Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0696

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
AWB 10/7352 MAWKMA
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan de hem toekomende discretionaire bevoegdheid tot toekenning van onder meer een bindingspremie per 1 januari 2008 een gewijzigde invulling gegeven met de Nota Financiële instrumenten werving, behoud en dibel van 25 februari 2008. In deze Nota is aangegeven dat bestaande individuele aanspraken zullen worden gerespecteerd. In aanvulling op de Nota Financiële instrumenten werving, behoud en dibel, is met de Nota Aanstellings- en bindingspremies 2009 van 24 februari 2009 ingegaan op de beleidstoepassing van onder meer de bindingspremies voor het jaar 2009 en de uitvoering hiervan door de defensieonderdelen. De bindingspremie wordt op individuele basis toegekend aan personeel dat als schaarse categorie is aangewezen. In bijlage 2 van de Nota van 24 februari 2009 is een overzicht van de schaarse categorieën opgenomen. Er wordt een bindingspremie toegekend aan medewerkers die op 1 januari 2009 werkzaam waren binnen een vastgestelde categorie van schaars personeel, voorzover Defensie groot belang hecht aan behoud van dit personeel. De daarbij gehanteerde criteria zijn: kans op uitstroom, beschikbare alternatieven om uitstroom te voorkomen, wijze van functioneren, voldoen aan militaire en/of functie-eisen en de schaarste aan kennis en kunde.

Verweerder heeft terecht als uitgangspunt genomen dat het toekennen van een bindingspremie een besluit is waaraan een individuele beschouwing ten grondslag ligt. Dit managementinstrument wordt ingezet om een medewerker, die werkzaam is binnen een vastgestelde schaarse categorie, te stimuleren een aaneengesloten periode van zijn aanstelling daarvan deel uit te laten blijven maken omdat behoud van diegene voor Defensie van groot belang wordt geacht. Het individuele karakter van het instrument heeft tot gevolg dat per medewerker binnen de betreffende schaarse categorie wordt bezien in hoeverre diegene in aanmerking komt voor een bindingspremie. Dit betekent dat geen sprake kan zijn van een categorale toekenning van een bindingspremie.

Nu het eiser in december 2008 bekend was dat hij in 2009 bevorderd zou kunnen worden tot [functie III] als hij een Belangstellingsregistratieformulier zou invullen, hetgeen eiser ook gedaan heeft, kan niet gezegd worden dat eiser in december 2008 niet wist dat hij bevorderd zou kunnen worden. Gelet op de beoordelingsruimte die verweerder toekomt heeft deze dan ook de kans op uitstroom van eiser dusdanig gering mogen achten dat eiser niet in aanmerking komt voor de bindingspremie. Dat eiser na bevordering evengoed had kunnen uitstromen maakt dat niet anders. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/7352 MAWKMA

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde [B],

en

[C], verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij rekest van 20 januari 2010 heeft eiser verweerder verzocht om in aanmerking te worden gebracht voor de individuele bindingspremie 2009.

Bij besluit van 3 mei 2010, aan eiser uitgereikt op 19 mei 2010, heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 mei 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Op 7 juli 2010 is eiser gehoord omtrent zijn bezwaar door verweerder.

Bij besluit van 10 september 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 20 oktober 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 6 januari 2011 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door [D], kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Eiser is vergezeld van zijn echtgenote.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [E] en [F].

II OVERWEGINGEN

1 Eiser bekleedde de rang van [functie 1] binnen de subdienstgroep [groep] algemeen ([functie I]). Bij besluit van 26 februari 2009 is aan eiser per 25 mei 2009 de functie [functie II]) te Den Helder toegewezen en is eiser medegedeeld dat hij per

25 mei 2009 zal worden bevorderd tot [functie III] ([functie III]).

2 Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit en acht het in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel genomen. Eiser heeft aangevoerd dat hij aan alle criteria van het beleid voldoet en dat verweerder ten onrechte zijn eigen beleid niet heeft toegepast. Op basis van het beleid bestond er voor verweerder geen ruimte voor een individuele toets. Eiser wenst aanspraak te maken op de bindingspremie in de rang van [functie I] omdat hij deze rang op de peildatum 1 januari 2009 bekleedde en deze rang in bijlage 2 van de Nota Aanstellings- en bindingspremies 2009 van 24 februari 2009 (kenmerk P/2008033984) is opgenomen als een schaarse categorie personeel die in aanmerking kan komen voor een bindingspremie. Eiser verwijst voorts naar de lijst Frequently Asked Questions (FAQ-lijst) inzake bindingspremies 2008 en de Nota Financiële instrumenten werving, behoud en dibel van 25 februari 2008 (kenmerk P/2008003910).

Voorts heeft eiser zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel omdat drie collega's die na de peildatum van 1 januari 2009 zijn bevorderd, wel in aanmerking zijn gebracht voor een bindingspremie. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij vóór de peildatum van 1 januari 2009 niet wist dat hij in 2009 zou worden bevorderd.

3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bindingspremie bedoeld is om schaarse categorieën te behouden voor de defensieorganisatie. Eiser vervulde op de peildatum 1 januari 2009 een functie binnen de categorie [functie I]. Volgens verweerder was al op 5 december 2008 aan eiser meegedeeld dat aan hem in 2009 een functie op het niveau van [functie III] zou worden toegekend, zoals op die datum was besproken met eisers loopbaanbegeleider. Aangezien binnen de subdienstgroep [groep] algemeen de rang van [functie III] niet als een schaarse categorie is aan te merken, zodat de kans op uitstroom mimimaal is te achten, komt eiser niet in aanmerking voor het aanbod individuele bindingspremie 2009.

4 Ingevolge artikel 12 van het Inkomstenbesluit militairen (hierna: IBM) kan de commandant operationeel commando aan een militair in fase twee of drie, die zich verbindt om gedurende een bepaalde periode onafgebroken deel uit te maken van het beroepspersoneel, een bindingspremie toekennen.

5.1 De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit berust op een discretionaire bevoegdheid van verweerder, wat met zich meebrengt dat de rechtbank een uit hoofde van die bevoegdheid genomen besluit terughoudend toetst. Beoordeeld moet worden of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen en daarbij niet heeft gehandeld in strijd met enige ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen.

5.2 Verweerder heeft aan de hem toekomende discretionaire bevoegdheid tot toekenning van onder meer een bindingspremie per 1 januari 2008 een gewijzigde invulling gegeven met de Nota Financiële instrumenten werving, behoud en dibel van 25 februari 2008. In deze Nota is aangegeven dat bestaande individuele aanspraken zullen worden gerespecteerd. In aanvulling op de Nota Financiële instrumenten werving, behoud en dibel, is met de Nota Aanstellings- en bindingspremies 2009 van 24 februari 2009 ingegaan op de beleidstoepassing van onder meer de bindingspremies voor het jaar 2009 en de uitvoering hiervan door de defensieonderdelen. De bindingspremie wordt op individuele basis toegekend aan personeel dat als schaarse categorie is aangewezen. In bijlage 2 van de Nota van 24 februari 2009 is een overzicht van de schaarse categorieën opgenomen. Er wordt een bindingspremie toegekend aan medewerkers die op 1 januari 2009 werkzaam waren binnen een vastgestelde categorie van schaars personeel, voorzover Defensie groot belang hecht aan behoud van dit personeel. De daarbij gehanteerde criteria zijn: kans op uitstroom, beschikbare alternatieven om uitstroom te voorkomen, wijze van functioneren, voldoen aan militaire en/of functie-eisen en de schaarste aan kennis en kunde.

6.1 Niet in geschil is dat eiser op 1 januari 2009 een functie vervulde waaraan de rang van sergeant [groep] algemeen is verbonden, en dat eiser behoorde tot één van de schaarse categorieën.

6.2 Verweerder heeft terecht als uitgangspunt genomen dat het toekennen van een bindingspremie een besluit is waaraan een individuele beschouwing ten grondslag ligt. Dit managementinstrument wordt ingezet om een medewerker, die werkzaam is binnen een vastgestelde schaarse categorie, te stimuleren een aaneengesloten periode van zijn aanstelling daarvan deel uit te laten blijven maken omdat behoud van diegene voor Defensie van groot belang wordt geacht. Het individuele karakter van het instrument heeft tot gevolg dat per medewerker binnen de betreffende schaarse categorie wordt bezien in hoeverre diegene in aanmerking komt voor een bindingspremie. Dit betekent dat geen sprake kan zijn van een categorale toekenning van een bindingspremie.

6.3 De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder aan de verkeerde criteria heeft getoetst. Ingevolge artikel 12 van het IBM kan verweerder zelf de criteria bepalen aan de hand waarvan wordt bepaald wanneer sprake is van een schaarse categorie, en wanneer binnen die schaarse categorie een individuele bindingspremie wordt toegekend, mits de criteria niet in strijd zijn met vigerende regelgeving en zij de grenzen van het redelijke niet overschrijden. De criteria zijn in de Nota van 24 februari 2009 duidelijk verwoord en in het verweerschrift nog eens op een rijtje gezet. Nu het eiser in december 2008 bekend was dat hij in 2009 bevorderd zou kunnen worden tot [functie III] als hij een Belangstellingsregistratieformulier zou invullen, hetgeen eiser ook gedaan heeft, kan niet gezegd worden dat eiser in december 2008 niet wist dat hij bevorderd zou kunnen worden. Gelet op de beoordelingsruimte die verweerder toekomt heeft deze dan ook de kans op uitstroom van eiser dusdanig gering mogen achten dat eiser niet in aanmerking komt voor de bindingspremie. Dat eiser na bevordering evengoed had kunnen uitstromen maakt dat niet anders.

6.4 Voor zover eiser zich heeft beroepen op FAQ-lijst inzake bindingspremies overweegt de rechtbank dat ook hiervoor geldt dat alle feiten en omstandigheden een rol spelen die bekend waren op de peildatum 1 januari 2009. Indien op de peildatum nog niets bekend was geweest van een eventuele bevordering, terwijl deze nadien wel plaatsvindt, dan zal een reeds toegekende bindingspremie niet vervallen. Indien vóór de peildatum wel al iets bekend is over een eventuele bevordering, zoals bij eiser het geval was, dan zal deze omstandigheid wel worden meegenomen in de beoordeling.

De rechtbank is niet gebleken dat de verklaring die de loopbaanbegeleider, de heer [G], heeft afgelegd over het met eiser gevoerde gesprek op 5 december 2008, onjuist zou zijn. Hetgeen eiser over de inhoud van dat gesprek verklaard heeft komt - voor zover relevant - overeen met de verklaring van de heer [G].

6.5 Ook het beroep dat eiser op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan kan niet slagen. In de gevallen waarop eiser wijst en die hij gelijk acht aan het zijne, is een bindingspremie toegekend. Die toekenning is echter een gevolg van het feit dat die personen op de peildatum 1 januari 2009 nog niet wisten dat zij bevorderd zouden worden. Zoals hiervoor overwogen wist eiser dat wel. Daarmee zijn de door eiser aangehaalde gevallen niet gelijk aan het zijne en behoefde verweerder in dit opzicht eiser ook niet op gelijke wijze te behandelen.

7 Gelet op het hiervoor overwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.M.F. Holtrop, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Woldring.

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011 .

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.