Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0203

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-04-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
AWB 11 / 8836
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BR2118, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Vw, ouders met minderjarige kinderen, Schiphol

Niet in geschil is dat in het onderhavige geval sprake is van een moeder met drie minderjarige kinderen. De rechtbank is in navolging van de uitspraak van 28 maart 2011 van deze rechtbank en nevenzittingsplaats (welke is aangehecht) van oordeel dat oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in het Aanmeldcentrum op Schiphol in strijd is met artikel 5 EVRM en derhalve onrechtmatig, omdat de plaats en de verblijfsomstandigheden niet voldoen aan de eisen die aan een verblijf voor minderjarige vreemdelingen mogen worden gesteld. Dat maakt de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel willekeurig, volgens de criteria van het EHRM.

Gelijk de rechtbank in voormelde uitspraak van 28 maart 2011 heeft overwogen, maakt het gegeven dat het in de uitspraak van 13 oktober 2010 een alleenstaande minderjarige vreemdeling betrof, het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak van een moeder met minderjarige kinderen niet anders. Niet valt in te zien dat over de door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, geconstateerde omstandigheden voor minderjarigen anders zouden moeten worden beoordeeld indien het minderjarigen met ouder(s) betreft. Dit klemt temeer nu minderjarigen die door ouders worden begeleid niet zelden jonger zullen zijn dan een alleenstaande minderjarige vreemdeling. In het onderhavige geval betreft het kinderen van 4, 12 en 14 jaar. Ook voor hen geldt dat sprake is van verblijf in het Aanmeldcentrum Schiphol gedurende de gehele dag in één ruimte met continu geluid, zonder reële mogelijkheid tot afzondering en met een penitentiair karakter, zoals de rechtbank in de uitspraak van 13 oktober 2010 concludeert. Uit de besluitvorming ten aanzien van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel blijkt niet dat deze omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken.

Uit het voorgaande volgt dat de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel ten aanzien van de minderjarige kinderen in strijd moet worden geacht met artikel 5 EVRM en van meet af aan onrechtmatig was. Onder deze omstandigheden is ook de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel ten aanzien van de moeder in strijd met artikel 5 EVRM en onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 11 / 8836

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 april 2011

in de zaak van:

[naam eiseres], geboren [geboortedatum],

eiseres,

mede namens haar kinderen:

[naam kind 1], geboren [geboortedatum]

[naam kind 2] geboren [geboortedatum],

[naam kind 3], geboren [geboortedatum],

allen van Boliviaanse nationaliteit,

allen thans verblijvende in [locatie],

raadsman: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 9 maart 2011 aan eiseres op grond van artikel 13 juncto artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 562/2006 (Schengengrenscode) de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van 10 maart 2011 aan haar op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

1.2 Eiseres heeft tegen de maatregel op 15 maart 2011 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 29 maart 2011. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar raadsman. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw het beroep gegrond.

2.2 Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

2.3 Eiseres heeft - samengevat - het volgende aangevoerd. Eiseres vormt een gezin met minderjarige kinderen. Daarom kon verweerder volstaan met een vrijheidsbeperkende maatregel. Het gebouw AC-Schiphol is niet aangepast aan minderjarige vreemdelingen in het algemeen. In dit verband heeft eiseres gewezen op de uitspraak van 13 oktober 2010 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (verder: de Terugkeerrichtlijn) ook op grensdetentie ex artikel 6, eerste en tweede lid Vw van toepassing is, nu dit niet wettelijk door Nederland is uitgesloten. De Terugkeerrichtlijn heeft directe werking. Er is in de afwijzende asielbeschikking met betrekking tot eiseres een terugkeerbesluit genomen. Grensdetentie ten aanzien van minderjarigen is een ultimum remedium. Dit is ook de strekking van hetgeen hieromtrent is bepaald in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en in artikel 17, derde lid van de Terugkeerrichtlijn. Voor het Uitzetcentrum Rotterdam geldt hetzelfde als voor AC-Schiphol. Er zijn ook daar geen speciale faciliteiten voor minderjarigen.

2.4 Verweerder heeft - samengevat – het volgende standpunt ingenomen. De Terugkeerrichtlijn is niet van toepassing op grensdetentie. Daarbij verwijst verweerder naar een artikel hierover in de Staatscourant van 10 maart 2011, nr. 4082 waar verweerder toepassing geeft aan de uitzonderingsbepaling. Voorts geeft verweerder aan dat eiseres direct bij binnenkomst te kennen heeft gegeven dat zij asiel wilde aanvragen. Dan is in ieder geval de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 20 februari 2011 (reg.nr. 11/3124, LJN BP 8940). Voorts stelt verweerder dat de omstandigheden voor minderjarigen in het UZC Rotterdam voldoende adequaat zijn. Er is geen aanleiding om de maatregel op te heffen onder oplegging van een lichter middel.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 In voornoemde uitspraak heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam gewezen op het arrest van het EHRM van 29 januari 2008, LJN: BC6246. In dit arrest wordt bepaald dat detentie voorafgaande aan het verkrijgen van toestemming van een staat tot binnenkomst is toegestaan, indien en voor zover dit in overeenstemming is met het algemene doel van artikel 5 van het EVRM. Volgens rechtsoverweging 67 van dit arrest is de enkele omstandigheid dat de detentie in overeenstemming is met de nationale wet- en regelgeving onvoldoende om te oordelen dat deze in overeenstemming is met artikel 5, aanhef en onder f, van het EVRM. Detentie mag daarnaast niet willekeurig zijn. Daartoe noemt het EHRM vier criteria, te weten:

a. de detentie dient ‘te goeder trouw’ (‘in good faith’) te worden toegepast;

b. de detentie moet in nauw verband staan met het doel om ongeoorloofde binnenkomst te voorkomen;

c. de plaats en de verblijfsomstandigheden moeten passend zijn, in acht genomen dat de maatregel niet wordt toegepast op personen die strafbare feiten hebben begaan, maar op vreemdelingen die, vaak in vrees voor hun leven, vanuit hun land van herkomst zijn gevlucht; en

d. de duur van de detentie moet in redelijke verhouding staan tot het beoogde doel.

2.6 Na een bezoek door de rechtbank Amsterdam aan het Aanmeldcentrum op Schiphol, heeft de rechtbank in voornoemde uitspraak geoordeeld dat dit Aanmeldcentrum qua gebouw, noch anderszins is aangepast aan het verblijf van minderjarige asielzoekers. Onder meer om deze reden heeft de rechtbank Amsterdam de maatregel in strijd geacht met artikel 5, aanhef en onder f, van het EVRM.

2.7 Niet in geschil is dat in het onderhavige geval sprake is van een moeder met drie minderjarige kinderen. De rechtbank is in navolging van de uitspraak van 28 maart 2011 van deze rechtbank en nevenzittingsplaats (welke is aangehecht) van oordeel dat oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in het Aanmeldcentrum op Schiphol in strijd is met artikel 5 EVRM en derhalve onrechtmatig, omdat de plaats en de verblijfsomstandigheden niet voldoen aan de eisen die aan een verblijf voor minderjarige vreemdelingen mogen worden gesteld. Dat maakt de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel willekeurig, volgens de criteria van het EHRM.

2.8 Gelijk de rechtbank in voormelde uitspraak van 28 maart 2011 heeft overwogen, maakt het gegeven dat het in de uitspraak van 13 oktober 2010 een alleenstaande minderjarige vreemdeling betrof, het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak van een moeder met minderjarige kinderen niet anders. Niet valt in te zien dat over de door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, geconstateerde omstandigheden voor minderjarigen anders zouden moeten worden beoordeeld indien het minderjarigen met ouder(s) betreft. Dit klemt temeer nu minderjarigen die door ouders worden begeleid niet zelden jonger zullen zijn dan een alleenstaande minderjarige vreemdeling. In het onderhavige geval betreft het kinderen van 4, 12 en 14 jaar. Ook voor hen geldt dat sprake is van verblijf in het Aanmeldcentrum Schiphol gedurende de gehele dag in één ruimte met continu geluid, zonder reële mogelijkheid tot afzondering en met een penitentiair karakter, zoals de rechtbank in de uitspraak van 13 oktober 2010 concludeert. Uit de besluitvorming ten aanzien van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel blijkt niet dat deze omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken.

2.9 Uit het voorgaande volgt dat de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel ten aanzien van de minderjarige kinderen in strijd moet worden geacht met artikel 5 EVRM en van meet af aan onrechtmatig was. Onder deze omstandigheden is ook de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel ten aanzien van de moeder in strijd met artikel 5 EVRM en onrechtmatig.

2.10 Nu de aan eiseres en haar kinderen opgelegde vrijheidsontnemende maatregel reeds bij aanvang in het AC-Schiphol onrechtmatig was, volgt daaruit dat de voortduring van de maatregel onrechtmatig is te achten.

2.11 Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden van eiseres geen bespreking meer.

2.12 Het beroep zal gegrond worden verklaard. Met ingang van 1 april 2011 zal de opheffing van de maatregel worden bevolen. Het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding zal worden toegewezen.

2.13 Gelet op het voorgaande komen eiseres en haar kinderen met toepassing van artikel 106 Vw in aanmerking voor toekenning van schadevergoeding. Voor het verblijf van eiseres en haar kinderen in het Aanmeldcentrum (AC) Schiphol en UZC Rotterdam wordt een schadevergoeding van € 50,- per dag toegekend. De rechtbank begroot de schadevergoeding daarom voor eiseres en ieder kind op € 1100,- zodat de totale schadevergoeding aan eiseres en haar kinderen wordt begroot op € 4400,- (22 dagen verblijf in AC-Schiphol en UZC Rotterdam).

2.14 Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) als kosten van verleende rechtsbijstand. Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw met ingang van 1 april 2011;

3.2 wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 1100,- aan eiseres en ieder kind, zijnde in totaal een bedrag € 4400,- en veroordeelt verweerder tot vergoeding van die schade aan eiseres;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,- en draagt verweerder op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kleij, rechter, en op 1 april 2011 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.H. de Vries, griffier.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding in totaal ten bedrage van € 4400,-. Aldus gedaan 1 april 2011, door mr. S. Kleij, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.