw van toepassing is. Hoewel dit door verweerder niet is onderkend, is het de rechtbank gebleken dat eiseres door deze omissie niet in haar beroepsmogelijkheid is benadeeld, aangezien zij haar beroep direct van gronden heeft voorzien en na afloop van de beroepsprocedure geen nieuwe gronden heeft aangevoerd. De vaststelling van de toepasselijkheid van de Chw door de rechtbank eerst ter zitting, brengt met zich dat de rechtbank in afwijking van 1.6, eerste lid, Chw geen toepassing heeft gegeven aan artikel 8:52 Awb, en ook dat de termijn voor het doen van de uitspraak zoals neergelegd in artikel 1.6, vierde lid, Chw, reeds is overschreden.

De rechtbank stelt vast dat het ter inzage gelegde ontwerpbesluit uitsluitend betrekking heeft op de voorgenomen vrijstelling en niet op de bouwvergunning, zodat terecht de bezwaarprocedure is gevolgd. In zoverre verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 4 juli 2007 (LJN: BA8695).

De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, van de Awb moet worden aangemerkt Daartoe wijst de rechtbank op artikel 2, eerste lid, van de statuten van eiseres. Blijkens deze bepaling stelt eiseres zich ten doel de belangen te behartigen van de leden als eigenaren van of erfpachter gerechtigden tot een huis, gelegen Florence Nightingale park te Den Haag zulks zowel tijdens als na afloop van de bouw van de woningen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het gezamenlijke belang van haar leden waarvoor eiseres in deze procedure opkomt, een belang dat eiseres, gelet op haar statutaire doelstelling in het bijzonder beoogt te behartigen. Gelet hierop en op de gevolgen die het bouwplan voor de woonomgeving van haar leden kan hebben, is het belang van eiseres rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken.

Eiseres heeft, in verband met het bekend worden dat waterstofgas in het bronwater aanwezig is, de rechtbank verzocht een deskundige te raadplegen over de veiligheid van de leefomgeving. De rechtbank wijst dit verzoek om toepassing van artikel 8:47, eerste lid, van de Awb af. Hierbij neemt zij in aanmerking dat de door eiseres genoemde omstandigheid dateert van na het bestreden besluit, en daarom niet bij de toetsing van het bestreden besluit kan worden betrokken.

In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Krachtens het eerste lid van artikel 19 van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Florence Nightingalepark, eerste herziening" (bestemmingsplan).

Het perceel waarop de warmtecentrale is voorzien, heeft de bestemming "bijzondere doeleinden-rioolwaterzuivering (BD-Rw)".

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de tot het bestemmingsplan behorende voorschriften (planvoorschriften) zijn deze gronden onder meer bestemd voor rioolbemaling en bijbehorende voorzieningen. Ten behoeve van die bestemming mogen een rioolbemaling, bijgebouwen en in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

In artikel 10, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften is bepaald dat het maximaal toegestane bebouwings-percentage op de plankaart is aangegeven. In dit geval bedraagt dat 15%.

In artikel 10, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften is bepaald dat de hoogte van de bebouwing niet meer mag bedragen dan op de plankaart is aangegeven. In dit geval 9 m.

Het perceel waarop de boorputten zijn voorzien, heeft de bestemming "bijzondere doeleinden - Medische doeleinden (BD-Me)".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor ziekenhuisvoorzieningen, apotheek, kinderdagverblijf, dienstwoningen, parkeervoorzieningen, ontsluitingswegen, groenvoorzieningen, water en bijbehorende voorzieningen.

Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met zowel de doeleindenomschrijving van de ter plaatse geldende bestemmingen als de bebouwingsvoorschriften van de bestemming "BD-Rw". Gelet hierop heeft verweerder de aanvraag om verlening van een reguliere bouwvergunning terecht tevens als een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan aangemerkt.

De rechtbank onderzoekt - mede gezien de door eiseres geformuleerde beroepsgronden - of artikel 19, tweede lid, van de WRO kan dienen als grondslag voor vrijstelling van het bestemmingsplan ten behoeve van het project.

Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) - in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening - bij besluit van 9 oktober 2007 (GS-besluit) een lijst met categorieën van gevallen vastgesteld en op de in de Provinciewet voorgeschreven wijze gepubliceerd in het provinciaal blad van Zuid-Holland nummer 96 van 24 oktober 2007. Deze lijst wordt hierna ook wel aangeduid als: GS-lijst.

De GS-lijst is opgesteld op basis van het huidige provinciale ruimtelijk beleid, zoals neergelegd in de streekplannen en de Nota regels voor Ruimte.

De GS-lijst geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin burgemeester en wethouders vrijstelling van bestemmingsplannen kunnen verlenen. Deze situaties betreffen, voor zover hier van belang, het in stedelijk gebied bouwen van kiosken en paviljoens en (bouw)projecten voor openbare nutsvoorzieningen, voorzieningen voor het openbaar vervoer of het wegverkeer. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat het bouwplan onder deze categorie is geschaard. Eiseres heeft dit niet bestreden.

Het GS-besluit bevat een opsomming van gevallen waarin geen gebruik mag worden gemaakt van de bevoegdheid krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO. Het GS-besluit bevat ook randvoorwaarden waaraan moet zijn voldaan alvorens van die bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. Die randvoorwaarden hebben onder meer betrekking op hinder ten gevolge van bedrijvigheid ten opzichte van gevoelige functies. Zo mag bij het realiseren van bedrijvigheid in de nabijheid van gevoelige functies geen onevenredige hinder ontstaan. Daarbij geldt de VNG-brochure milieuzonering en bedrijvigheid (VNG-brochure) als uitgangspunt.

De rechtbank vat de beroepsgronden met betrekking tot geluid en externe veiligheid - onder verwijzing naar artikel 8:69, tweede lid, van de Awb - op als betrekking hebbende op deze randvoorwaarde.

In de VNG-brochure is met betrekking tot gasgestookte warmtevoorzieningsinstallaties (SBI-code 40, milieucategorie 3.2) een grootste afstand van 100 meter vermeld. (geur 30 m, stof 10 m, geluid 100 m, gevaar 50 m)

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de kortste afstand van de centrale tot de nabij gelegen woonbebouwing aan de overzijde van de Leyweg circa 50 m bedraagt en tot de woningen van de leden van eiseres 100 m. Dit betekent dat niet is voldaan is aan de afstandsrichtlijn zoals genoemd in de VNG-brochure met betrekking tot geluid. Desondanks valt, naar het oordeel van de rechtbank, niet staande te houden dat niet is voldaan aan de hiervoor nader omschreven randvoorwaarde. Hierbij neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat verweerder zich bij diens onderzoek naar de reikwijdte van diens bevoegdheid ex artikel 19, tweede lid, van de WRO, gelet op de formulering van deze randvoorwaarde, mag beperken tot beantwoording van de vraag of het project leidt tot onevenredige hinder voor de nabijgelegen woningen van de leden van eiseres en andere potentieel belanghebbenden. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat hij heeft bedoeld het bouwplan aan dit criterium te toetsen.

Door WNP raadgevende ingenieurs (WNP) is onderzoek gedaan naar de te verwachten geluid-belasting van de aardwarmtecentrale indien de centrale wordt voorzien van 2 ketels van 25 MW. In zoverre verwijst de rechtbank naar het rapport van WNP. Daarin is geconcludeerd dat de inrichting (de centrale), met de aangegeven opbouw van de buitengevels en het dak, op alle ontvangerpunten (zijnde nabijgelegen bestaande en toekomstige woningen) kan voldoen aan de aanbevolen richtwaarden voor de woonomgeving. In het zich onder de gedingstukken bevindende rapport van KEMA is geconcludeerd dat tot een afstand van 30 m vanaf de centrale wordt voldaan aan de grenswaarde van 40 dB(A) voor de nachtperiode. Deze grenswaarde komt de rechtbank niet onjuist voor, gezien de situering van het bouwplan in een stedelijke omgeving nabij een drukke verkeersweg en een knooppunt van openbaar vervoer. Op basis van een en ander acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat gevoelige functies geen onevenredige hinder van de aardwarmtecentrale zullen ondervinden. In dit kader acht de rechtbank relevant dat eiseres de juistheid van de door WNP en KEMA getrokken conclusies niet heeft betwist.

Verder heeft eiseres de conclusies in het reeds genoemde KEMA-rapport ten aanzien van de uit oogpunt van externe veiligheid in acht te nemen minimumafstanden niet bestreden. Aan de maximaal in acht te nemen afstand van 51 meter is voldaan. Voor de met het oog op stof- en geurhinder in acht te nemen afstanden geldt hetzelfde. Ook dat is niet door eiseres betwist.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het project voldoet aan alle eisen die het GS-besluit en de GS-lijst terzake stellen, en in het verlengde hiervan dat verweerder in dit geval bevoegd was om toepassing aan artikel 19, tweede lid, van de WRO te geven.

De aan de ruimtelijke onderbouwing van een project te stellen eisen zijn minder zwaar naarmate de inbreuk van het bouwplan ten behoeve waarvan vrijstelling wordt verleend op de bestaande planologische situatie geringer is.

De rechtbank stelt vast dat het project grotendeels is geprojecteerd op een perceel met een industriële bestemming (namelijk; rioolwaterzuivering), maar ook dat sprake is van een behoorlijke overschrijding van het maximale bebouwingspercentage (namelijk: circa 35% in plaats van 15%) en de overschrijding van de maximale bouwhoogte (namelijk 25 meter in plaats van 9 meter). Bovendien was de aanwezigheid van een rioolwaterzuivering ter plaatse niet meer actueel.

De rechtbank constateert verder dat de boorputten qua bestemming fors afwijken van hetgeen het bestemmingsplan ter plaatse toestaat, maar ook dat de betreffende objecten nauwelijks zichtbaar zijn en daardoor slechts een beperkte planologische uitstraling hebben. De boorputten worden afgedekt en in het maaiveld weggewerkt.

Op grond van al deze omstandigheden, in onderling verband bezien, oordeelt de rechtbank dat het project een tamelijk grote inbreuk op het ter plaatse geldende planologische regime maakt.

Eiseres wijst uitvoerig op de onwenselijkheid van het project op juist deze locatie. Zij meent - in tegenstelling tot verweerder - dat geen sprake is van een bio-energie-installatie, maar van een gasgestookte warmtecentrale, en dat de betreffende installatie op deze locatie ongewenst is. Volgens eiseres is het niet noodzakelijk dat de warmtecentrale wordt gebouwd in de buurt van woningen waaraan warmte geleverd wordt. De rechtbank vat deze beroepsgrond op als mede betrekking hebbend op het wettelijk vereiste van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Verweerder heeft ter zitting, in aanvulling op hetgeen reeds in de ruimtelijke onderbouwing is vermeld, uiteengezet dat een tiental locaties is onderzocht. Daarvan viel een aantal reeds om technische redenen af. Andere locaties vielen af omdat zij planologisch ongeschikt waren. Uiteindelijk bleef deze locatie over, waarbij de ligging in de buurt van het bestaande stadsverwarmingnetwerk en ten opzichte van het aardwarmte-leidingnetwerk bij de locatiekeuze een belangrijke rol heeft gespeeld. Daarnaast was beschikbaarheid voor een bouwplan van deze omvang een relevant gegeven. Zoals hiervoor reeds overwogen acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat het gebruik van aardwarmte, anders dan eiseres meent, wel degelijk voorop staat in dit project, zodat de juiste ligging daarvoor door verweerder van groot belang mocht worden geacht. De verwijzing door de adviescommissie naar een bio-energiecentrale berust kennelijk op een misverstand. De rechtbank ziet geen aanleiding daaraan consequenties te verbinden met betrekking tot de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Voorts heeft eiseres aangevoerd dat de ruimtelijke onderbouwing niet voorzien is van een financiële paragraaf.

De rechtbank overweegt met betrekking tot deze beroepsgrond - onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 14 december 2005 (LJN: AU7993) - dat de financiële uitvoerbaarheid van een project in zoverre van belang is voor de rechtmatigheidstoets van de voorliggende besluiten tot het verlenen van vrijstellingen, dat indien op voorhand moet worden getwijfeld aan de financiële uitvoerbaarheid van het bouwplan dat met de vrijstellingsbesluiten wordt voorbereid, de ruimtelijke onderbouwing niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in dit geval niet gebleken. Daarbij betrekt de rechtbank (wederom) dat het bouwplan nagenoeg gereed is, de boorputten zijn geslagen en dat er reeds voldoende klanten zijn om het project te starten.

Voor het overige heeft eiseres de deugdelijkheid van de ruimtelijke onderbouwing niet bestreden.

Gelet hierop is het project, naar het oordeel van de rechtbank, voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing zodat ook is voldaan aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 19, tweede lid, derde volzin, van de WRO

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit ingebracht dat door de ingebruikname van de warmtecentrale de veilige afstand tot het ter plaatse aanwezige tramspoor tenminste 15 meter moet bedragen in plaats van de huidige 7 meter. Hierbij heeft zij verwezen naar NEN-norm 2078. Uit de toelichting ter zitting is gebleken dat eiseres bedoelt dat het reeds in de keerlus aanwezig gasdrukregelstation door de bouw van de centrale niet meer aan deze norm kan voldoen. Wat daarvan zij, het Bouwbesluit 2003 verwijst niet naar deze NEN-norm , zodat verweerder het project, naar het oordeel van de rechtbank, niet aan deze norm behoefde te toetsen. Ook indien de stelling van eiseres met betrekking tot de NEN-norm 2078 op zichzelf juist is, kan dat niet bij de toetsing van het bestreden besluit worden betrokken, aangezien het er niet toe kan leiden dat het bouwplan niet voldoet aan de daarop van toepassing zijnde regels. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Het door eiseres aangevoerde punt dat sprake is van een toename van de uitstoot van CO2 naar de directe woonomgeving ten opzichte van de uitstoot bij de oude bestemming van het bouwterrein, betreft een milieuaspect en kan, naar het oordeel van de rechtbank, in de procedure tegen de verleende bouwvergunning geen rol spelen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat het bouwplan beter op een bedrijventerrein (Zichtenburg of Kerketuinen) had kunnen worden gesitueerd, overweegt de rechtbank dat verweerder volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS - zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 17 december 2003 (LJN: AO0358) - dient te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat is aangevraagd. Indien het bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven volgens de ABRvS slechts dan tot het onthouden van medewerking noodzaken, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

De rechtbank is niet gebleken dat in dit geval op voorhand duidelijk was dat door verwezenlijking van een van de alternatieve locaties een gelijkwaardig resultaat kon worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Voor zover eiseres bedoelt te stellen dat de milieuhygiënische gevolgen van het bouwplan voor de omwonenden zodanig nadelig zijn dat daarom voor het bouwplan geen vrijstelling verleend had mogen worden, wijst de rechtbank op de hiervoor al genoemde milieu-rapporten. De rechtbank leidt daaruit af dat van onevenredige milieuhinder geen sprake zal zijn. Verder is ter zitting komen vast te staan dat voor de inrichting in de oprichting waarvan het bouwplan voorziet een milieuvergunning is verleend. Het beroep van eiseres daartegen is niet-ontvankelijk verklaard omdat de inrichting niet langer vergunningplichtig is in de zin van de Wet milieubeheer.

Gezien het vorenstaande bestaat geen aanleiding tot het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling.

Aangezien geen van de andere in artikel 44, eerste lid, van de Wow genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft verweerder op goede gronden de gevraagde bouwvergunning verleend.

Aangezien de beroepsgronden niet slagen, is de vraag of artikel 1.9 van de Chw op deze beroepsgronden van toepassing is niet aan de orde.

Het beroep is ongegrond. Voor het treffen van een voorlopige voorziening zoals door eiseres verzocht in haar verzoek van 4 maart 2011, bestaat daarom geen grondslag.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.L. Verbeek, mr.drs. H.M. Braam en mr.dr. L.M. Koenraad, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.