Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ1312

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
09/332
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door de rechtbank wordt geen aanleiding gezien om aan de deskundigheid of de werkwijze van de contra-expert professor Matras te twijfelen, echter de rechtbank is van oordeel, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2009 (nr. 200806254/1/V1) dat de contra-expertise de bij verweerder gerezen en door de taalanalyse bevestigde twijfel over de door eiser gestelde herkomst, niet kan wegnemen, nu deze de door eiser gestelde herkomst niet eenduidig en zonder voorbehoud bevestigt. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09 / 332

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 april 2011

in de zaak van:

[eiser]

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. A. Spel, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: J.S.M. Rietveld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 19 november 2007 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 10 december 2008 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 11 januari 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is een winkeleigenaar van Koerdische afkomst, afkomstig uit het dorp [naam], gelegen in de gemeente [naam] (provincie [naam]) in Centraal-Irak. Eiser moest op een dag voor (het bedrijf van) zijn vader met de auto hout afleveren in [naam]. Op de terugweg naar zijn winkel werd eiser gevolgd door een zwarte BMW. Toen eiser bij de winkel aankwam, vond hij een dreigbrief waarin hij ervan werd beschuldigd samen te werken met de Amerikanen. Deze brief was onder de deur doorgeschoven. Na familieberaad heeft eiser besloten om Irak te ontvluchten.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag, onder tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw, afgewezen. Namens verweerder is bij eiser een taalanalyse verricht, op basis waarvan het gestelde herkomstgebied van eiser ongeloofwaardig is geacht. Derhalve is door verweerder ook geen geloof gehecht aan de door eiser afgelegde verklaringen omtrent de problemen die hij stelt te hebben ondervonden in Centraal-Irak. Voorts heeft verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat nu niet geloofwaardig is bevonden dat eiser afkomstig is uit Centraal-Irak, het beroep op artikel 15, onder c, richtlijn 2004/83/EG (Definitierichtlijn) evenmin slaagt. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw.

2.3 In beroep heeft eiser in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder ten onrechte tot besluitvorming is overgegaan voordat de door eiser aangevraagde contra-expertise tegen de taalanalyse (die uiteindelijk in beroep is overgelegd) was opgesteld.

2.4 De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt en neemt daarbij het volgende in aanmerking. Eiser heeft bij brief van 5 juni 2008 een verzoek tot het verrichten van een contra-expertise gericht aan De Taalstudio. Uit de brief van De Taalstudio van 11 juni 2008 blijkt dat het verzoek om contra-expertise in behandeling is genomen en dat een dergelijk traject gemiddeld zes maanden in beslag neemt. Desverzocht heeft verweerder bij brief van 9 juni 2008 uitstel verleend aan eiser voor het indienen van een zienswijze tot 3 december 2008. Bij brief van 16 oktober 2008 heeft de Taalstudio aan eiser bericht dat gelet op het aantal aanvragen geen leveringsdatum voor het rapport kan worden vastgesteld. Op 10 december 2008 is verweerder tot besluitvorming overgegaan. Eiser heeft in de zienswijze van 1 december 2008 aan verweerder verzocht zijn beslissing wederom aan te houden en heeft zich, onder verwijzing naar het op 25 september 2008 opgestelde Plan van Aanpak van de Taalstudio, overigens op het standpunt gesteld dat een taalanalyse in onderhavige zaak niet het juiste middel is om de herkomst van eiser te bepalen, omdat volgens voornoemd Plan van Aanpak wetenschappelijk niet valt vast te stellen of men op basis van enkel het Sorani-Koerdisch tot een eenduidige herleiding tot een bepaalde regio binnen Irak kan komen. Gelet op het voorgaande en mede gelet op de wettelijke beslistermijn die geldt voor verweerder, kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank tot besluitvorming overgaan voordat een contra-expertise was overgelegd. De gevolgen van de in dit verband aanwezige capaciteitsproblemen bij de Taalstudio heeft verweerder op dit punt voor rekening van eiser mogen laten.

2.5 In beroep heeft eiser voorts aangevoerd dat verweerder niet de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw bij zijn beoordeling had mogen betrekken.

2.6 Deze beroepsgrond faalt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd en niet verschoonbaar heeft kunnen achten dat hij zijn identiteitskaart en nationaliteitsverklaring, toen hij al op het grondgebied van Turkije was, aan de reisagent heeft overgelegd. De enkele verklaring van eiser dat Turkije geen veilig land is nu dit land regelmatig Iraakse vluchtelingen terugstuurt naar Irak, is onvoldoende om eiser te ontslaan van zijn verantwoordelijkheid zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen door middel van documenten. Gelet op het bepaalde in C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), is voor het kunnen tegenwerpen van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw voldoende dat wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dat is toe te rekenen aan de asielzoeker. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid het bepaalde in artikel 31, tweede lid en onder f, van de Vw aan eiser kunnen tegenwerpen en heeft verweerder zich aldus terecht op het standpunt gesteld dat van het relaas positieve overtuigingskracht moet uitgaan.

2.7 Eiser heeft in beroep, zoals vermeld, alsnog een (Engelstalig) rapport van contra-expertise van de Taalstudio van 8 april 2009 (de contra-expertise) overgelegd en daarmee de uitkomst bestreden van de namens verweerder uitgevoerde taalanalyse. Met deze contra-expertise zijn volgens eiser voldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusies van het Bureau Land en Taal (BLT) aangedragen, die onvoldoende zijn weersproken door verweerder.

2.8 De rechtbank stelt voorop dat een vreemdeling een contra-expertise reeds in het kader van de besluitvorming dient over te leggen. Indien dit niet mogelijk is als gevolg van niet aan hem toe te rekenen omstandigheden, kan een eerst in beroep overgelegde contra-expertise bij de beoordeling worden betrokken. Verweerder heeft zich in het verweerschrift –zakelijk weergegeven- op het standpunt gesteld, dat de uitkomst van de in beroep ingebrachte contra-expertise geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van de taalanalyse vormt. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 83, Vw en mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4 is overwogen met betrekking tot het tijdsverloop dat gemoeid is geweest met het opstellen van de contra-expertise, houdt de rechtbank bij de beoordeling van onderhavig beroep, evenals verweerder, rekening met de contra-expertise.

2.9 Partijen zijn het oneens over de herkomst van eiser. De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat verweerder in redelijkheid aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet in staat is gebleken om inzake zijn opgegeven geboortedorp [naam] in voldoende mate correcte omgevingsinformatie te verschaffen, nu hij bij gelegenheid van het eerste gehoor op 20 november 2007 geen namen heeft kunnen noemen van dorpen die in de nabijheid van [naam] zijn gelegen, hetgeen twijfel heeft doen rijzen bij verweerder over de gestelde afkomst en herkomst van eiser uit Centraal-Irak.

2.10 Uit bestendige jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 18 december 2009, zaaknrs. 200901087/1 en 200806254/1/V1, www.raadvanstate.nl) vloeit het volgende voort. Indien bij verweerder twijfel is gerezen over de door een vreemdeling gestelde herkomst en als gevolg daarvan over diens gestelde identiteit en nationaliteit, kan hij door een taalanalyse te laten verrichten, de desbetreffende vreemdeling tegemoetkomen in de op hem ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw rustende last om het door hem gestelde aannemelijk te maken. De desbetreffende vreemdeling kan de bij verweerder gerezen en door de taalanalyse niet weggenomen twijfel door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen. Daartoe kan hij de opname van het ten behoeve van de taalanalyse gevoerde gesprek door een deskundige laten beoordelen. Indien de uitkomst van de contra-expertise de door de vreemdeling gestelde herkomst niet bevestigt, wordt –gelet op artikel 31, eerste lid, Vw– de gerezen twijfel niet weggenomen.

2.11 Verweerder heeft eiser de gelegenheid geboden om mee te werken aan een taalanalyse. In het rapport van taalanalyse van BLT van 17 april 2008, door verweerder ontvangen op 25 april 2008, heeft de taalanalist het volgende geconcludeerd:

- de vreemdeling beheerst een vorm van Sorani-Koerdisch op moedertaalniveau;

- de Koerdische spraak van de vreemdeling is eenduidig te herleiden tot de regio Arbil in Noord-Irak;

- De Koerdische spraak van de vreemdeling is eenduidig niet te herleiden tot de regio Dibis-[naam] in Centraal-Irak;

- De vreemdeling heeft een zeer beperkte kennis van Arabisch. Hij is niet in staat zich in deze taal enigszins vrij uit te drukken. Dit pleit tegen de gestelde herkomst uit de regio Dibis-[naam], aangezien Arabisch in deze regio algemeen gangbaar is als voertaal in het dagelijkse leven.

2.12 Ter beoordeling staat of verweerder zijn standpunt dat van het relaas van eiser geen positieve overtuigingskracht uitgaat (mede) heeft kunnen baseren op de taalanalyse, nader toegelicht in het weerwoord van 29 april 2010.

2.13 In het rapport van contra-expertise concludeert de contra-expert, professor Y. Matras, ten aanzien van eisers ‘origin’ als volgt:

2.14 “The applicant definitely originates from the Sorani-Kurdisch speaking areas in Iraq. His speech shows a number of features that are particular to Arbil and which comfirm with a high degree of certainty his claim to have originated in [naam], where the Arbil-dialect is spoken.” Voorts stelt de contra-expert -kort gezegd- dat het niet ongewoon is dat Koerden slechts een rudimentaire kennis van het Arabisch hebben en dat in [naam] het Arbil-dialect wordt gesproken.

2.15 In reactie op de contra-expertise is op 29 april 2010 in twee delen een weerwoord uitgebracht door BLT. Hierin zijn zowel de deskundigheid van de contra-expert, professor Y. Matras, als de inhoud van de contra-expertise zelf van een reactie voorzien. Bij schrijven van 27 oktober 2010 heeft de Taalstudio gereageerd op het weerwoord van BLT van 29 april 2010.

2.16 Gelet op hetgeen omtrent de deskundigheid van professor Matras en de wijze van totstandkoming van de contra-expertise in het weerwoord van BLT van 29 april 2010 naar voren is gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de deskundigheid of de werkwijze van professor Matras te twijfelen. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de contra-expertise niet als tegenbewijs kan worden gebruikt, omdat daarbij gebruik is gemaakt van een door de contra-expert gebruikte moedertaalspreker, van wie niet bekend is wat zijn of haar herkomst en levensloop is binnen Irak en dat daaruit blijkt dat deze moedertaalspreker niet goed op de hoogte is van de taalsituatie in Centraal-Irak, verwerpt de rechtbank dat standpunt, alleen al vanwege de uitgebreide informatie zoals weergegeven in de reactie van de contra-expert op het weerwoord van BLT op de contra-expertise over de geraadpleegde moedertaalspreker, die door de contra-expert is verstrekt als bijlage bij de reactie van de Taalstudio van 27 oktober 2010 met welke informatie voldoende inzicht is gegeven in de deskundigheid van zowel de contra-expert zelf als de moedertaalspreker. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2010 in zaaknummer 20090385/1/V1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat een taalanalyse die met toepassing van de in die uitspraak weergegeven werkwijze van de Taalstudio is opgesteld, als een deskundigenrapport moet worden aangemerkt, ook al stelt de Taalstudio niet als eis dat de extern ingeschakelde linguïst een moedertaalspreker is. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat het BLT, alleen op de grond dat het taalanalisten heeft ingebracht die moedertaalspreker zijn, beter dan de door de Taalstudio ingeschakelde linguïst in staat is om de spraak van eiser te beoordelen.

2.17 Verweerder heeft bij faxbericht van 6 januari 2011 een weerwoord overgelegd van Bureau Land en Taal (BLT) op de door eiser ingebrachte reactie (d.d. 27 oktober 2010) op het weerwoord van BLT (d.d. 29 april 2010). Eiser heeft hiertegen bij schrijven van 7 januari 2011 aangevoerd dat voornoemd weerwoord buiten beschouwing dient te worden gelaten wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank volgt eiser in dit standpunt. Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Deze termijn is bedoeld om een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen en hieraan moet in het algemeen strikt de hand worden gehouden. Nu vorenbedoeld weerwoord derhalve korter dan 10 dagen voor de zitting is ingediend - en eiser hierdoor ook niet meer in de gelegenheid was op het weerwoord een reactie te laten inbrengen door de Taalstudio - zal de rechtbank dit stuk van verweerder wegens strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling van het geschil betrekken.

2.18 De rechtbank dient aldus de vraag te beantwoorden of in de contra-expertise concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid van de door BLT verrichte taalanalyse.

2.19 Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 december 2009 in zaak nr. 200806254/1/V1, www.raadvanstate.nl) kan, indien de uitkomst van de contra-expertise de door de vreemdeling gestelde herkomst niet bevestigt, de contra-expertise de bij verweerder gerezen en door de taalanalyse bevestigde twijfel over de door de vreemdeling gestelde herkomst niet wegnemen. De omstandigheid dat een contra-expertise de door een vreemdeling gestelde herkomst niet weet te bevestigen komt in het licht van het hiervoor onder 2.10 weergegeven toetsingskader voor risico van laatstgenoemde.

2.20 De rechtbank is van oordeel dat nu de uitkomst van de contra-expertise de door eiser gestelde herkomst niet eenduidig en zonder voorbehoud bevestigt, reeds daarom de twijfel over die door hem gestelde herkomst daarmee niet is weggenomen. Immers, de contra-expert heeft aangegeven dat eiser eenduidig (definitely) afkomstig is uit de Sorani-Koerdisch sprekende gebieden in Irak en zijn spraak een aantal kenmerken (a number of features) vertoont die eigen zijn aan (het dialect) van Arbil en die met een hoge graad van zekerheid (high degree of certainty) de gestelde herkomst van eiser uit [naam] bevestigen, alwaar het Arbil-dialect wordt gesproken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat hiermee de twijfel omtrent de herkomst van eiser niet is weggenomen en heeft daarvoor kunnen verwijzen naar de conclusie in de taalanalyse dat hij op grond van zijn spraak in combinatie met zijn gebrek aan goede actieve kennis van Arabisch eenduidig niet herleidbaar is tot de spraakgemeenschap van de regio Dibis-[naam] in Centraal Irak. Voor de conclusie van de contra-expert dat het Sorani-Koerdisch in [naam] wordt gesproken zoals dat in Arbil wordt gesproken, heeft de rechtbank overigens onvoldoende onderbouwing aangetroffen. Daarbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat in zijn weerwoord van 29 april 2010 het BLT niet slechts heeft volstaan met een verwijzing naar de taalanalyse, maar deze van nadere motivering heeft voorzien, door (voor zover hier van belang) te wijzen op de overeenstemming die bestaat bij de taalanalist en de contra-expert over de vraag welk Sorani-dialect eiser spreekt, te weten het Sorani dat kenmerken vertoont van het Sorani zoals gangbaar in de regio Arbil, maar dat eiser zijn gestelde herkomst uit een dorp in Centraal-Irak niet aannemelijk kan maken door het spreken van een Sorani-dialect dat ook en vooral wordt gesproken in de regio Arbil in Noord-Irak.

2.21 Voorts heeft eiser aangevoerd dat hetgeen in het weerwoord van BLT wordt gesteld, te weten dat eisers gebrek aan goede actieve kennis van het Arabisch er op duidt dat hij niet uit de regio Dibis/[naam] afkomstig is, in strijd is met het algemeen ambtsbericht inzake Irak van januari 2010.

2.22 De rechtbank volgt deze beroepsgrond niet en overweegt, in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2010, zaaknummer 200906356/1/V2, dat de taalanalyse specifiek ziet op de taalsituatie in het gebied Dibis-[naam], het gebied waar eiser naar hij stelt vanaf zijn geboorte tot aan zijn vertrek heeft gewoond. Volgens de taalanalyse spreekt eiser het Sorani als eigen taal en is hij niet in staat om zich in het Arabisch vrijelijk uit te drukken aangezien hij Arabisch spreekt in korte, grammaticaal onwelgevormde zinnen en fouten maakt op zeer basaal niveau. In het ambtsbericht staat (p. 6) dat in streken waar minderheden woonachtig zijn (bijvoorbeeld Koerden in [naam]) geldt dat de niet-Arabieren vaak naast de taal van de minderheid waartoe zij behoren, in meer of mindere mate het Arabisch machtig zijn. Het ambtsbericht bevat derhalve (slechts) algemene observaties over de situatie in het gehele midden en zuiden van Irak, zonder daarbij in te gaan op de situatie op plaatselijk niveau. De uitkomst van de taalanalyse is daarom niet zonder meer met de conclusies van het ambtsbericht te vergelijken en is daarmee niet in tegenspraak. De stelling van eiser in beroep dat hij alleen lager onderwijs heeft genoten waardoor het mogelijk is dat hij slechts een klein beetje Arabisch spreekt, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

2.23 Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden voor twijfel aan de conclusie van de taalanalist van BLT dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot Centraal-Irak. De contra-expertise kan derhalve de door de taalanalyse versterkte twijfel over de door eiser gestelde herkomst niet wegnemen, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van eiser over de door hem in Centraal-Irak ondervonden problemen positieve overtuigingskracht ontberen. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor vergunningverlening op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw.

2.24 Eiser voert vervolgens aan dat hij op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voor een verblijfsvergunning in aanmerking komt en verwijst daartoe naar een notitie van Vluchtelingenwerk Nederland van oktober 2008 (Beleid ten aanzien van Irak) en een brief van Amnesty International van 6 oktober 2008 over de veiligheidssituatie in Irak, alsmede naar enkele krantenartikelen in de Volkskrant. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 27 november 2008, zaaknummer 200802472/1 (JV2009,113) , terecht op het standpunt gesteld dat nog daargelaten of er ten tijde van het bestreden besluit in [naam] sprake was van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c Definitierichtlijn, eiser niet onder de reikwijdte van deze bepaling valt aangezien verweerder ongeloofwaardig heeft kunnen achten dat eiser uit Dibis-[naam] afkomstig is. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat ook indien zou moeten worden aangenomen dat Irak eisers land van herkomst is, dit niet tot een ander oordeel zou leiden, daar niet gesteld kan worden dat in alle delen van Irak sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoel in artikel 15, aanhef, en onder c, van de Definitierichtlijn.

2.25 Eiser heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat het categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irak op hem van toepassing is omdat op het moment van zijn asielaanvraag op 13 november 2007 het categoriaal beschermingsbesluit voor asielzoekers uit Centraal-Irak nog geldend beleid was.

2.26 De rechtbank is van oordeel dat, hoewel het categoriaal beschermingsbeleid ten tijde van de aanvraag nog van kracht was, eiser aan dit beleid geen rechten kan ontlenen, nu uit het vorenoverwogene volgt dat niet is aangetoond dat hij afkomstig is uit een deel van Irak dat destijds onder het categoriaal beschermingsbeleid viel. Voorts is het categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irak per 22 november 2008 beëindigd en is thans geen speciaal beleid voor Irak van toepassing. Verder wordt overwogen dat verweerder volgens vaste jurisprudentie een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. Hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd, namelijk dat de situatie in (Centraal-)Irak is verslechterd, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen niet langer een beleid van categoriale bescherming te voeren.

2.27 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.28 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Groenendijk, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.S. de Groot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2011.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.