Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0844

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-04-2011
Datum publicatie
11-04-2011
Zaaknummer
11/11098
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres verbleef voor haar inbewaringstelling op een vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel, waar zij dagelijks aan haar meldplicht voldeed. Gelet hierop heeft verweerder het niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats niet zonder een nadere motivering aan de maatregel van bewaring ten grondslag mogen leggen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 maart 2011, in zaak nr. 201100555/1/V3.

Vaststaat dat eiseres over onvoldoende middelen beschikt om een terugkeer naar haar land van herkomst te kunnen bekostigen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daar echter niet zonder meer uit dat eiseres de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderings¬procedure ontwijkt of belemmert. Dat zou misschien anders zijn geweest indien eiseres het verwijt kon worden gemaakt dat zij te weinig heeft gedaan om aan deze middelen te komen dan wel om deze middelen te behouden, doch dat heeft verweerder niet gesteld.

Aldus resteert enkel de grond dat eiseres niet beschikt over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000. Niet in geschil is dat eiseres haar paspoort heeft verscheurd alvorens zij Nederland is ingereisd en dat zij nadien geen pogingen heeft ondernomen om een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 te verkrijgen. Gelet evenwel op de omstandigheid dat eiseres op een vrijheidsbeperkende locatie verbleef waar zij dagelijks aan haar meldplicht voldeed, kan naar het oordeel van de rechtbank uit enkel deze grond niet afgeleid worden dat zij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Eiseres heeft niet betwist dat zij, alvorens zij in bewaring werd gesteld, nimmer heeft getracht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Dat gegeven is echter niet als zodanig als grond van de maatregel opgenomen in het besluit tot inbewaringstelling en kan om die reden geen steun bieden voor de stelling van verweerder dat eiseres de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2002 (LJN AE3705) waaruit zij afleidt dat de gronden van de maatregel niet op een later moment mondeling kunnen worden aangevuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr : AWB 11/11098

V-nummer: […]

Inzake: […], eiseres,

gemachtigde mr. G.S.S. de Kok, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde mr. J.N. Mons.

I Procesverloop

1 Eiseres stelt te zijn geboren op […] en de Irakese nationaliteit te bezitten.

2 Op 31 maart 2011 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van

30 maart 2011 waarbij eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de maatregel van bewaring is opgelegd.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 7 april 2011. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig S.O. Said, tolk in de Arabische taal.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.1.1 Onder verwijzing naar het arrest Kadzoev van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2009 (LJN BK5471) stelt eiseres dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd de maatregel niet kunnen dragen. Daarnaast stelt eiseres dat de bewaring had moeten worden opgeheven, omdat het binnentreden van haar woning op onrechtmatige wijze is geschied, zij niet is gehoord alvorens zij in bewaring is gesteld, het terugkeerbesluit is uitgereikt nadat het besluit tot inbewaringstelling was uitgereikt en omdat verweerder had kunnen volstaan met een lichter middel. Verder betoogt eiseres dat de bewaring had moeten worden opgeheven op het moment dat zij een asielaanvraag had ingediend.

2.1.2 Verweerder stelt dat eiseres de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert, omdat zij:

(a) niet beschikt over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000),

(b) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en

(c) onvoldoende middelen van bestaan heeft.

2.1.3 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven kunnen de lidstaten, tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:

a) indien er risico op onderduiken bestaat, of

b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

2.1.4 Eiseres verbleef voor haar inbewaringstelling op een vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel, waar zij dagelijks aan haar meldplicht voldeed. Gelet hierop heeft verweerder het niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats niet zonder een nadere motivering aan de maatregel van bewaring ten grondslag mogen leggen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 maart 2011, in zaak nr. 201100555/1/V3.

2.1.5 Vaststaat dat eiseres over onvoldoende middelen beschikt om een terugkeer naar haar land van herkomst te kunnen bekostigen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daar echter niet zonder meer uit dat eiseres de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderings¬procedure ontwijkt of belemmert. Dat zou misschien anders zijn geweest indien eiseres het verwijt kon worden gemaakt dat zij te weinig heeft gedaan om aan deze middelen te komen dan wel om deze middelen te behouden, doch dat heeft verweerder niet gesteld.

2.1.6 Aldus resteert enkel de grond dat eiseres niet beschikt over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000. Niet in geschil is dat eiseres haar paspoort heeft verscheurd alvorens zij Nederland is ingereisd en dat zij nadien geen pogingen heeft ondernomen om een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 te verkrijgen. Gelet evenwel op de omstandigheid dat eiseres op een vrijheidsbeperkende locatie verbleef waar zij dagelijks aan haar meldplicht voldeed, kan naar het oordeel van de rechtbank uit enkel deze grond niet afgeleid worden dat zij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

2.1.7 Eiseres heeft niet betwist dat zij, alvorens zij in bewaring werd gesteld, nimmer heeft getracht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Dat gegeven is echter niet als zodanig als grond van de maatregel opgenomen in het besluit tot inbewaringstelling en kan om die reden geen steun bieden voor de stelling van verweerder dat eiseres de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2002 (LJN AE3705) waaruit zij afleidt dat de gronden van de maatregel niet op een later moment mondeling kunnen worden aangevuld.

2.2 De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat oplegging van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. De overige beroepsgronden behoeven om die reden geen bespreking.

2.3 Het beroep is gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van 8 april 2011.

2.4 De rechtbank acht voldoende gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor 9 dagen onrechtmatige bewaring in een huis van bewaring (van 30 maart 2011 tot 8 april 2011) ten bedrage van 9 x € 80,-- = € 720,--.

2.5 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 8 april 2011;

3 wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiseres schadevergoeding toe ten bedrage van € 720,-- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-- en bepaalt dat, nu aan eiseres een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald.

Aldus gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in tegenwoordigheid van G.F. Meiland, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 8 april 2011.

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroep¬schrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingen¬zaken, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: