Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0687

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
385742 / KG ZA 11-79
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot verbod op overlevering aan Frankrijk afgewezen. De argumenten die eiser bij de Overleveringskamer heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren, kunnen niet in kort geding getoetst worden. Van een noodtoestand is geen sprake. Daarnaast is het EHRM-arrest inzake M.S.S. tegen België niet van toepassing op onderhavig overleveringsgeschil. Uitgangspunt is daarom het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er is geen reden om daarvan af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 385742 / KG ZA 11-79

Vonnis in kort geding van 3 maart 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.B. Vallenduuk te Haarlem,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 22 februari 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij Europees Aanhoudingsbevel van 23 maart 2007 heeft de daartoe aangewezen Franse rechterlijke autoriteit de aanhouding en overlevering van eiser gelast in verband met verdenking van mensenhandel (hierna: 'het aanhoudingsbevel'). Op 31 oktober 2007 is eiser door de Franse rechtbank bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en een boete van € 100.000,-- (hierna: 'het verstekvonnis').

1.2. Eiser is op 21 oktober 2008 op basis van het aanhoudingsbevel aangehouden en in verzekering gesteld. Op 22 oktober 2008 heeft de officier van justitie bij de rechtbank Amsterdam gevorderd dat de rechtbank het aanhoudingsbevel in behandeling zal nemen.

1.3. Op 8 november 2008 heeft het Franse Ministerie van Justitie op verzoek van de Nederlandse autoriteiten de in artikel 6 lid 1 Overleveringswet bedoelde garantie verstrekt dat eiser, indien hij veroordeeld zou worden tot een definitieve vrijheidsstraf voor de feiten waarvoor zijn uitlevering verzocht is, zijn straf in Nederland kan uitzitten.

1.4. Bij brief van 12 januari 2009 is vanuit Frankrijk het dictum ("le dispositif", in de bijgevoegde Engelse vertaling de "enacting terms") van het verstekvonnis aan de Nederlandse officier van Justitie gezonden met het verzoek dit aan eiser te betekenen. Op 16 januari 2009 zijn deze documenten in persoon aan eiser uitgereikt.

1.5. Op 19 januari 2009 is de overleveringsdetentie van eiser onder voorwaarden geschorst. Met het oog op de toepassing van artikel 6 lid 2 Overleveringswet is daarna diverse malen gecorrespondeerd tussen de Nederlandse en Franse justitiële autoriteiten over de vraag wanneer en op welke wijze een verstekvonnis onherroepelijk wordt en of het verstekvonnis aan die vereisten voldoet. Volgens deze bepaling wordt de overlevering van een Nederlander niet toegestaan indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.

1.6. Eiser is op 23 april 2009 niet verschenen bij de voortzetting van de behandeling van de overleveringsprocedure voor de rechtbank Amsterdam. De rechtbank heeft de schorsing van eisers overleveringsdetentie wegens schending van de voorwaarden opgeheven en zijn gevangenhouding bevolen.

1.7. Bij vonnis van 7 mei 2009 heeft de rechtbank Amsterdam de overlevering van eiser aan Frankrijk toegestaan (hierna: 'het overleveringsvonnis'). In het overleveringsvonnis staat onder meer vermeld:

"Uit de stukken maakt de rechtbank op dat voornoemde 'enacting terms' van het vonnis van 31 oktober 2007 van de rechtbank te Parijs op 16 januari 2009 in het huis van bewaring "Demersluis" te Amsterdam in persoon zijn uitgereikt aan de opgeëiste persoon.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat op 16 januari 2009 betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en dat dit vonnis onherroepelijk is geworden doordat de opgeëiste persoon de verzettermijn van dertig dagen ongebruikt heeft laten verlopen.

De rechtbank deelt het standpunt van de raadsvrouw niet, nu de Franse officier van justitie bij (vertaalde) brief van 21 april 2009, gericht aan de officier van justitie te Amsterdam, heeft verklaard dat het vonnis nog niet onherroepelijk is, omdat enkel het beschikkende gedeelte van het vonnis ter kennisgeving aan de opgeëiste persoon is uitgereikt. Om het vonnis onherroepelijk te maken, had het deurwaardersexploot en het gehele vonnis aan de opgeëiste persoon moeten worden overhandigd, aldus de Franse officier van justitie. Hoewel de gevolgde werkwijze in dit geval aldus verwarrend kan worden genoemd, en uit de brief van 12 januari 2009 de intentie blijkt van de Franse autoriteiten om het vonnis betekend te krijgen, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de uitvaardigende autoriteit, dat nog steeds geen rechtsgeldige betekening naar Frans recht heeft plaatsgevonden, en dat het vonnis derhalve nog niet onherroepelijk is.

Gezien het voorgaande staat het bepaalde in artikel 6, lid 2 van de OLW niet in de weg aan overlevering van de opgeëiste persoon, nu niet wordt voldaan aan de in dit artikel gestelde voorwaarde dat sprake is van een onherroepelijk vonnis.

(...)

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan."

1.8. Eiser is op 29 oktober 2009 vanuit Frankrijk gemaand tot betaling van de boete.

1.9. Op 13 januari 2011 is eiser aangehouden in verband met verdenking in een andere zaak. Vanaf 19 januari 2011 verblijft hij in overleveringsdetentie.

1.10. Op 21 februari 2011 hebben de Franse autoriteiten een brief verzonden aan de Nederlandse officier van Justitie, waarin onder meer staat vermeld:

"Je confirme que ce jugement n'est pas définitif selon les règles du code de procédure pénale en vigueur en France."

2. Het geschil

2.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

primair gedaagde te verbieden dat eiser feitelijk wordt overgeleverd;

subsidiair aanhouding van het kort geding onder gelijktijdige opschorting van de overlevering en daarbij:

- gedaagde te gelasten om alle correspondentie die heeft plaatsgevonden tussen 10 februari en 22 april 2009 tussen het Nederlandse en het Franse parket te verstrekken;

- gedaagde te gelasten mevrouw [A.] van het parket een verklaring te laten afleggen welke aanvullende vragen er nog zijn gesteld aan Frankrijk over de stukken die aan eiser zijn betekend.

2.2. Daartoe voert eiser het volgende aan. Er heeft een rechtsgeldige betekenis van het verstekvonnis plaatsgevonden. Voor een rechtsgeldige betekening is immers voldoende dat de veroordeelde kennis neemt van het vonnis. Dat is op 16 januari 2009 gebeurd, waarna de verzetstermijn van artikel 492 Code de Procédure Pénale (CPP) is ingegaan. Die verzetstermijn is thans ongebruikt verstreken, zodat het verstekvonnis onherroepelijk is geworden. Bij een onherroepelijk geworden vonnis is geen inhoudelijke behandeling van de zaak meer mogelijk en zou overlevering aan Frankrijk in strijd zijn met artikel 6 Overleveringswet en daarom moeten worden geweigerd. De overleveringskamer was er ten tijde van haar uitspraak niet van op de hoogte dat de aanzegakte van de betekening niet door de Franse autoriteiten was ontvangen. Dat moet worden beschouwd als een nieuw aan het licht gekomen feit dat tot een ander oordeel van de overleveringskamer zou hebben geleid.

Overlevering zal voorts leiden tot schending van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in het bijzonder van de artikelen 3, 6 en 13. Uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 januari 2011 (nr. 30696/09) inzake M.S.S. tegen België, vloeit voort dat gedaagde zich niet zonder meer kan beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In Frankrijk is sprake van doorlopende schendingen. Niet uitgesloten kan worden dat eiser aan onmenselijke en/of vernederende behandelingen zal worden onderworpen. Daarnaast heeft Nederland door onachtzaamheid en Frankrijk door misleiding het recht van eiser op een eerlijke verdediging geschaad. Artikel 13 EVRM zal geschonden worden als eiser zich in vreemde gevangenschap behoort te begeven om zijn rechten - het berusten in het verstekvonnis - uit te oefenen en de kans lopen om geen rechtsmiddel meer te krijgen.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat eiser dezelfde persoon is die in het verstekvonnis en in het overleveringsvonnis wordt aangeduid als [naam eiser, met kleine verschrijving].

3.2. Uitgangspunt voor de beoordeling is het overleveringsvonnis, waarbij overlevering van eiser aan Frankrijk is toegestaan. In dat vonnis heeft de internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam de vraag of het verstekvonnis onherroepelijk is geworden - hetgeen in de weg zou staan aan de overlevering van eiser - ontkennend beantwoord. Voor zover eiser betoogt dat zijn overlevering moet worden geweigerd omdat het verstekvonnis wel onherroepelijk is geworden, heeft te gelden dat een beoordeling hiervan in kort geding in beginsel niet mogelijk is. Artikel 29 lid 2 Overleveringswet bepaalt immers dat tegen de uitspraak van de rechtbank geen rechtsmiddel open staat, anders dan beroep in cassatie in het belang der wet. Het instellen van een kort gedingprocedure op grond van dezelfde argumenten die reeds bij de internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam naar voren zijn of hadden kunnen worden gebracht en meegewogen bij het nemen van de beslissing, komt in feite neer op een verkapt hoger beroep tegen die uitspraak en dient om die reden niet te slagen.

3.3. Wel kan tenuitvoerlegging van het overleveringsvonnis verboden worden indien executant geen in redelijkheid te respecteren belang bij executie heeft. Hiervan kan sprake zijn indien het te executeren vonnis op een juridische of feitelijke misslag berust of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten een noodtoestand doen ontstaan voor eiser, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet aanvaardbaar is. Voorts kan een uitzondering op de onder 3.2 vermelde hoofdregel worden aanvaard indien een uitspraak van het EHRM, waarmee de overleveringskamer bij haar beslissing geen rekening heeft kunnen houden, noopt tot de conclusie dat zij bij het toestaan van de overlevering een grondrecht van de over te leveren persoon heeft geschonden.

3.4. Aan eiser moet worden toegegeven dat enige tijd onduidelijkheid heeft bestaan over de wijze van betekening van het verstekvonnis en de consequenties daarvan voor de status ervan. Uit de door de Staat overgelegde correspondentie blijkt dat de Franse autoriteiten ten tijde van de voortgezette behandeling bij de rechtbank Amsterdam op de hoogte waren van het feit dat het dictum van het verstekvonnis aan eiser was uitgereikt. De omstandigheid dat (de toenmalige raadsvrouw van) eiser en de overleveringskamer van die rechtbank toen geen kennis hadden van de brieven die mevrouw [A.] namens het Nederlandse aan het Franse parket had gestuurd, levert geen relevant nieuw feit op dat een noodtoestand doet ontstaan voor eiser, te minder nu de Franse autoriteiten bij brief van 21 februari 2011 wederom hebben bevestigd dat het verstekvonnis niet onherroepelijk is geworden.

3.5. Eiser betoogt dat uit het recent verschenen arrest van het EHRM inzake M.S.S. tegen België voortvloeit dat zijn feitelijke overlevering aan Frankrijk onrechtmatig is. Volgens het EHRM in dat arrest is het beroep op het tussen verdragstaten geldende interstatelijk vertrouwensbeginsel onvoldoende als er sprake is van doorlopende schendingen van het EVRM en andere internationale mensenrechtenverdragen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voornoemd arrest van het EHRM niet zonder meer van toepassing is op het onderhavige overleveringsgeschil. Het arrest heeft immers betrekking op een asielrechtelijke procedure en beantwoordt de vraag of België onrechtmatig heeft gehandeld door een asielzoeker naar Griekenland uit te zetten. In tegenstelling tot de verplichting van verdragstaten om tot overlevering over te gaan, die berust op het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, bestaat er op grond van internationale wetten en verdragen geen verplichting voor een staat tot het uitzetten van asielzoekers. Bovendien kan uit de overweging van het EHRM dat België wist of had moeten weten dat de detentie en leefomstandigheden in Griekenland tot een onmenselijke en vernederende behandeling zouden leiden, niet de conclusie worden getrokken dat een dergelijke wetenschap tevens aanwezig moet worden geacht bij Nederland waar het Frankrijk betreft. Het arrest is specifiek op de situatie in Griekenland toegespitst.

3.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat voornoemd arrest geen aanleiding biedt om af te wijken van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Dit brengt mee dat, indien overlevering wordt verzocht in gevallen waarin zowel de verzoekende als de aangezochte staat het EVRM hebben ondertekend, ervan uit moet worden gegaan dat de verzoekende staat de bepalingen van het EVRM zal eerbiedigen. Eiser is er door het overleggen van algemene rapporten over de situatie in Frankrijk overigens niet in geslaagd aan te tonen dat zijn overlevering een schending van artikel 3 EVRM oplevert. Met de overgelegde rapporten is immers niet aannemelijk gemaakt dat juist hij als gevolg van de overlevering het reële risico loopt te worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

3.7. Op grond van het voorgaande kan niet anders dan geconcludeerd worden dat de vorderingen van eiser moeten worden afgewezen.

3.8. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.384,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 568,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2011.

hvd