Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0215

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
AWB 11/1231, 11/1233, 11/1269 & 11/1271
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is, in navolging van de uitspraak van nevenzittingsplaats Amsterdam van 13 oktober 2010, LJN:BO1314, van oordeel dat oplegging een vrijheidsontnemende maatregel in het AC-Schiphol aan een gezin met twee minderjarige kinderen in strijd is met artikel 5 EVRM en derhalve onrechtmatig is, omdat de plaats en de verblijfsomstandigheden in het AC-Schiphol niet passend zijn voor minderjarige vreemdelingen. Dat maakt de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel willekeurig, volgens de criteria van het EHRM genoemd in het arrest van 29 januari 2008, LJN: BC6246. Dat het in de uitspraak van 13 oktober 2010 een alleenstaande minderjarige vreemdeling betrof maakt het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak van ouders met minderjarige kinderen niet anders. Niet valt in te zien dat de door de rechtbank Amsterdam geconstateerde omstandigheden voor minderjarigen anders zouden moeten worden beoordeeld indien het minderjarigen met hun ouders betreft. Dit klemt temeer nu minderjarigen die door ouders worden begeleid niet zelden jonger zullen zijn dan een alleenstaande minderjarige vreemdeling. Ook voor hen geldt dat sprake is van verblijf in het AC-Schiphol gedurende de gehele dag in één ruimte met continu geluid, zonder reële mogelijkheid tot afzondering en met een penitentiair karakter, zoals de rechtbank in de uitspraak van 13 oktober 2010 concludeert. Uit de besluitvorming ten aanzien van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel blijkt niet dat deze omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken. De verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2010, (20103207, JV 2010, 256, LJN: BM5550) inhoudende dat door het stellen van een maximum aan de duur van vrijheidsontneming van minderjarige kinderen het belang van deze kinderen is betrokken in het door verweerder gevoerde beleid, acht de rechtbank niet adequaat, nu eisers in dit geval, anders dan in de genoemde zaak bij de Afdeling, hebben gewezen op omstandigheden die in het bijzonder gelden ten aanzien van kinderen en die niet geacht kunnen worden reeds in het beleid te zijn betrokken, te weten de omstandigheden waaronder in het AC-Schiphol moet worden verbleven.

Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 11 / 1231

AWB 11 / 1233

AWB 11 / 1269

AWB 11 / 1271

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 28 maart 2011

in de zaken van:

[naam eiser], geboren [geboortedatum],

[naam eiseres], geboren [geboortedatum],

[naam kind 1], geboren [geboortedatum],

[naam kind 2], geboren [geboortedatum],

allen van Iraanse nationaliteit,

allen thans verblijvende in [locatie],

eisers,

raadsman: mr. F.W. Verbaas, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort en F. Cozijn, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 7 januari 2011 aan eisers op grond van artikel 3 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluiten van diezelfde datum aan hen op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw vrijheidsontnemende maatregelen opgelegd.

1.2 Eisers hebben tegen de maatregelen op 12 januari 2011 beroepen ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

1.3 Bij brief van 21 januari 2011 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat de aan eisers opgelegde maatregelen op 13 januari 2011 zijn opgeheven.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 24 januari 2011. en 14 maart 2011. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun raadsman. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

1.5 De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een nader standpunt te verwoorden. Bij brief van 31 januari 2011 heeft verweerder dit standpunt verwoord. Bij brief van 4 februari 2011 heeft de gemachtigde van eisers hierop gereageerd. Bij brief van 15 februari 2011 heeft de gemachtigde van eisers, mede ten behoeve van de nadere zitting, de gronden van beroep aangevuld.

2. Overwegingen

2.1 Hoewel de aan eisers opgelegde vrijheidsontnemende maatregelen op 13 januari 2011 zijn beëindigd, dient in verband met de verzoeken om toekenning van schadevergoeding beoordeeld te worden of de oplegging van de maatregelen rechtmatig is geweest.

2.2 Namens eisers is allereerst aangevoerd dat Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) op eisers van toepassing is. Eisers menen dat de Terugkeerrichtlijn in ieder geval op hen van toepassing was in de periode dat zij te kennen hebben gegeven asiel te willen aanvragen maar deze aanvraag formeel nog niet was ingediend. Nu de Terugkeerrichtlijn niet is geïmplementeerd kan daarop een rechtstreeks beroep worden gedaan. De artikelen 16 en 17 van de Terugkeerrichtlijn zijn rechtstreeks toepasbaar en niet gesteld kan worden dat zij niet onvoorwaardelijk of onvoldoende nauwkeurig zijn.

2.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is op eisers omdat aan hen de toegang is geweigerd. Blijkens artikel 2, tweede lid, onder a, van de Terugkeerrichtlijn kunnen lidstaten besluiten de richtlijn niet toe te passen op vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd. In zoverre zijn de lidstaten dan ook niet verplicht de richtlijn ten aanzien van deze categorie vreemdelingen te implementeren en zijn de in de richtlijn neergelegde bepalingen dus niet onvoorwaardelijk bepaald. Verweerder geeft aan dat Nederland gebruik zal maken van de door artikel 2, tweede lid, onder a, van de Terugkeerrichtlijn geboden ruimte om deze richtlijn niet toe te passen op vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd. Een toegangsgeweigerde kan zich derhalve niet rechtstreeks op de Terugkeerrichtlijn beroepen. Daarbij verwijst verweerder naar de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32 420, nr.3, blz. 6.

Daarnaast is de Terugkeerrichtlijn op eisers niet van toepassing omdat eisers reeds op 7 januari 2011 de wens hebben geuit om een asielaanvraag in te dienen. Door het kenbaar maken van deze wens is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 9 van de preambule van de Terugkeerrichtlijn. Vanwege de intentie een asielaanvraag te willen indienen en de omstandigheid dat de formele indiening op korte termijn zal geschieden, wordt de vreemdeling in praktische zin aangemerkt als asielzoeker en ligt het in de rede aansluiting te zoeken bij de Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn. Dit is ook in de lijn van artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn aangezien daar wordt gesproken over een asielverzoek en niet over de aanvraag. Gelet op het voorgaande is de Terugkeerrichtlijn nimmer op eisers van toepassing geweest.

2.4 De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de Richtlijn niet van toepassing is op eisers omdat hen de toegang is geweigerd. Onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 31 januari 2011 (AWB 10/44858) is de rechtbank van oordeel dat, zolang in de nationale wetgeving geen regeling is getroffen op basis waarvan de uitzondering van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Terugkeerrichtlijn kan worden toegepast, de bepalingen van de Terugkeerrichtlijn onverkort van toepassing zijn op een situatie waarin aan de vreemdeling de toegang is geweigerd en de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 van de Vw is opgelegd. Verweerders standpunt dat een toegangsgeweigerde buiten de werking van de Terugkeerrichtlijn valt, omdat uit de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn blijkt dat de Nederlandse Staat besloten heeft om de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing te laten zijn op grensdetentie, leidt niet tot een ander oordeel. Van een (definitief) besluit in de zin van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, Terugkeerrichtlijn is immers nog geen sprake, nu het betreffende wetsvoorstel nog niet de status van wet heeft verkregen.

2.5 De rechtbank volgt verweerder wel in zijn standpunt dat de Terugkeerrichtlijn niet op eisers van toepassing is omdat zij in Nederland asiel hebben gevraagd. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is deze van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Onder punt 9 van de preambule van de Terugkeerrichtlijn is bepaald dat overeenkomstig Richtlijn 2005/85/EG (Procedurerichtlijn) een onderdaan van een derde land, die in een lidstaat asiel heeft aangevraagd, niet mag worden beschouwd als iemand die illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijft, totdat het afwijzende besluit inzake het verzoek respectievelijk het besluit waarbij het verblijfsrecht van de betrokkene wordt beëindigd, in werking is getreden.

2.6 Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2011 blijkt dat eisers op die datum te kennen hebben gegeven dat zij asielaanvragen willen indienen. Dit dient te worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag. Hiermee hebben eisers op 7 januari 2011 asiel aangevraagd in de zin van het bepaalde onder punt 9 van de preambule bij de Terugkeerrichtlijn, en mogen zij, zo lang niet definitief op de asielaanvragen is beslist, niet worden beschouwd als onderdanen van een derde land, die illegaal op het Nederlandse grondgebied verblijven.

Dat eisers pas op 10 januari 2011 door middel van een daartoe bestemd formulier asielaanvragen bij verweerder hebben ingediend kan aan het vorenstaande niet afdoen. Indien immers de formele indiening van een aanvraag in dit kader tot uitgangspunt wordt genomen zou dat tot gevolg hebben dat ten aanzien van een onderdaan van een derde land, die bij aankomst op het grondgebied van Nederland te kennen geeft asielrechtelijke bescherming te wensen, maar die nog geen aanvraagformulier heeft ingevuld en ingediend, een terugkeerbesluit wordt genomen. Dat verdraagt zich niet met artikel 7, eerste lid, van de Procedurerichtlijn en niet met het bepaalde in punt 9 van de preambule bij de Terugkeerrichtlijn.

2.7 De aan eisers opgelegde maatregelen zijn opgeheven voordat op de asielaanvragen is beslist. De Terugkeerrichtlijn was ten tijde van het opleggen en voortduren van de maatregel niet van toepassing op eisers. Derhalve komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de beroepsgronden die betrekking hebben op de Terugkeerrichtlijn.

2.8 Eisers hebben in hun nadere gronden van 15 februari 2011 en de pleitnota van 14 maart 2011 aangevoerd dat de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregelen op grond van artikel 6 Vw in strijd is met Richlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (verder: de Opvangrichtlijn). Asielzoekers kunnen op grond van artikel 7, derde lid, van de Opvangrichtlijn worden vastgehouden ‘in de gevallen waarin zulks nodig blijkt’. Er is volgens eisers geen noodzaak om gezinnen die asiel vragen vast te houden. Verder bepaalt artikel 17 van de Opvangrichtlijn dat rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie van kwetsbare personen zoals minderjarigen en moet verweerder op grond van artikel 18 van de Opvangrichtlijn rekening houden met de belangen van het kind. In het aanmeldcentrum te Schiphol wordt in onvoldoende mate rekening gehouden met de situatie van minderjarigen. In dit verband is gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingplaats Amsterdam, van 13 oktober 2010, LJN:BO1314. In deze uitspraak heeft de rechtbank in haar rechtsoverwegingen die concluderen tot strijdigheid met artikel 5 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet speciaal gesteld dat sprake was van alleenstaande minderjarigen. Dit onderscheid is ook niet relevant, want alle bezwaren ten aanzien van alleenstaande minderjarigen gelden ook voor begeleide minderjarigen. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) lijkt, gelet op de jurisprudentie van het EHRM, dit onderscheid niet te maken. Met de detentie van eisers is artikel 5 EVRM geschonden. In dit verband verwijzen eisers naar het arrest van het EHRM van 19 januari 2010, JV 2010, 119, LJN: BL9430 en de daarover verschenen noot van dr. G.N. Cornelisse, met name onderdeel 6.

Onder verwijzing naar het arrest van het EHRM van 28 februari 2008, nr. 37201/06 inzake Saadi tegen Italië, JV 2008,131, LJN: BC8132, menen eisers dat niet relevant is dat het in dit geval gaat om de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel van relatief korte duur. In het arrest Saadi ging het maar om een week en besteedde het Hof aandacht aan de vraag of de omstandigheden passend waren.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van eisers ter zitting bevestigd dat eisers zich op het standpunt stellen dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel aan minderjarige kinderen in het AC Schiphol, alleenstaand of in gezinsverband, in strijd is met artikel 5 EVRM en dat derhalve ook het door verweerder gevoerde beleid met deze bepaling in strijd is. De bepalingen in de Opvangrichtlijn dienen gelezen te worden in samenhang met artikel 3 IVRK en artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verder: Handvest grondrechten EU).

Uit de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel blijkt niet dat rekening is gehouden met de belangen van het kind.

2.9 Verweerder verwijst met betrekking tot het verblijf van minderjarige asielzoekers in het AC-Schiphol naar zijn beleid in A6/1.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Daarin staat dat het verblijf van gezinnen met kinderen zo kort mogelijk wordt gehouden en maximaal twee weken mag duren. In dit beleid wordt voldoende rekening gehouden met de belangen van minderjarige kinderen in een gezin. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam betreft alleenstaande minderjarige vreemdelingen en niet gezinnen met minderjarigen. Voorts verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 18 mei 2010 (20103207, JV 2010, 256, LJN: BM5550), waaruit kan worden afgeleid dat in het beleid voldoende rekening is gehouden met de belangen van minderjarige kinderen in een gezin.

2.10 Hoofdstuk A6 van de Vc handelt over vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen. A6/1.6 Vc staat dat ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen zoveel mogelijk wordt volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel om het vertrek voor te bereiden. Desalniettemin kan het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd in het geval het gezin de toegang tot Nederland is geweigerd, dit in verband met het belang van een effectieve grensbewaking. Vrijheidsontneming van het gehele gezin blijft verder beperkt tot die situaties waarin gedwongen vertrek op korte termijn kan worden gerealiseerd. De beschikbaarheid van het gezin kan in dat geval noodzakelijk worden geacht. Als uitzondering op de regel dat vrijheidsontneming geen maximale duur kent, kent vrijheidsontneming van een gezin met minderjarige kinderen wel een maximale duur. Nu de vrijheidsontnemende maatregel slechts aan gezinnen kan worden opgelegd wanneer het noodzakelijk is dat de beschikbaarheid van het gehele gezin is gegarandeerd kan de duur van de vrijheidsontneming beperkt blijven. Zie Hoofdstuk A6/2.7 voor de maximale duur bij vrijheidsontneming.

2.11 Hoofdstuk A6/2.7 Vc stelt de maximale duur van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw voor gezinnen met minderjarige kinderen op twee weken. In de situatie dat asiel is aangevraagd en de aanvraag binnen de algemene asielprocedure wordt afgedaan kan de vrijheidsontnemende maatregel worden toegepast gedurende de asielprocedure. De maatregel kan voortduren tot twee weken nadat het gezin verwijderbaar is geworden, dan wel, indien een voorlopige voorziening is gevraagd, tot twee weken nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek.

2.12 Naar het oordeel van de rechtbank bieden de door eisers genoemde bepalingen van de Opvangrichtlijn, IVRK en Handvest grondrechten EU en de door eisers genoemde jurisprudentie geen grond voor het oordeel dat oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel aan een gezin met minderjarige kinderen zonder meer in strijd is met artikel 5 EVRM. Het beleid van verweerder zoals hiervoor samengevat weergegeven is dan ook niet in strijd met artikel 5 EVRM. Het beleid van verweerder is daarom niet zonder meer onrechtmatig te achten. Zowel de bepalingen van de Opvangrichtlijn als de jurisprudentie laten naar het oordeel van de rechtbank ruimte voor een belangenafweging in het concrete geval. Daarbij kunnen de redenen voor de oplegging en voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel worden betrokken alsmede de plaats van tenuitvoerlegging en de omstandigheden waaronder de maatregel moet worden ondergaan.

2.13 Eisers hebben gewezen op de uitspraak van 13 oktober 2010 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, waartegen verweerder, zoals ter zitting meegedeeld, geen hoger beroep heeft ingesteld. Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak zijn beleid ten aanzien van de oplegging van vrijheidsontnemende maatregelen aan alleenstaande minderjarige vreemdelingen gewijzigd, onder meer in die zin dat de asielaanvraag van alleenstaande minderjarigen niet langer op het Aanmeldcentrum Schiphol zal worden behandeld en doorplaatsing naar de ‘gewone’ asielprocedure plaatsvindt. Een en ander blijkt ook uit de inmiddels ambtshalve aan de rechtbank bekende brief van de minister voor Immigratie en Asiel aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal van 10 maart 2011, kenmerk 5687612/11.

2.14 In voornoemde uitspraak heeft de rechtbank Amsterdam gewezen op het arrest van het EHRM van 29 januari 2008, LJN: BC6246. In dit arrest wordt bepaald dat detentie voorafgaande aan het verkrijgen van toestemming van een staat tot binnenkomst is toegestaan, indien en voor zover dit in overeenstemming is met het algemene doel van artikel 5 van het EVRM. Volgens rechtsoverweging 67 van dit arrest is de enkele omstandigheid dat de detentie in overeenstemming is met de nationale wet- en regelgeving onvoldoende om te oordelen dat deze in overeenstemming is met artikel 5, aanhef en onder f, van het EVRM. Detentie mag daarnaast niet willekeurig zijn daartoe noemt het EHRM vier criteria, te weten:

a. de detentie dient ‘te goeder trouw’ (‘in good faith’) te worden toegepast;

b. de detentie moet in nauw verband staan met het doel om ongeoorloofde binnenkomst te voorkomen;

c. de plaats en de verblijfsomstandigheden moeten passend zijn, in acht genomen dat de maatregel niet wordt toegepast op personen die strafbare feiten hebben begaan, maar op vreemdelingen die, vaak in vrees voor hun leven, vanuit hun land van herkomst zijn gevlucht; en

d. de duur van de detentie moet in redelijke verhouding staan tot het beoogde doel.

2.15 Na een bezoek door de rechtbank Amsterdam aan het Aanmeldcentrum op Schiphol, heeft de rechtbank in voornoemde uitspraak geoordeeld dat dit Aanmeldcentrum qua gebouw noch anderszins is aangepast aan het verblijf van minderjarige asielzoekers. Onder meer om deze reden heeft de rechtbank Amsterdam de maatregel in strijd geacht met artikel 5, aanhef en onder f, van het EVRM.

2.16 Niet in geschil is dat in het onderhavige geval sprake is van een gezin met twee minderjarige kinderen. De rechtbank is in navolging van de uitspraak van 13 oktober 2010 en anders dan in de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 21 januari 2011 (AWB 10/39045, AWB/10/39046, AWB 10/39047, AWB 10/39049, AWB 10/39051 en AWB 10/39052 ), van oordeel dat in het onderhavige geval oplegging van de vrijheidsontnemende maatregelen in het Aanmeldcentrum op Schiphol in strijd is met artikel 5 EVRM en derhalve onrechtmatig is, omdat de plaats en de verblijfsomstandigheden in het Aanmeldcentrum Schiphol niet passend zijn voor minderjarige vreemdelingen. Dat maakt de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel willekeurig, volgens de criteria van het EHRM.

2.17 Dat het in de uitspraak van 13 oktober 2010 een alleenstaande minderjarige vreemdeling betrof maakt het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak van ouders met minderjarige kinderen niet anders. Niet valt in te zien dat de door de rechtbank Amsterdam geconstateerde omstandigheden voor minderjarigen anders zouden moeten worden beoordeeld indien het minderjarigen met hun ouders betreft. Dit klemt temeer nu minderjarigen die door ouders worden begeleid niet zelden jonger zullen zijn dan een alleenstaande minderjarige vreemdeling. In het onderhavige geval betreft het kinderen van 7 en 12 jaar. Ook voor hen geldt dat sprake is van verblijf in het Aanmeldcentrum Schiphol gedurende de gehele dag in één ruimte met continu geluid, zonder reële mogelijkheid tot afzondering en met een penitentiair karakter, zoals de rechtbank in de uitspraak van 13 oktober 2010 concludeert. Uit de besluitvorming ten aanzien van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel blijkt niet deze omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken.

2.18 De verwijzing door verweerder naar eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2010, inhoudende dat door het stellen van een maximum aan de duur van vrijheidsontneming van minderjarige kinderen het belang van deze kinderen is betrokken in het door verweerder gevoerde beleid, acht de rechtbank niet adequaat, nu eisers in dit geval, anders dan in de genoemde zaak bij de Afdeling, hebben gewezen op omstandigheden die in het bijzonder gelden ten aanzien van kinderen en die niet geacht kunnen worden reeds in het beleid te zijn betrokken, te weten de omstandigheden waaronder in het Aanmeldcentrum op Schiphol moet worden verbleven.

2.19 Uit het voorgaande volgt dat de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregelen ten aanzien van de minderjarige kinderen in strijd moet worden geacht met artikel 5 EVRM en van meet af aan onrechtmatig was. Onder deze omstandigheden is ook de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregelen ten aanzien van de ouders in strijd met artikel 5 EVRM en onrechtmatig. De beroepen zijn gegrond. De verzoeken tot het toekennen van schadevergoeding zullen worden toegewezen.

2.20 Gelet op het voorgaande komen eisers met toepassing van artikel 106 Vw in aanmerking voor toekenning van schadevergoeding. Voor het verblijf van eisers in het Aanmeldcentrum Schiphol wordt een schadevergoeding van € 50,- per dag toegekend. De rechtbank begroot de schadevergoeding daarom voor ieder van eisers

€ 300,- , zodat de totale schadevergoeding aan eisers wordt begroot op € 1200,- (6 dagen verblijf van ieder van eisers in het Aanmeldcentrum Schiphol).

2.21 Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1090,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting) als kosten van verleende rechtsbijstand. Aangezien ten behoeve van eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 wijst de verzoeken om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 300,- aan ieder van eisers, zijnde in totaal een bedrag € 1200,- en veroordeelt verweerder tot vergoeding van die schade aan eiser;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1090,50 en draagt verweerder op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, en op 28 maart 2011 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.A. van der Meijden, griffier.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding in totaal ten bedrage van € 1200,-. Aldus gedaan op 28 maart 2011, door mr. J.M. Janse van Mantgem, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.