Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0080

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-04-2011
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
09/757294-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en aanranding van [aangeefster]. Hij heeft haar hiertoe wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd en beroofd gehouden door haar in haar hotelkamer vast te binden. Een dergelijk handelen is zeer ernstig, waarbij het slachtoffer zich uiterst vernederende en ook pijnlijke handelingen heeft moeten laten welgevallen. Aldus is op bijzonder grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer.

[..] De ernst van de begane feiten, de omstandigheid dat verdachte zich in het verleden - vaak korte tijd nadat verdachte vrij komt - veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan geweldadige berovingen en in deze zaak zelfs tijdens onttrekking aan een proefverlof, de door deskundigen in het (recente) verleden getrokken conclusies dat de kans op recidive als hoog wordt geschat, alsook het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van verdachte heeft gekregen, brengen voor de rechtbank met zich mee dat er ernstig rekening mee dient te worden gehouden dat verdachte - indien behandeling achterwege blijft - in de toekomst opnieuw zal overgaan tot het plegen van ernstige en gewelddadige strafbare feiten. De rechtbank neemt in het bijzonder in aanmerking dat verdachte - voor zover bekend - in deze zaak voor het eerst agressief seksueel gedrag heeft vertoond. Hieruit valt een toename in de ernst van de door verdachte begane delicten op te maken. Gelet op het voorgaande moet verdachte (mede) als gevolg van zijn gebrekkige ontwikkeling worden gezien als een gevaar voor de veiligheid van personen. De bescherming van de veiligheid van de maatschappij noodzaakt daarom het opleggen van TBS met dwangverpleging. Gevangenisstraf van 2 jaar, met aftrek, en TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/757294-10

Datum uitspraak: 4 april 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond, Huis van Bewaring De IJssel te Krimpen aan den IJssel,

voorts zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 1 juni 2010, 18 augustus 2010, 10 november 2010, 19 januari 2011 en 21 maart 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. Warnaar en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. N. Stolk, advocaat te Naaldwijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

Ter terechtzitting is namens de benadeelde partij verschenen mr. M.R. Bruins, advocaat te Alkmaar, die desgevraagd verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, en die voorts verklaart dat [aangeefster] zich door middel van een Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces in dit geding heeft gevoegd als benadeelde partij.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 10 november 2010 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Nokia) en/of geld (te weten ongeveer 200 euro) en/of twee, althans een of meer, bankpasje(s) en/of een laptop (merk Sony), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangeefster], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

-in het gezicht slaan en/of stompen en/of

-dreigend de woorden toevoegen: "Shut up bitch" en/of "Turn around bitch", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

-die [aangeefster] de hotelkamer in duwen en/of

-de tas(sen) van haar schouder trekken/rukken en/of

-de armen op de rug doen en/of (vervolgens) de armen op de rug vastbinden en/of

-op het bed gooien/duwen van die [aangeefster] en/of

-stoppen van tissues in de mond van die [aangeefster] en/of

-de voeten van die [aangeefster] (met (een) kledingstuk(ken)) aan elkaar vastbinden en/of

-die [aangeefster] op de grond gooien/duwen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster] te dwingen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], immers heeft hij

-die [aangeefster] de hotelkamer in geduwd en/of

-die [aangeefster] met de armen op de rug vastgebonden en/of

-die [aangeefster] op het bed gegooid/geduwd en/of

-zijn, verdachtes, kleren uitgetrokken en/of

-(een) kledingstuk(ken) van die [aangeefster] uitgetrokken en/of

-tissues in de mond van die [aangeefster] gestopt en/of

-zich afgetrokken en/of

-tegen die [aangeefster] gezegd dat zij haar benen moest spreiden (terwijl zij met de armen vastgebonden op bed lag) en/of is hij (vervolgens) (met zijn blote lichaam en een stijve penis) op die [aangeefster] gaan liggen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te 's-Gravenhage, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit

-het uittrekken van zijn, verdachtes, kleding en/of

-het uittrekken van (een) kledingstuk(ken) van die [aangeefster] en/of

-het zichzelf aftrekken in bijzijn van die [aangeefster] (terwijl die [aangeefster] vastgebonden op bed lag) en/of

-het zeggen tegen die [aangeefster] dat zij haar benen moest spreiden (terwijl die [aangeefster] aan de armen vastgebonden op bed lag) en/of

-het (met zijn blote lichaam en een stijve penis) liggen op die [aangeefster] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit

-het die [aangeefster] de hotelkamer in duwen en/of

-het die [aangeefster] de armen op de rug doen en/of (vervolgens) de armen op de rug vastbinden en/of

-het op het bed gooien/duwen van die [aangeefster] en/of

-het stoppen van tissues in de mond van die [aangeefster];

art 246 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk [aangeefster] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door met dat opzet

- die [aangeefster] een stomp/slag in het gezicht te geven en/of

- de hotelkamer in te duwen en/of

- de armen van die [aangeefster] op de rug te doen en/of (vervolgens)

- de armen van die [aangeefster] op de rug vast te binden en/of

- tissues in de mond van die [aangeefster] te stoppen en/of

- de voeten van die [aangeefster] aan elkaar vast te binden;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 11 februari 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een of meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten meermalen (telkens) onbevoegd met een bankpas (op naam van die [aangeefster]) met bijbehorende pincode (een) geldopname(n) bij (een) geldautoma(a)t(en) te verrichten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 11 februari 2010 te 's-Gravenhage heeft schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal met geweld tegen [aangeefster] (feit 1). Voorts wordt verdachte verweten dat hij [aangeefster] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden (feit 3) en dat hij heeft getracht [aangeefster] te verkrachten. Subsidiair is dit ten laste gelegd als aanranding (feit 2). Verdachte wordt tevens verweten dat hij op 11 februari 2010 te Rotterdam een poging tot diefstal door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [aangeefster], heeft begaan (feit 4).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 1, feit 2 subsidiair, feit 3 en feit 4 heeft begaan en dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het onder feit 2 primair ten laste gelegde.1

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is - zoals verwoord in haar pleitnotitie2 en hier verkort weergegeven - van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft ter terechtzitting vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit. Er is onvoldoende bewijs om bewezen te verklaren dat verdachte betrokken is geweest bij de hem tenlastegelegde feiten, aldus de raadsvrouw.

Verdachte heeft stellig ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Verdachte is de bewuste avond niet in het hotel aanwezig geweest en verdachte is niet de persoon die op de camerabeelden van het hotel te zien is. Bij de betrouwbaarheid van het bewijs kunnen aldus de raadsvrouw, diverse kanttekeningen geplaatst worden

De raadsvrouw wijst in het bijzonder op het feit dat de herkenning van verdachte door getuige [getuige 1] niet tot het bewijs mag dienen, nu die herkenning zeer twijfelachtig is en bovendien tot stand is gekomen onder invloed van vage herkenningen door collega's van [getuige 1]. Ook het wisselende gebruik van verschillende foto's van verdachte en foto's van camerabeelden van het hotel en van de pintransactie waarop de dader te zien is, hebben de herkenning beïnvloed. Om deze reden dient de belastende verklaring van [getuige 1] buiten beschouwing te worden gelaten. Dit geldt - gelet op de omstandigheden waaronder de herkenning heeft plaatsgevonden - ook voor de herkenning door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Voorts voert de raadsvrouw aan dat er geen enkel direct bewijs is dat verdachte in de hotelkamer is geweest. Forensisch DNA-onderzoek van het dekbed, het slipje van aangeefster en de broek van verdachte heeft niets opgeleverd en de wetenschappelijke bewijswaarde van het Y-chromosomale onderzoek is niet afdoende. Het celmateriaal kan immers afkomstig zijn van alle mannen die in de mannelijke lijn met verdachte staan en bovendien bestaat de kans dat ook personen die niet met verdachte verwant zijn, per toeval hetzelfde Y-chromosomale DNA-profiel hebben.

Tevens stelt de raadsvrouw dat de onder verdachte aangetroffen aan aangeefster toebehorende goederen gelet op het tijdsverloop geen direct bewijs kunnen opleveren. Tot slot betoogt de raadsvrouw ten aanzien van feit 4 nog dat de ABN AMRO er gelet op de onjuiste systeemtijd niet voor kan instaan dat de persoon op het beeldmateriaal ook degene is die de betreffende mislukte pinopnames heeft gedaan. Daar komt bij dat er beelden aan het dossier zijn toegevoegd waarop twee verschillende personen staan afgebeeld.

De raadsvrouw verzoekt derhalve verdachte vrij te spreken van het hem ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging3

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Aangeefster [aangeefster] heeft verklaard dat zij op 11 februari 2010 omstreeks 20.00 uur in het [hotel] te 's-Gravenhage is ingecheckt. Zij heeft verklaard dat een Engels sprekende man en een andere man tegelijk met haar de lift instapten. De Engelse man vroeg naar welke etage zij moest, waarop aangeefster antwoordde dat zij naar de negende etage ging. De andere man mompelde dat hij ook naar de negende moest. De Engelse man stapte vervolgens op de derde etage uit.4 Aangeefster heeft voorts verklaard dat op de negende etage de andere man als eerste de lift uitstapte en voor haar uitliep in dezelfde richting als waar haar hotelkamer zich bevond. De man had het volgende signalement: ongeveer 20 tot 25 jaar, licht getint, normaal postuur, zwart haar en hij had een stokje in zijn mond.5

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij gelijktijdig met een vrouw in het [hotel] incheckte en hij de vrouw in de lift vroeg op welke etage zij moest zijn. De getuige heeft verder verklaard dat hij vervolgens een man met een donker uiterlijk het hotel in zag lopen die rechtstreeks naar de lift liep en ook instapte. De getuige vroeg de man naar welke etage hij wilde gaan, waarop de getuige de man iets hoorde mompelen dat het goed was. De getuige heeft verklaard dat hij vervolgens op de derde etage uitstapte en dat de man en de vrouw in de lift bleven.6

Aangeefster heeft verklaard dat toen zij haar kamer gevonden had, zij met haar tassen de kamer inging, maar dat zij haar koffer even buiten de deur had gelaten. Zij heeft verklaard dat er vervolgens op de deur werd geklopt en zij iemand hoorde zeggen: "You left your bag outside". Aangeefster heeft verklaard dat zij de deur opende en dat zij direct een harde vuistslag op de rechterzijde van haar gezicht kreeg.7

Verder verklaarde aangeefster dat zij de hotelkamer in werd geduwd. Een man drong haar kamer binnen en zij herkende hem direct als zijnde de man met het stokje in de mond die bij haar in de lift had gestaan. Aangeefster begon te gillen, waarop de man zei: "Shut up bitch". De man deed haar laptoptas van haar schouder, rukte haar handtas van haar schouder en trok daarbij de riem kapot. Aangeefster heeft verklaard dat de man vervolgens haar armen op haar rug deed en haar handen met de riem van haar tas op haar rug vastbond. Hij gooide haar op het bed.8

Aangeefster heeft verklaard dat de man al haar spullen doorzocht. Op het moment dat aangeefster naar hem keek, schreeuwde hij: "Turn around bitch". De man pakte de mobiele telefoon van aangeefster (cremekleurig met zwarte Nokia9) en nam geld (ongeveer 200 euro) en bankpasjes weg.10 Aangeefster heeft verklaard dat de man tevens haar laptop van het merk Sony11, een bonuspas van Albert Heijn en een oplader van haar telefoon van het merk Nokia12 had weggenomen.

Voorts heeft aangeefster verklaard dat de man op een gegeven moment al zijn kleren uitdeed. De man draaide aangeefster op haar rug, trok haar spijkerbroek en onderbroek uit en stopte een soort tissues in haar mond. Aangeefster zag dat de man aan zijn piemel begon te trekken, kennelijk om deze stijf te krijgen. De man zei dat zij haar benen moest spreiden. Aangeefster verklaarde dat toen de piemel stijf was, de man met zijn blote lichaam op haar ging liggen, terwijl zij op haar rug lag met haar handen op haar rug vastgebonden. De man heeft haar niet gepenetreerd. Opeens ging de man van haar af.13

Aangeefster heeft verklaard dat zij op dat moment probeerde haar handen los te maken, waarop de man de riem strakker aantrok. De man deed vervolgens haar spijkerbroek weer aan - alleen om de enkels - en bond haar voeten met pantykousjes of topje aan elkaar vast.

Aangeefster verklaarde dat de man haar vanaf het bed op de grond gooide als gevolg waarvan zij hard met het hoofd op de grond terecht kwam. De man heeft zich vervolgens aangekleed en de kamer verlaten. Aangeefster kon haar voeten los krijgen - haar spijkerbroek zat nog op haar hielen - en is naar de gang gelopen. Zij heeft twee kamers verder aangeklopt, waar een man opendeed, die haar handen heeft losgemaakt.14 Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij, toen hij de deur opende, een vrouw zag die geen onderkleding droeg en die was vastgebonden met een spijkerbroek om haar enkels. De getuige verklaarde dat haar armen waren vastgebonden met een glimmende zwarte riem.15

Uit de geneeskundige verklaring van 15 februari 2010 komt naar voren dat aangeefster [aangeefster] uitwendig letsel heeft opgelopen, welke bestond uit een hematoom aan de buitenzijde van de rechter bovenarm, een hematoom bij de linkerelleboog, slijmvlies beschadiging buccaal rechts en een zwelling op de rechterwang.16

Aangeefster heeft verklaard dat het hele voorval ongeveer twintig minuten heeft geduurd.17

Op de camerabeelden van het [hotel] is te zien dat aangeefster [aangeefster] op 11 februari 2010 om 20:05 uur het hotel binnenkomt18. Achter haar loopt getuige [getuige 2]. Vervolgens is te zien dat om 20:09 uur een man het hotel binnenkomt. De man had een donkere huidskleur, zeer kort zwart haar, was gekleed in een grijze trui met capuchon, donkere broek, donkere (sport)schoenen en had een donkere jas over zijn arm. Vermoedelijk was aan de capuchon van de jas een bontkraag bevestigd. De man had een soort wit stokje in zijn mond. Op de beelden is te zien dat deze man om 20:10 uur achter aangeefster en getuige [getuige 2] de lift instapt.19 Ter terechtzitting zijn deze beelden bekeken en is geconstateerd dat de daarop zichtbare persoon grote gelijkenis vertoont met verdachte.20

Later is op de beelden te zien dat om 20:31 uur een man uit de lift en richting de uitgang loopt. De man was gekleed in een donkere jas, donkere spijkerbroek, donkere schoenen met witte streep en een donkere muts. Deze man droeg een donkere tas bij zich met zwarte hengsels. De verbalisant die de beelden heeft uitgekeken, heeft gerelateerd dat hij vermoedt dat dit de man is die om 20:09 uur het hotel binnenkwam.21

Aan aangeefster is een foto22 getoond van een persoon, die vlak na haar het hotel betrad en bij haar de lift instapte. Aangeefster heeft verklaard dat dit de man is die haar hotelkamer is binnengedrongen. Zij verklaarde: "Ik herken hem voor honderd procent".23 Aangeefster heeft over een foto24 van een man die het hotel verlaat verklaard dat zij haar bruine laptoptas herkent.25

Naar aanleiding van een opsporingsbericht in de Telegraaf werd op 16 februari 2010 contact met het politieteam opgenomen door getuige [getuige 1], werkzaam in de PI Zoetermeer. Zij herkende de persoon op de foto van de hotelbeelden als [verdachte]26 Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] op 22 januari 2010 met weekendverlof is gegaan, maar op 25 januari 2010 niet van zijn weekendverlof was teruggekomen.27 Van [verdachte] bleek bij navraag in het herkenningssysteem van de politie een politiefoto uit 2006 28 beschikbaar.29 Twee verbalisanten herkenden [verdachte] als zijnde de man die op de beelden van het [hotel] te zien was en die door aangeefster was aangewezen als de dader.30 De foto uit het politiebestand is eveneens aan getuige [getuige 1] getoond, waarop de getuige verklaarde dat zij [verdachte] voor honderd procent herkent.31 [verdachte] is vervolgens als verdachte aangehouden.32

Op 11 februari 2010 is een forensisch technisch onderzoek verricht in kamer 912 van het [hotel].33 Daarbij is onder andere een damesslip veiliggesteld, die bij navraag bij de recherche was gedragen door het slachtoffer en was uitgetrokken door de dader.34 De damesslip is op vier plaatsen bemonsterd. Op basis van DNA-onderzoek is vastgesteld dat de bemonsteringen van de damesslip afkomstig zijn van slachtoffer [aangeefster].35

Bij de DNA-kwantificering van de bemonsteringen van de damesslip is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van een relatief (zeer) geringe hoeveelheid Y-chromosomaal (mannelijk) DNA. Het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte matcht met de Y-chromosomale DNA-mengprofielen van de vier bemonsteringen van de slip. Dit betekent dat het celmateriaal op de damesslip afkomstig kan zijn van verdachte.36

Op 18 februari 2010 werd onder verdachte een zwarte jas voorzien van een capuchon met bontkraag in beslag genomen.37 Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat die jas van hem was.38 Voorts werd een onderzoek ingesteld naar de onder verdachte in beslag genomen kleding en persoonlijke goederen. Er werd een paars mapje van Hi-PrePay aangetroffen, met daarin een kaartje39, waarin een sim-kaartje heeft gezeten. Het kaartje is voorzien van telefoonnummer [nummer]. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij dit simkaartje had gekocht.40 Bij het tappen op het imeinummer41 behorend bij de telefoon van aangeefster bleek dat er op 12 februari 2010 een nieuw sim-kaartje in de telefoon is geplaatst met telefoonnummer [nummer]. Het eerste gesprek met dit nummer is op 12 februari 2010 om 19:41 uur.42

Onder verdachte is ook een telefoonboekje aangetroffen.43 Verdachte heeft erkend dat dit adressenboekje van hem is.44 Uit onderzoek van de tapgesprekken welke waren gevoerd met het imeinummer van de telefoon van aangeefster, is gebleken dat de diverse telefoonnummers die zijn gebeld met de getapte telefoon in het telefoonboekje van verdachte stonden.45

Tevens werd onder verdachte een bonuskaart met nummer [nummer] aangetroffen.46 Door Albert Heijn zijn de gegevens verstrekt van de geregistreerde eigenaar van de bonuskaart, te weten mw. [aangeefster ], wonende aan de [adres].47

De politie heeft verder een Nokia-oplader in de tas van verdachte gevonden.48 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een telefoon van het merk LG had.49 Ter terechtzitting heeft verdachte met betrekking tot de telefoon van [aangeefster] verklaard dat hij de telefoon in zijn bezit heeft gehad en dat hij wist dat de telefoon, waarin hij het simkaartje had geplaatst, van diefstal afkomstig was, maar dat hij niet wist aan wie de telefoon toebehoorde. Verdachte verklaarde dat de persoon van wie hij de telefoon had verkregen niet op hem leek. Ook zou hij de telefoon maar kort in bezit hebben gehad.50

Bij navraag bij de ABN AMRO bleek dat op 11 februari 2010 gebruik was gemaakt van de weggenomen bankpas van aangeefster met rekeningnummer [nummer] 51. Er zijn bij de geldautomaat op het Stationsplein in Rotterdam drie mistransacties geweest, te weten om 21:19:47 uur, 21:20:00 uur en om 21:20:12 uur.52 De foto's van de videobeelden van de geldautomaat op het Stationsplein te Rotterdam van 11 februari 2010 om 21:19 zijn verstrekt.53

Aan getuige [getuige 1] werd een foto getoond waarop een man met een jas met bontkraag aan bij de betreffende pinautomaat54 te zien is. Getuige heeft verklaard dat zij, op het moment dat de foto te voorschijn werd gehaald, verdachte meteen voor 100 procent herkende.55 Verdachte heeft, nadat hem de foto56 bij de pinautomaat werd getoond, bij de politie verklaard dat die persoon wel verdomd veel op hem lijkt.57 Ter terechtzitting heeft verdachte met betrekking tot de foto van de pintransactie op pagina 162 van het dossier verklaard dat hij nog steeds vindt dat hij er op lijkt.58

De rechtbank overweegt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen het volgende.

Aangeefster heeft de man op de foto's beschikbaar gesteld door het hotel herkend als de man die haar hotelkamer is binnengedrongen. Het door aangeefster opgegeven signalement komt overeen met het signalement van verdachte. De foto's van het hotel zijn voorts in de media verspreid waarna getuige [getuige 1] verdachte heeft herkend. Wat er ook zij van de betrouwbaarheid van de herkenning door [getuige 1], de rechtbank stelt vast dat de persoon op de foto's grote gelijkenis vertoont met verdachte.

Kort nadat de feiten hebben plaatsgevonden, is er op het station te Rotterdam gepoogd met de pinpas van het slachtoffer geld op te nemen. Op de beschikbare fotobeelden staat een man waarvan de verdachte ook ter terechtzitting heeft verklaard daar veel op te lijken. Getuige [getuige 1] heeft op die foto eveneens verdachte herkend. Vervolgens hebben twee verbalisanten onafhankelijk van elkaar de beelden en een foto van verdachte uit het politiebestand vergeleken, waarna zij concludeerden dat de persoon op de beelden verdachte betreft. Ter terechtzitting heeft de rechtbank eveneens enige gelijkenis waargenomen.59

Gelet op het voorgaande alsmede gelet op het feit dat bij verdachte zowel een bonuskaart op naam van aangeefster als het (verpakkings)kaartje behorende bij de simkaart - waarvan is gebleken dat deze in de telefoon van aangeefster is geplaatst en waarvan verdachte heeft toegegeven deze te hebben gekocht - zijn aangetroffen en het feit dat met de telefoon van aangeefster diverse telefoonnummers uit het adressenboekje van verdachte zijn gebeld, welke telefoon verdachte ter zitting heeft bekent in bezit te hebben gehad, maar zonder toe te geven dat hij daarmee ook de betreffende nummers heeft gebeld, in combinatie met het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte op de in de hotelkamer aangetroffen slip van aangeefster, is de rechtbank mede vanwege het korte tijdsverloop van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Hierbij weegt mee dat het door verdachte aangedragen alternatieve scenario (dat hij de telefoon van iemand anders heeft gekregen) niet aannemelijk is geworden. Op belangrijke nadere vragen aangaande van wie, wanneer en hoe hij de telefoon in handen zou hebben gekregen, wilde verdachte geen antwoord geven. Bovendien is deze verklaring weinig geloofwaardig nu verdachte deze eerst ter terechtzitting van 21 maart 2011 heeft aangevoerd, terwijl verdachte dan al langer dan een jaar vastzit. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat onder die omstandigheden verdachte dergelijke belangrijke informatie achter houdt zonder opgaaf van redenen, en dan vervolgens nog altijd niet wil zeggen wie mogelijk dan wel bij de gewelddadige beroving betrokken zou zijn geweest. De rechtbank laat daar dat het dan toevallig ook nog iemand moet zijn geweest die sprekend op verdachte lijkt, terwijl hij stelt het van iemand met een geheel ander uiterlijk te hebben ontvangen zodat er - van de juistheid daarvan uitgaande - nog meer schakels in het toch al korte tijdsbestek van hand tot hand gaan van de telefoon tussen verdachte en dader moeten hebben gezeten.

De rechtbank volgt hierbij de verklaring van aangeefster, en de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3]. De getuigen hebben immers verklaard over de gang van zaken vlak voor en vlak na het gebeuren.

De rechtbank overweegt omtrent de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot verkrachting als volgt.

Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat op het moment dat verdachte naakt met stijve penis bovenop aangeefster lag, hij opeens van aangeefster afging en dat hij haar niet heeft gepenetreerd. Ook uit de overige stukken zijn geen omstandigheden komend van buitenaf gebleken die verdachte hebben doen besluiten de uitvoering te staken. Derhalve is geenszins uit te sluiten (zelfs waarschijnlijk) dat het verdachte zelf is geweest die tot de niet voltooiing van het delict heeft besloten en moet het ervoor gehouden worden dat het misdrijf niet voltooid is ten gevolge van een omstandigheid die van de wil van verdachte afhankelijk was. De rechtbank concludeert dat ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde sprake is van vrijwillige terugtred en dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat op grond van de genoemde bewijsmiddelen in onderling verband beschouwd, wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de hem onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- of taalfouten - de inhoud van de tenlastelegging, zoals hieronder weergegeven, te weten dat:

1.

hij op 11 februari 2010 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Nokia) en geld (te weten ongeveer 200 euro) en twee bankpasjes en een laptop (merk Sony), toebehorende aan [aangeefster], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangeefster], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

-in het gezicht stompen en

-dreigend de woorden toevoegen: "Shut up bitch" en "Turn around bitch", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

-die [aangeefster] de hotelkamer in duwen en

-de tassen van haar schouder trekken/rukken en

-de armen op de rug doen en vervolgens de armen op de rug vastbinden en

-op het bed gooien/duwen van die [aangeefster] en

-stoppen van tissues in de mond van die [aangeefster] en

-de voeten van die [aangeefster] (met kledingstukken) aan elkaar vastbinden en

-die [aangeefster] op de grond gooien/duwen;

2.

hij op 11 februari 2010 te 's-Gravenhage, door geweld en bedreiging met geweld [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit

-het uittrekken van zijn, verdachtes, kleding en

-het uittrekken van kledingstukken van die [aangeefster] en

-het zichzelf aftrekken in bijzijn van die [aangeefster] terwijl die [aangeefster] vastgebonden op bed lag en

-het zeggen tegen die [aangeefster] dat zij haar benen moest spreiden terwijl die [aangeefster] aan de armen vastgebonden op bed lag en

-het met zijn blote lichaam en een stijve penis liggen op die [aangeefster] en bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit

-het die [aangeefster] de hotelkamer in duwen en

-het die [aangeefster] de armen op de rug doen en vervolgens de armen op de rug vastbinden en

-het op het bed gooien/duwen van die [aangeefster] en

-het stoppen van tissues in de mond van die [aangeefster];

3.

hij op 11 februari 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk [aangeefster] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door met dat opzet

- die [aangeefster] een stomp in het gezicht te geven en

- de hotelkamer in te duwen en

- de armen van die [aangeefster] op de rug te doen en vervolgens

- de armen van die [aangeefster] op de rug vast te binden en

- tissues in de mond van die [aangeefster] te stoppen en

- de voeten van die [aangeefster] aan elkaar vast te binden;

4.

hij op 11 februari 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geldbedragen, toebehorende aan [aangeefster], en die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten meermalen telkens onbevoegd met een bankpas op naam van die [aangeefster] met pincode geldopnamen bij een geldautomaat te verrichten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. In het hierna volgende hoofdstuk zal nog worden ingegaan op de vraag of bij verdachte een stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling bestond ten tijde van het delict, maar op deze plaats volstaat de vaststelling dat niet is gebleken van enige mate van ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte.

6. De straf/maatregel

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging op te leggen. De officier van justitie heeft daartoe betoogd dat verdachte aan een stoornis leidt en dat indien de stoornis niet wordt behandeld, verdachte na het ondergaan van een gevangenisstraf opnieuw strafbare feiten zal plegen. Dit maakt de oplegging van TBS met dwangverpleging naar haar mening noodzakelijk.

De officier van justitie heeft aangegeven dat, indien de rechtbank geen TBS oplegt, zij een gevangenisstraf van 6 jaar passend vindt. Daarbij acht zij het in dat geval wenselijk dat in het vonnis wordt opgenomen dat in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling alsnog wordt geprobeerd een onderzoek te doen naar de geestesvermogens van verdachte.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich uitgesproken tegen oplegging van de maatregel TBS met dwangverpleging aan verdachte, omdat er geen enkele uitspraak kan worden gedaan over een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens van verdachte. Bovendien volgt juist uit de diverse rapportages dat verdachte de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ook noemt de raadsvrouw een aantal rechterlijke uitspraken waar de TBS-maatregel een te zware sanctie werd gevonden.

De raadsvrouw verzoekt daarom, mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring, een gevangenisstraf op te leggen, waarvan een groot deel voorwaardelijk met daaraan een proeftijd langer dan twee jaar en reclasseringscontact verbonden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en aanranding van [aangeefster]. Hij heeft haar hiertoe wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd en beroofd gehouden door haar in haar hotelkamer vast te binden. Een dergelijk handelen is zeer ernstig, waarbij het slachtoffer zich uiterst vernederende en ook pijnlijke handelingen heeft moeten laten welgevallen. Aldus is op bijzonder grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Uit de slachtofferverklaring van [aangeefster] blijkt dat zij nog steeds wordt geconfronteerd met de nadelige gevolgen van deze ernstige traumatiserende gebeurtenis. Ook heeft verdachte geprobeerd bankopnames te doen met de bankpas van [aangeefster].

Al deze feiten heeft verdachte gepleegd, nadat hij niet was teruggekeerd na een tweede weekendverlof tijdens detentie.

Het baart de rechtbank ernstige zorgen dat dit verdachte er niet van heeft weerhouden zulke ernstige feiten te plegen. Die zorg omtrent verdachtes criminele instelling wordt voorts gevoed door het uittreksel Justitiële Documentatie van 18 februari 2010 betreffende verdachte. Daarop staan immers eerdere veroordelingen tot langdurige gevangenisstraffen voor het herhaaldelijk plegen van gewelddadige vermogensdelicten, telkens begaan kort na op vrije voeten te zijn gekomen.

De rechtbank kan niet anders dan constateren dat verdachte zich aan al deze straffen, en aan de in het kader daarvan aan hem geboden hulp, niets gelegen heeft laten liggen. Verdachte wil of kan kennelijk niet leren van zijn fouten uit het verleden. In dit licht bezien is er geen ruimte voor de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is een gepaste reactie.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte ter beschikking dient te worden gesteld en van overheidswege dient te worden verpleegd, zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Omdat verdachte niet mee wilde werken aan ambulante Pro Justitia onderzoeken naar zijn persoonlijkheid heeft hij op last van de rechtbank en in het kader van deze strafzaak van 17 november 2010 tot en met 5 januari 2011 verbleven in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). Daar is eveneens getracht een onderzoek naar zijn geestesvermogens te verrichten. Uit het rapport, gedateerd 15 februari 2011, opgesteld door A.C. Bruijns, psychiater, en B. van Giessen, klinisch psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, blijkt echter dat verdachte ook daar niet mee heeft willen werken en dat hij dient te worden aangemerkt als een weigerachtige observandus als bedoeld in artikel 37a, derde lid, juncto artikel 37, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

In dat geval dient er zoveel mogelijk informatie te worden vergaard over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een terbeschikkingstelling. Nu verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek in het PBC en gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten en het strafblad van verdachte heeft de rechtbank eerder opgemaakte rapporten over verdachte bij de beoordeling betrokken. Hieruit blijkt dat verdachte sinds 1993 in verschillende orthopedagogische instituten verbleef in verband met ernstige gedragsproblemen in de vorm van "liegen, bedriegen en sterk lust- en zelfbepalend gedrag". In 1999 verbleef verdachte in De Beele, een orthopedagogisch instituut bestemt voor jongeren met een licht verstandelijke handicap, in combinatie met gedrags- of ontwikkelingsstoornissen. Verdachte heeft na 2002 niet meer meegewerkt aan psychiatrisch of psychologisch onderzoek. Wel zijn er meerdere rapportages betreffende verdachte opgemaakt. Op grond van de in het dossier aanwezige rapportages stelt de rechtbank vast dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde misdrijven leed aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Ook zijn er sterke aanwijzingen voor het bestaan van een ziekelijke stoornis. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

Ten aanzien van verdachte is in het kader van een eerdere strafzaak tegen hem door drs. A. Boschman, pedagoog NVO/GZ-psycholoog, en drs. I. Schilperoord, psycholoog, een onderzoek naar de geestesvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek is een rapport, gedateerd 1 oktober 2001, opgemaakt. Uit het psychologisch onderzoek is een gebrekkige ontwikkeling vastgesteld in de zin van zwakbegaafdheid en een zwak gestructureerde persoonlijkheid, zich uitend in een negatief zelfbeeld, hiaten in de impulsrelatie, een gebrek aan controle over het eigen gedrag en de emoties en primitieve afweermechanismen. Wanneer de externe structuur wegvalt, vervalt verdachte al snel tot passief, somber en (zelf)destructief gedrag. Voorts vermeldt het rapport dat verdachte een intensieve vorm van behandeling behoeft, teneinde hem te leren de controle op zijn gedrag te vergroten om zo de kans op recidive terug te dringen. De psychiater van het PBC heeft opgemerkt dat wanneer kennis wordt genomen van de gedragsproblemen in de jeugd van verdachte er sprake lijkt te zijn geweest van een gedragsstoornis beginnend voor het tiende levensjaar.

De rechtbank stelt vast dat verdachte sedertdien geen blijk heeft gegeven een ontwikkeling ten positieve door te hebben gemaakt, althans is zulks door de stelselmatige weigering van verdachte mee te werken aan rapportages niet geconstateerd, en laat zijn delictenpatroon waarbij hij zeer snel (binnen weken of enkele maanden) recidiveert na op vrije voeten te zijn gesteld, overduidelijk het tegendeel zien.

Uit het Pro Justitia rapport van A.D. Haverkamp, psychiater, van 11 juli 2003, blijkt dat verdachte niet met de psychiater wilde spreken. Op basis van de hem beschikbare informatie, concludeert de psychiater dat verdachte aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling lijdt.

In het kader van het beëindigen van de detentie van verdachte met betrekking tot een veroordeling in 2007 tot een gevangenisstraf van zes jaar is door het Centrum voor Consultatie en Expertise (hierna: CCE) een advies opgesteld. Vanuit de rapportage van het CCE van 28 januari 2010 komt naar voren dat verdachte in 1999 is gediagnosticeerd als op zwakbegaafd niveau functionerend, met daarnaast ADHD problematiek. De rechtbank maakt verder op uit het advies van het CCE dat de kans op recidive op dat moment als zeer groot werd beschouwd, waarbij het in de lijn der verwachting lag dat verdachte opnieuw in de problemen zou komen.

Door de weigering tot medewerking van verdachte kan het PBC onderschrijven noch weerleggen de in het verleden dikwijls geconstateerde zwakbegaafdheid van verdachte. Ook kon het PBC geen onderzoek doen naar mogelijke niet aangeboren hersenafwijkingen of naar middelengebruik. Het PBC concludeert aan de hand van de voorgaande rapporten wel dat bij betrokkene een beeld naar voren komt van ernstige gedragsproblemen die al voor het tiende levensjaar zijn ontstaan en dat dit als een gedragsstoornis kan worden gekwalificeerd, die niet toegankelijk is gebleken voor therapeutische interventies.

Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies. Bij verdachte is reeds verscheidene malen een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van zwakbegaafdheid geconstateerd, waarvan algemeen bekend moge zijn dat deze blijvend van aard is. De omstandigheid dat gedragskundigen deze stoornis niet ook thans hebben kunnen vaststellen, is naar het oordeel van de rechtbank te wijten aan verdachte's weigering zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek. De rechtbank ziet zich in haar oordeel dat bij verdachte in ieder geval sprake is van een gebrekkige ontwikkeling gesteund door de bevindingen van de deskundige dr. R.A.R. Bullens die in zijn Pro Justitia rapportage van 16 augustus 2010 heeft geconcludeerd dat - uitgaande van de juistheid van eerdere rapporten - er bij verdachte zeer waarschijnlijk sprake is van een gebrekkige ontwikkeling, gezien het zwakbegaafde niveau van intellectueel functioneren. Tevens heeft Bullens aangegeven dat het bij zwakbegaafdheid gaat om een situatieonafhankelijk persoonskenmerk en bij verdachte daarom blijvend sprake zal zijn van een gebrekkige ontwikkeling. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte thans en ten tijde van het bewezenverklaarde feit leidt aan een gebrekkige ontwikkeling.

Verder is duidelijk dat verdachte reeds sinds zijn vroege jeugd kampt met ernstige gedragsproblemen, die volgens het PBC als een gedragsstoornis kunnen worden bestempeld, die niet door de geboden zorg is verholpen. Voorts heeft de deskundige dr. R.A.R. Bullens aangegeven dat de in 1999 bij verdachte gestelde diagnose ADHD een ziekelijke stoornis is, die zou kunnen samenhangen met Niet Aangeboren Hersenletsel (een ongeval op vierjarige leeftijd). Of ten tijde van het ten laste gelegde nog sprake is van een ziekelijke stoornis is nader neurologisch onderzoek geïndiceerd. Mede omdat het wettelijk niet nodig is om naast de gebrekkige ontwikkeling tevens een ziekelijke stoornis vast te stellen, houdt de rechtbank het er thans voor dat hoewel zo een stoornis bij verdachte buitengewoon waarschijnlijk is deze in het kader van deze procedure nog niet wordt vastgesteld, ook al heeft de officier van justitie ter zitting een groot aantal kenmerken als behorend bij verdachte opgesomd die lijken te kunnen passen bij een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

De ernst van de begane feiten, de omstandigheid dat verdachte zich in het verleden - vaak korte tijd nadat verdachte vrij komt - veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan geweldadige berovingen en in deze zaak zelfs tijdens onttrekking aan een proefverlof, de door deskundigen in het (recente) verleden getrokken conclusies dat de kans op recidive als hoog wordt geschat, alsook het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van verdachte heeft gekregen, brengen voor de rechtbank met zich mee dat er ernstig rekening mee dient te worden gehouden dat verdachte - indien behandeling achterwege blijft - in de toekomst opnieuw zal overgaan tot het plegen van ernstige en gewelddadige strafbare feiten. De rechtbank neemt in het bijzonder in aanmerking dat verdachte - voor zover bekend - in deze zaak voor het eerst agressief seksueel gedrag heeft vertoond. Hieruit valt een toename in de ernst van de door verdachte begane delicten op te maken. Gelet op het voorgaande moet verdachte (mede) als gevolg van zijn gebrekkige ontwikkeling worden gezien als een gevaar voor de veiligheid van personen. De bescherming van de veiligheid van de maatschappij noodzaakt daarom het opleggen van TBS met dwangverpleging. Ook hier vindt de rechtbank steun in de bevindingen van Bullens die aangeeft dat de omstandigheid dat langdurige intramurale opnames in het verleden weinig soelaas hebben geboden een aanwijzing vormt dat verdachte een nog intensievere behandeling nodig heeft.

Gelet op bovenstaande zal de rechtbank naast een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, de maatregel van TBS met dwangverpleging opleggen, nu de door verdachte begane feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens bestond en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, het opleggen van deze maatregel eist.

De rechtbank zal aan verdachte een minder lange gevangenisstraf opleggen dan als geëist door de officier van justitie nu zij het van belang acht dat verdachte op korte termijn aan zijn behandeling kan beginnen.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster], wonende aan de [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.812,50.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.812,50 met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, nu zij van mening is dat verdachte van de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade met een totaal bedrag van € 812,50 (de posten 1, 2, 3 en 7, 8, 9 en 10), is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 3.500, - toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.312,50.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 11 februari 2010 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.312,50, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 februari 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

24c, 36f, 37a, 45, 57, 246, 282, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van feit 4:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast voorts de terbeschikkingstelling van verdachte;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [aangeefster], wonende aan de [adres], een bedrag van € 4.312,50, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 februari 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.312,50 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster], wonende aan de [adres];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 53 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. G.M.G. Hink, voorzitter,

E.F. Brinkman en A. Dantuma-Hieronymus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Verkijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2011.

1 Het schriftelijk requisitoir van de officier van justitie, welke aan de voorzitter is overgelegd en waarvan de inhoud aan het proces-verbaal ter terechtzitting zal worden ingelast.

2 De pleitnotitie van de raadsvrouw van verdachte, welke aan de voorzitter is overgelegd en waarvan de inhoud aan het proces-verbaal ter terechtzitting zal worden ingelast.

3 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal alsmede geschriften, als bijlagen opgenomen bij het dossier met de nummers PL1521 2010034387-1 (doorgenummerd p. 1-79); PL15J2 2010031224-1 (doorgenummerd p. 80-172); PL15J2 2010031224-1 (doorgenummerd p. 173-197); PL15J2 2010031224-1 (doorgenummerd p. 198-220).

4 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 11 februari 2010, p. 38-39.

5 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 11 februari 2010, p. 39.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 2], 12 februari 2010, p. 50-51.

7 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 11 februari 2010, p. 39.

8 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 11 februari 2010, p. 41.

9 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 12 februari 2010, p. 45.

10 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 11 februari 2010, p. 42.

11 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 12 februari 2010, p. 45.

12 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 3 maart 2010, p. 96.

13 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 11 februari 2010, p. 42.

14 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 11 februari 2010, p. 42.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige, 11 februari 2010, p. 54.

16 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [aangeefster], d.d. 15 februari 2010, p. 101.

17 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 11 februari 2010, p. 43.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 120

19 Proces-verbaal van bevindingen, 12 februari 2010, p. 120 + foto's p. 122-123.

20 Eigen waarneming van de rechtbank, zoals gedaan ter terechtzitting van 21 maart 2011.

21 Proces-verbaal van bevindingen, 12 februari 2010, p. 120 + foto's p. 122-123.

22 Foto, p. 68-70.

23 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 12 februari 2010, p. 46.

24 Foto, p. 71-72.

25 Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 12 februari 2010, p. 46.

26 Proces-verbaal van bevindingen, 16 februari 2010, p. 62.

27 Proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 1], p. 63; Proces-verbaal relaas, 18 februari 2010, p. 9.

28 Foto politiebestand, p. 67 (als bijlage bij: Proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 1], p. 65).

29 Proces-verbaal van bevindingen, 16 februari 2010, p. 61; Proces-verbaal van bevindingen, 16 februari 2010, p. 62.

30 Proces-verbaal van bevindingen, 16 februari 2010, p. 62.

31 Proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 1], p. 64; Foto politiebestand, p. 67 (als bijlage bij: Proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 1], p. 65).

32 Proces-verbaal van aanhouding, 16 februari 2010, p. 16-17.

33 Proces-verbaal van bevindingen, p.130-135.

34 Spoor Identificatie Nummer: AACJ0602NL, zie Proces-verbaal van bevindingen, 29 maart 2010, p. 132.

35 Een geschrift, te weten een rapport van het NFI, Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, d.d. 18 mei 2010, p. 180-188: p. 185 (berekende frequentie DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard).

36 Een geschrift, te weten een rapport van het NFI, Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, d.d. 18 mei 2010, p. 180-188: p. 187 (over de wetenschappelijke bewijswaarde van de vastgestelde match kan geen getalsmatige uitspraak worden gedaan).

37 Proces-verbaal van bevindingen, 18 februari 2010, p. 107 en Proces-verbaal van bevindingen, 2 maart 2010, p. 109.

38 Eigen verklaring verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 21 maart 2011.

39 Losse foto van het in beslag genomen simkaart-pakktje in het dossier: te zien is: [nummer].

40 Eigen verklaring verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 21 maart 2011.

41 Proces-verbaal van bevindingen, 23 februari 2010, p. 108 en Proces-verbaal van bevindingen, 20 september 2010, p. 202-203, met bijlagen; imeinummer: 359547012548030.

42 Proces-verbaal van bevindingen, 23 februari 2010, p. 108 en Proces-verbaal van bevindingen, 20 september 2010, p. 202-203, met bijlagen, p. 204.

43 Proces-verbaal relaas, 14 oktober 2010, p. 200; adressenboekje, p. 163-172.

44 Proces-verbaal van bevindingen, verhoor verdachte, 26 februari 2010, p. 93.

45 Proces-verbaal van bevindingen, 20 september 2010, p. 202-203, met bijlagen.

46 Proces-verbaal van bevindingen, 23 februari 2010, p. 108.

47 Proces-verbaal relaas, 27 mei 2010, p. 84; Proces-verbaal relaas, 14 oktober 2010, p. 200; Bijlagen, p. 214-216.

48 Proces-verbaal van bevindingen, verhoor verdachte, 26 februari 2010, p. 92 en 93.

49 Proces-verbaal van bevindingen, verhoor verdachte, 26 februari 2010, p. 92.

50 Eigen verklaring verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 21 maart 2011.

51 Proces-verbaal van bevindingen, 10 augustus 2010, p. 189; Proces-verbaal van aangifte, [aangeefster], 12 februari 2010, p. 45 (Het nummer van mijn ABN AMRO rekening is [nummer]).

52 Een geschrift, te weten een faxbericht (p.191), als bijlage gevoegd bij het Proces-verbaal van bevindingen, 10 augustus 2010, p. 189.

53 Een geschrift, te weten een e-mail (p.195), als bijlage gevoegd bij het Proces-verbaal van bevindingen, 10 augustus 2010, p. 189.

54 Foto pintransacties, p. 66 (als bijlage bij: Proces-verbaal van verhoor getuige, H. [getuige 1], p. 65).

55 Proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 1], p. 64.

56 Foto's, p. 159-162; zie Proces-verbaal relaas, p. 86, onderaan de pagina.

57 Proces-verbaal van verhoor verdachte, 18 februari 2010, p. 32.

58 Eigen verklaring verdachte, zoals gedaan ter terechtzitting van 21 maart 2011.

59 Eigen waarneming van de rechtbank, zoals gedaan ter terechtzitting van 21 maart 2011.