Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9779

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
AWB 11/6251 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Volgberoep vreemdelingenbewaring. Ongedocumenteerde Libiër verzoekt om opheffing vreemdelingenbewaring na een toezegging van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer dat voorlopig geen Libiërs zullen worden uitgezet naar Libië. Verweerder wijst het verzoek af en ziet de huidige situatie in Libië als een tijdelijke uitzettingsbelemmering. De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel zich er tegen verzet om uit te gaan van Libische consulaire autoriteiten die een laissez-passer kunnen uitgeven dat daadwerkelijk zal leiden tot toelating van de vreemdeling tot Libië, nu het regime-Kadhafi niet langer het staatsgezag uitoefent in geheel Libië. Onder deze omstandigheden bestaat geen reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Beroep gegrond, opheffing bewaring en toekenning schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 11/6251 VRONTN

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

beroep vrijheidsontnemende maatregel

in het geding tussen

[A], V-nummer [nummer], thans verblijvende in het Detentiecentrum Zeist te Soesterberg, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. L.J. Meijering, advocaat te Utrecht,

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

I PROCESVERLOOP

De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1980 en de Libische nationaliteit te hebben.

Op 22 februari 2011 heeft de vreemdeling een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Het beroep is gericht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die verweerder bij besluit van 1 februari 2011 de vreemdeling heeft opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

De openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 4 maart 2011.

De vreemdeling heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.M. Sidler.

II OVERWEGINGEN

1 De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 18 februari 2011.

Derhalve staat thans ter beoordeling of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is.

2 De vreemdeling heeft aangevoerd dat de rechtbank bij uitspraak van 18 februari 2011 de vreemdelingenbewaring rechtmatig heeft geoordeeld. Op 20 februari 2011 is in Libië een opstand uitgebroken, die tot op heden voortduurt. Op 23 februari 2011 heeft minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken tijdens een spoedoverleg met de Tweede Kamer toegezegd dat uitgeprocedeerde asielzoekers uit Libië nu niet naar Libië zullen worden uitgezet. De woordvoerder van verweerder heeft erop gewezen dat het onder de huidige omstandigheden praktisch onmogelijk is om Libiërs uit te zetten naar Libië. Verweerders ministerie bekijkt van dag tot dag hoe de situatie in Libië zich ontwikkelt.

De vreemdeling heeft verweerder daarop bij brief van 23 februari 2011 verzocht zijn bewaring op te heffen.

Verweerder heeft het verzoek om opheffing op 24 februari 2011 afgewezen, omdat de vreemdeling op 18 maart 2011 zal worden gepresenteerd bij de Libische autoriteiten in Den Haag.

Op 1 maart 2011 heeft de vreemdeling een asielaanvraag gedaan, welke op 7 maart 2011 in behandeling zal worden genomen.

De vreemdeling heeft betoogd dat de bewaring op 24 februari 2011 onrechtmatig is geworden wegens strijd met artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn en/of de Vreemdelingenwet 2000.

Voorts is betoogd dat geen reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat (er kunnen immers voorlopig geen uitzettingen naar Libië plaatsvinden), terwijl verweerders handelen ter uitzetting van de vreemdeling niet als doelmatige uitzettingshandelingen kunnen worden aangemerkt (zij kunnen immers voorshands niet leiden tot een daadwerkelijke uitzetting).

Ook een afweging van alle bij de bewaring van de vreemdeling betrokken belangen zou bij de huidige stand van zaken tot een opheffing van de bewaring moeten leiden. In dat kader heeft de vreemdeling een beroep gedaan op artikel 3 EVRM en artikel 15c van de Definitierichtlijn.

Tenslotte is aangevoerd dat het momenteel psychisch erg slecht gaat met de vreemdeling en dat deze lijdt onder de omstandigheid dat hij vanuit vreemdelingenbewaring geen contact kan onderhouden met zijn familieleden in Libië en niet weet hoe het met hen gaat.

3 Verweerder heeft de rechtbank schriftelijk inlichtingen verstrekt inzake zijn handelen strekkend tot uitzetting van de vreemdeling uit Nederland. Verweerder heeft voorts ter zitting gemotiveerd betoogd dat er nog steeds voldoende zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat. De Libische vertegenwoordiging in Den Haag is nog steeds open en de afspraak voor de presentatie op 18 maart 2011 is niet geannuleerd. Vanwege het feit dat de vreemdeling onlangs een asielaanvraag heeft gedaan zal hij echter op die datum niet worden gepresenteerd, omdat er dan nog niet zal zijn beslist op zijn asielaanvraag.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat thans sprake is van een tijdelijke uitzettings- belemmering en dat een verbetering van de situatie in Libië, die door de regering van dag tot dag wordt gevolgd, kan leiden tot hervatting van de uitzetting van Libiërs naar Libië. Verweerder is daarom van oordeel dat de bewaring van de vreemdeling kan voortduren.

De Procedurerichtlijn leidt ertoe dat het beroep van de vreemdeling op artikel 3 EVRM en artikel 15c van de Definitierichtlijn bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt betrokken. Dit aspect kan in dit beroep niet worden betrokken.

4 De rechtbank is van oordeel dat voortzetting van de bewaring van de vreemdeling vanaf 24 februari 2011 niet langer rechtmatig is. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.1 Zolang diplomatieke betrekkingen bestaan tussen Nederland en Libië heeft verweerder de mogelijkheid vreemdelingen die aangeven de Libische nationaliteit te bezitten bij de consulaire afdeling van de Libische ambassade in Den Haag te presenteren ter verkrijging van een laissez-passer. Vastgesteld moet worden dat beide landen niet hebben besloten tot sluiting van de ambassade in het andere land. Het is echter zeer de vraag in hoeverre de Libische consulaire autoriteiten in Den Haag nog daadwerkelijk staatsgezag kunnen uitoefenen waar het gaat om de afgifte van reisdocumenten voor de terugkeer van ongedocumenteerde Libiërs naar Libië. Bij de rechtbank bestaan ernstige twijfels ten aanzien van een bevestigende beantwoording van deze vraag. Daarbij neemt zij in aanmerking dat niet valt uit te sluiten dat Libische diplomaten in Den Haag, afhankelijk van de verdere ontwikkelingen in hun land, op enig moment hun functie zullen neerleggen. Bij de huidige stand van de ontwikkelingen in Libië bestaat bij de rechtbank voorts ernstige twijfel aan de waarde van een afgegeven laissez-passer voor de vreemdeling, zo daartoe zou worden overgegaan.

4.2 In het volkenrecht geldt als uitgangspunt dat de vriendschappelijke relaties tussen autonome staten worden geregeerd door het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit geldt dus ook voor de contacten tussen de Staat der Nederlanden en andere bevriende mogendheden ter zake van de presentatie en uitzetting van vreemdelingen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel leidt er in deze context toe dat vreemdelingen van wie is vastgesteld dat zij beschikken over de nationaliteit van het land, bij de consulaire autoriteiten waarvan zij worden gepresenteerd, daadwerkelijk kunnen terugkeren en zullen worden toegelaten tot het grondgebied van het land waarvan zij de nationaliteit bezitten. Dat veronderstelt dat sprake is van diplomatieke betrekkingen tussen autonome staten, die in hun land daadwerkelijk staatsmacht uitoefenen en dus kunnen instaan voor de daadwerkelijke toelating van hun eigen onderdanen. Tevens dient duidelijk te zijn dat documenten als een laissez-passer bij de inreis van de vreemdeling in het land van herkomst door de grensautoriteiten worden erkend en zijn daadwerkelijke toelating mogelijk maken.

4.3 De rechtbank stelt vast dat de Libische autoriteiten niet langer daadwerkelijk staatsmacht uitoefenen over het grondgebied van geheel Libië. Grote delen van dat land zijn de facto in handen van het Libische volk, dat in opstand is gekomen tegen het regime van kolonel Kadhaffi. Voorts zijn de minister van Justitie en van Binnenlandse Zaken van Libië afgetreden, waarbij zij zich hebben gekeerd tegen genoemd regime. Hetzelfde geldt voor een aantal Libische diplomaten, onder meer de permanente Libische vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties in New York.

De situatie in Libië ontwikkelt zich snel in de richting van een burgeroorlog, waarin het volk gewapend verzet pleegt tegen regeringsgetrouwe troepen en huurlingen van het regime Kadhafi. In de internationale gemeenschap worden sancties voorbereid tegen Libië en worden maatregelen voorbereid die bevorderlijk zijn voor het ten val komen van genoemd regime (reisbeperkingen, bevriezen van buitenlandse banktegoeden e.d.).

4.4 Gegeven de vele onzekerheden als in het voorgaande overwogen en de onduidelijkheid over de verdere ontwikkelingen ten aanzien van het overheidsgezag in Libië en het tijdsbeslag dat nodig is voor een stabilisering van de situatie aldaar stelt de rechtbank vast dat er thans geen reëel zicht meer bestaat op uitzetting van de vreemdeling binnen een redelijke termijn. Nu het kabinet bij monde van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer heeft toegezegd dat voorlopig geen uitzettingen naar Libië zullen plaatsvinden, is de rechtbank van oordeel dat de bewaring van de vreemdeling vanaf

24 februari 2011 onrechtmatig voortduurt.

5 Nu de bewaring van de vreemdeling onrechtmatig voortduurt is het beroep gegrond en dient de maatregel met ingang van heden te worden opgeheven.

Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 8 x € 80,-- = € 640,--.

De rechtbank ziet tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,-- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en wijst een schadevergoeding toe, groot € 640,- ten laste van verweerder, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,--, welke kosten verweerder aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. J.W.H.B. Sentrop, in tegenwoordigheid van de griffier

drs. F.J.M. van den Berg.

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.