Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0210

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
AWB 11 / 9397 & AWB 11 / 9395
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Conservatoire maatregel
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aan verzoeker is de toegang tot het Schengengebied geweigerd omdat hij reeds gedurende drie maanden in een periode van zes maanden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie heeft verbleven. In het arrest van 3 oktober 2006 (Jv 2006/441) heeft het HvJ geoordeeld dat artikel 20, eerste lid SUO aldus moet worden uitgelegd dat het begrip “eerste binnenkomst” in deze bepaling niet alleen de allereerste binnenkomst in de Schengenruimte betreft, maar ook de eerste binnenkomst in deze ruimte na het verstrijken van een periode van zes maanden na deze allereerste binnenkomst, alsook elke andere eerste binnenkomst na het verstrijken van elke nieuwe periode van zes maanden na de vorige datum van de eerste binnenkomst. Niet in geschil is dat de datum van verzoekers vorige eerste binnenkomst 23 december 2006 is geweest. Gelet op voormelde overweging van het HvJ heeft verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht gesteld dat sedert zijn vorige binnenkomst meer dan zes maanden zijn verstreken. Er was derhalve naar het oordeel van de voorzieningenrechter op 17 maart 2011, anders dan verweerder meent, sprake van een eerste binnenkomst na het verstrijken van een periode van zes maanden. Gelet hierop, had verweerder verzoeker niet de toegang mogen weigeren omdat hij reeds gedurende drie maanden in een periode van zes maanden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie heeft verbleven.

Vovo toegewezen, beroep tegen art 6 maatregel gegrond, opheffing maatregel en schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 11 / 9397 (voorlopige voorziening)

AWB 11 / 9395 (vrijheidsontneming)

uitspraak van de voorzieningenrechter en van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 maart 2011

in de zaak van:

[naam verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Amerikaanse nationaliteit,

verzoeker/eiser (verder: verzoeker),

raadsman: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Schelfaut, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft verzoeker op 17 maart 2011 de toegang geweigerd. Bij besluit van diezelfde datum is aan verzoeker op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

1.2 Op 18 maart 2011 heeft verzoeker tegen de beschikking houdende weigering toegang een administratief beroepschrift ingediend. Op diezelfde datum heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.3 Verzoeker heeft op 18 maart 2011 beroep ingesteld tegen de vrijheidsontnemende maatregel en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 28 maart 2011. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder is vertegenwoordigd zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan -onder meer-, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Verzoeker heeft - samengevat - het volgende aangevoerd. De enige grond waarop verzoeker de toegang is geweigerd is, dat verzoeker reeds gedurende drie maanden in een periode van zes maanden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie heeft verbleven. Dat is op zichzelf onvoldoende voor de toegangsweigering. Ingevolge artikel 20 van de Uitvoeringsovereenkomst Schengen (SUO) mag verzoeker, die niet visumplichtig is, zich voor de duur van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden, gerekend vanaf de datum binnenkomst, in Nederland vrij verplaatsen. Eerste binnenkomst is niet alleen de allereerste binnenkomst, maar ook de eerste binnenkomst na het verstrijken van elke nieuwe periode van zes maanden na de vorige datum van eerste binnenkomst. Daarbij verwijst verzoeker naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (verder: HvJ) van 3 oktober 2006 (Jv 2006/441). In het geval van verzoeker zijn er meer dan zes maanden verstreken na de vorige binnenkomst. Verzoeker maakt daarom aanspraak op binnenkomst en toegang tot Nederland. Indien het besluit tot toegangsweigering mede zou moeten worden beschouwd als een terugkeerbesluit, wat niet het geval is, dan is ten onrechte nagelaten verzoeker een passende termijn voor vrijwillig vertrek te geven. Voor zover uit het besluit moet worden afgeleid dat is afgezien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek, is dit ten onrechte niet gemotiveerd. Voor zover verweerder wat betreft de motivering heeft willen verwijzen naar het belang van de openbare orde, is dat in het licht van artikel 7 van Richtlijn 2008/115/EG (verder: de Terugkeerrichtlijn) volstrekt onvoldoende. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat er een risico tot onderduiken bestaat, zijn er in de wetgeving geen objectieve criteria vastgelegd om aan te nemen dat een onderdaan van een derde land zich zal onttrekken aan het toezicht.

2.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verzoeker de toegang tot Nederland en het Schengengebied op goede gronden is geweigerd. Verweerder heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd. Verzoeker is op 23 december 2006 Nederland binnengekomen en heeft onafgebroken tot 17 maart 2011 in Nederland verbleven. Verweerder stelt dat, zo begrijpt de voorzieningenrechter, artikel 20 SUO zo uitgelegd dient te worden dat de datum van de laatste eerste binnenkomst van verzoeker als bedoeld in artikel 20 SUO 23 december 2006 is geweest waarna verzoeker tot aan zijn uitreis op 16 maart 2011 steeds aaneensluitend een termijn van zes maanden in Nederland heeft verbleven waar het hem binnen elke opvolgende termijn was toegestaan 90 dagen hier te lande te verblijven. De laatste termijn is in deze berekening gaan lopen op 23 december 2010. Toen verzoeker op 16 maart 2011 is weggegaan had hij reeds de vrije termijn van 90 dagen gebruikt. Nu verzoeker op 17 maart 2011 naar Nederland is gekomen en er gerekend vanaf 23 december 2010 nog geen zes maanden waren verstreken terwijl hij de vrije termijn van 90 dagen reeds had gebruikt, heeft de ambtenaar belast met grensbewaking deze vrije termijn bij aankomst van verzoeker hier te lande op nul dagen gesteld, waarna hem de toegang is geweigerd.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.4 In het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2011 is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld. Verbalisant heeft nader onderzoek verricht naar het reisverhaal van verzoeker. Daarbij is door hem vastgesteld dat verzoeker woonachtig is geweest in Nederland. Dat verzoeker vanaf 24 juli 2000 in het bezit was van een verblijfstitel. Dat op 5 april 2009 verzoekers verblijfsstatus was verlopen en hij tot 15 mei 2009 de tijd heeft gekregen om Nederland te verlaten. Verzoeker was hiervan op de hoogte maar is toch in Nederland gebleven. Op 16 maart 2011 is hij uitgereisd naar Engeland om een vriend te bezoeken. Hem werd vervolgens door de Britse autoriteiten de toegang geweigerd. Vervolgens is verzoeker door de Britse autoriteiten op 17 maart 2011 op basis van een vervoersclaim bij de aanvoerende luchtvaartmaatschappij teruggezonden naar Nederland. Bij aankomst hier te lande bleek dat verzoeker sinds 15 mei 2009 tot aan zijn uitreis illegaal in het land heeft verbleven.

2.5 Aan verzoeker is vervolgens, blijkens het standaardformulier voor weigering toegang aan de grens van onderdanen van derde landen die kort verblijf beogen, de toegang tot het Schengengebied geweigerd met als weigeringsgrond (F) “Heeft reeds gedurende drie maanden in een periode van zes maanden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie verbleven”.

2.6 In artikel 20, eerste lid, SUO is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald. Vreemdelingen die niet aan de visumplicht zijn onderworpen, mogen zich voor de duur van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden, gerekend vanaf de datum eerste binnenkomst, op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen vrij verplaatsen.

2.7 In voormeld arrest van 3 oktober 2006 het HvJ geoordeeld dat artikel 20, eerste lid SUO aldus moet worden uitgelegd dat het begrip “eerste binnenkomst” in deze bepaling niet alleen de allereerste binnenkomst in de Schengenruimte betreft, maar ook de eerste binnenkomst in deze ruimte na het verstrijken van een periode van zes maanden na deze allereerste binnenkomst, alsook elke andere eerste binnenkomst na het verstrijken van elke nieuwe periode van zes maanden na de vorige datum van de eerste binnenkomst.

Niet in geschil is dat de datum van verzoekers vorige eerste binnenkomst 23 december 2006 is geweest. Gelet op voormelde overweging van het HvJ heeft verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht gesteld dat sedert zijn vorige binnenkomst meer dan zes maanden zijn verstreken. Er was derhalve naar het oordeel van de voorzieningenrechter op 17 maart 2011, anders dan verweerder meent, sprake van een eerste binnenkomst na het verstrijken van een periode van zes maanden. Gelet hierop, had verweerder verzoeker niet de toegang mogen weigeren omdat hij reeds gedurende drie maanden in een periode van zes maanden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie heeft verbleven.

2.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het administratief beroep van 18 maart 2011 een redelijke kans van slagen heeft.

2.9 De voorzieningenrechter ziet op grond van het voorgaande aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening in die zin dat verzoeker door verweerder dient te worden behandeld als ware hij toegelaten tot Nederland.

2.10 Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb worden veroordeeld in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 874,- in verband met het verzoek om voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Ten aanzien van het beroep ex artikel 6 Vw

2.11 De ambtenaar belast met grensbewaking is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden welke kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

2.12 Nu de voorzieningenrechter de voorziening heeft getroffen inhoudende dat verzoeker hangende het administratief beroep behandeld dient te worden als ware hem de toegang tot Nederland verleend, is bij de toepassing van de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw bij verzoeker geen sprake geweest van een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. Derhalve is de ambtenaar belast met grensbewaking niet bevoegd geweest verzoeker voormelde vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. De oplegging en voortduring van de aan verzoeker opgelegde maatregel zijn derhalve onrechtmatig te achten.

2.13 Het beroep zal dan ook reeds hierom gegrond worden verklaard. Met ingang van 29 maart 2011 zal de opheffing van de maatregel worden bevolen.

2.14 Nu de aan verzoeker opgelegde vrijheidsontnemende maatregel van meet af aan onrechtmatig is geweest, komt verzoeker met toepassing van artikel 106 Vw in aanmerking voor toekenning van schadevergoeding. Voor het verblijf van verzoeker in het Detentiecentrum Schiphol-Oost wordt een schadevergoeding van € 50,- per dag toegekend. De rechtbank begroot de schadevergoeding van verzoeker daarom op

€ 600,- (12 dagen verblijf in Detentiecentrum Schiphol-Oost).

2.15 Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 437,- (1 punt voor het beroepschrift) als kosten van verleende rechtsbijstand. Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

2.16 Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb worden veroordeeld in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 437,- in verband met het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel (1 punt voor het beroepschrift; er is geen aanleiding voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van het beroep ter zitting). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moet dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

3.2 treft de voorziening dat verzoeker dient te worden behandeld als ware hij toegelaten tot Nederland;

3.3 veroordeelt verweerder in de kosten ad € 874,- en draagt verweerder op deze kosten aan verzoeker te voldoen.

3.4 draagt de verweerder op het betaalde griffierecht ad € 152,- aan verzoeker te vergoeden.

De rechtbank:

3.5 verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw met ingang van 29 maart 2011;

3.6 wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 600,- en veroordeelt verweerder tot vergoeding van die schade aan verzoeker;

3.7 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 437,- en draagt verweerder op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, (voorzieningen)rechter, en op 29 maart 2011 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.A. van der Meijden, griffier.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 600,-. Aldus gedaan op 29 maart 2011, door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, voor zover het het verzoek om een voorlopige voorziening betreft, geen gewoon rechtsmiddel open.

Voor zover het het beroep betreft, kunnen partijen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.