Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9765

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
AWB 11/1802 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning tijdelijk bouwwerk. Voorbereidende werkzaamheden. Geen onlosmakelijke samenhang met rest van het project. Mogelijke tekorten besluitvorming naar verwachting in bezwaar herstelbaar. Belangenafweging schorsingsverzoek.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.2
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.5
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.7
Wet ruimtelijke ordening
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/202 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
M en R 2011/145 met annotatie van Van den Broek
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4949
JOM 2012/372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1

Reg.nr.: AWB 11/1802 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[A], en een viertal anderen, wonende en gevestigd te [plaats], verzoekers,

ten aanzien van het besluit van 20 januari 2011 van burgemeester en wethouders van Den Haag / Directie Bouwen, Toezicht en Dienstverlening, verweerder.

Derde partij: Gemeente Den Haag, Dienst Stadsbeheer, gevestigd te Den Haag, vergunninghouder.

I ZITTING

Bij besluit van 20 januari 2011 heeft verweerder een gevraagde omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van twee kabels- en leidingsbruggen ter hoogte van Noordwal/Veenkade tegenover nr 27 en Tousssaintkade tegenover nr 3, te Den Haag, ten behoeve van het terugbrengen gracht met bruggen ondergrondse parkeergarage voor een periode van twee jaar met de daarbij behorende gewaarmerkte twee tekeningen en drie foto's.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 16 februari 2011 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 17 februari 2011 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het verzoek is op 3 maart 2011 ter zitting behandeld.

Namens alle verzoekers is verschenen verzoeker [B].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C], bijgestaan door

[D] en [E].

II OVERWEGINGEN

De voorzieningenrechter kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor een beslissing in beroep.

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wabo zijn op diezelfde datum diverse bepalingen van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en de Woningwet (Wow) gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning dateert van na 1 oktober 2010, zijn in dit geval de bepalingen van de Wabo, de Wro en de Wow van toepassing zoals deze sedert 1 oktober 2010 luiden.

Verzoekers, zijnde bewoners en ondernemers met zicht op de vergunde bouwwerken, stellen dat de vergunning ten onrechte niet als gefaseerde omgevingsvergunning is verleend dan wel in strijd met het bepaalde in artikel 2.7, lid 1, van de Wabo ten onrechte niet is gezien als ondeelbaar ten opzichte van de rest van de betrokken handeling, te weten de realisatie van een parkeergarage VAB aldaar. Voorts stellen verzoekers dat ten onrechte een reguliere voorbereidingsprocedure is doorlopen, in plaats van een uitgebreide voorbereidings-procedure. Verder stellen verzoekers dat voor wat betreft de realisatie van de parkeergarage VAB ten onrechte geen rekening is gehouden met het bestemmingsplan "Rond de Sint Jacob", de verandering van de bestemming en het feit dat sprake is van een Rijksstadsgezicht, en voorts dat ten onrechte geen monumentenvergunning is verleend, en dat ten onrechte een Welstands- en Monumentencommissieadvies ontbreekt. Tot slot voeren verzoekers aan dat verweerder ten onrechte de agenda van de voornoemde commissie niet in de wijkkrant heeft gepubliceerd en verweerder met het plan tot realisatie van de parkeergarage VAB onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de omwonenden en ten onrechte daarbij geen financiële regeling heeft getroffen voor de ondernemers in de omgeving van het project.

Verzocht wordt daarom de werkzaamheden die vergund zijn te schorsen en indien schorsing niet mogelijk is verweerder te verplichten een behoorlijke financiële regeling te treffen voor de betrokken ondernemers.

Vooreerst overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekers als bewoners en betrokken ondernemers een spoedeisend belang hebben bij hun verzoek omdat de bouw met de verleende vergunning mogelijk is geworden en inmiddels is begonnen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een gefaseerde omgevingsvergunning ingevolge het bepaalde in artikel 2.5, lid 1, van de Wabo, op verzoek wordt verleend. Vaststaat dat in deze geen dergelijke gefaseerde omgevingsvergunning is gevraagd, zodat niet geoordeeld kan worden dat verweerder ten onrechte niet een dergelijke omgevingsvergunning heeft verleend. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat naar zijn voorlopig oordeel in deze geen strijd optreedt met het bepaalde in artikel 2.7, lid 1, van de Wabo. De omgevingsvergunning is als deelvergunning aangevraagd en verleend. Dit is strijdig met het bepaalde in voornoemde bepaling indien sprake is van één feitelijke handeling die onder meerdere vergunningscategorieën als genoemd in artikel 2.1 lid 1 en artikel 2.2 van de Wabo kan worden geschaard. Immers dan moet geoordeeld worden dat de vergunningaanvrager ten onrechte geen betrekking heeft op alle van toepassing zijnde categorieën. Blijkens de wetsgeschiedenis (TK II 2006/07, 30 844, nr. 3, p. 93) is sprake van één feitelijke handeling indien de activiteiten onlosmakelijke samenhang vertonen.

In het voorliggende geval begrijpt de voorzieningenrechter verzoekers zo dat zij betogen dat de realisatie van de parkeergarage VAB één feitelijke handeling betreft waarmee de vergunde twee kabel- en leidingbruggen een onlosmakelijke samenhang vertonen. Die conclusie wordt door de voorzieningenrechter niet gevolgd. De vergunde twee kabel- en leidingbruggen zijn weliswaar ten behoeve van de realisatie van de werkzaamheden in het kader van een te realiseren parkeergarage VAB, maar ze zijn er niet onlosmakelijk aan verbonden. De handeling van de realisatie van de twee bruggen kan als zelfstandige handeling worden gezien. De twee bruggen kunnen - feitelijk bezien - worden gerealiseerd zonder de rest van het plan (parkeergarage VAB) ooit uit te voeren.

Het bouwplan voorziet - als eerder gesteld - in het tijdelijk (voor de duur van 2 jaar) plaatsen van twee kabels- en leidingsbruggen ter hoogte van Noordwal/Veenkade tegenover nr 27 en Tousssaintkade tegenover nr 3, te Den Haag, ten behoeve van het terugbrengen gracht met bruggen ondergrondse parkeergarage.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen strijd is met de vigerende bestemmingsplannen. Blijkens een bijlage bij het bestreden besluit (Bijlage E6) heeft verweerder oorspronkelijk geoordeeld dat in deze alleen de bestemming "Water" als genoemd in het bestemmingsplan "Westeinde e.o." in het geding was. Blijkens het verhandelde ter zitting stelt verweerder thans dat er drie bestemmingsplannen betrokken zijn bij de twee vergunde bouwwerken, naast het al genoemde plan ook het plan "Zeeheldenbuurt" en "St. Jacobskerk e. o.". Feitelijk wordt volgens verweerder alleen gebouwd in de bestemmingen "Water" van de bestemmingsplannen "Westeinde e.o." en "St. Jacobskerk e.o.", omdat het bouwwerk alleen beperkt (0,5 meter) oversteekt op de walkant.

Blijkens het verhandelde ter zitting is discussie mogelijk - nu de constructie voorziet in een verbinding met de nutsleidingen die op de walkant vervolgens ondergronds verdwijnen - over de vraag of de aan de bestemmingen "Water" grenzende bestemmingen niet evenzeer bezien moeten worden bij de vergunning van het voorliggende bouwplan.

Als van die noodzaak wordt uitgegaan - en de voorzieningenrechter heeft geen zekerheid verkregen dat dit niet het geval is - zijn voor de beoordeling van de aanvraag mede relevant de bestemmingen "Hoofdverkeersweg" en "Verblijfsstraat" van het bestemmingsplan "St. Jacobskerk e.o." en de bestemmingen "Verkeer -2", "Waarde-Archeologie" en Waarde-Cultuurhistorie" van het bestemmingsplan "Westeinde e.o.".

Deze bestemmingen zijn bij de vergunningverlening als gesteld niet beoordeeld. Wel is verweerder van oordeel dat indien deze bestemmingen inderdaad ten onrechte niet zijn beoordeeld, zij geen belemmering zullen zijn voor handhaving van de omgevingsvergunning. Daartoe is door verweerder ter zitting verklaard dat de bestemmingen weliswaar op een aantal punten een binnenplanse vrijstelling nodig maken, maar dat verweerder verwacht dat dit in bezwaar kan worden gerepareerd. Daarbij spreekt verweerder de verwachting uit dat er geen sprake zal blijken te zijn van een onevenredige afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsgezicht (als genoemd in de betreffende planbepalingen), gezien de tijdelijke aard van de bouwwerken. Tot slot in dit verband heeft verweerder betoogd dat geoordeeld is dat geen aanlegvergunningen als genoemd in artikel 20 en 21 van de planbepalingen van het bestemmingsplan "Westeinde e.o." nodig zijn, maar dat ook op dat aspect twijfel kan rijzen gelet op de aard van het bouwwerk. In bezwaar kan dit volgens verweerder nader worden bezien en zonodig gerepareerd, omdat juist op het vlak van de archeologische waarden (vide artikel 20.2 onder c, van de betrokken planbepalingen) door verweerder al de nodige rapportage is ontvangen. Ook op het vlak van de cultuurhistorische waarden (vide artikel 21.3 onder c, van de betrokken planbepalingen) verwacht verweerder zonodig herstelruimte, omdat sprake is van tijdelijke bouwwerken. Tot slot heeft verweerder in dit verband gewezen op het bepaalde in artikel 25, ten eerste onder f, van de planbepalingen van het bestemmingsplan "Westeinde e.o." waarbij een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid is voorzien die een verruiming geeft van de in artikel 23, onder g, van deze planbepalingen voorziene toestemming voor bouwen van nutsvoorzieningen, weten tot een oppervlakte van 30m2 in plaats van tot 15 m2. Blijkens verklaring van verweerder ter zitting zijn in deze bouwwerken van 12 en 18m2 vergund met een hoogte van 1,74 m boven het waterpeil.

Uitgaande van verweerders oorspronkelijke vertrekpunt, dat alleen de bestemmingen "Water" van de bestemmingsplannen Westeinde e.o." en "St. Jacobskerk e.o." van toepassing zijn dient overigens te worden opgemerkt dat de betreffende planbepaling van laatstgenoemd bestemmingsplan (neergelegd in artikel 32) spreekt van een maximale hoogte van andere bouwwerken van 1,20 m. Onduidelijk is gebleven hoe de eerder genoemde hoogte van het vergunde bouwwerk daaraan gerelateerd moet worden (water als peil of walkant als peil of nog een andere insteek).

Al met al stelt de voorzieningenrechter vast dat in bezwaar diverse aspecten nader zullen moeten worden bezien. Met dat uitgangspunt ligt de vraag voor of naar verwachting na bezwaar het bestreden besluit zonder onrechtmatigheid in stand zal kunnen blijven. Als die verwachting beperkt is kan bij weging van de betrokken belangen reden ontstaan de gevraagde voorziening te treffen, zoals een schorsing van de vergunning tot de beslissing op bezwaar. Desgevraagd heeft verweerder verklaard een belang te hebben bij het niet treffen van een dergelijke voorziening omdat deze deelvergunning volgtijdelijk samenhangt met het grotere project, te weten de realisatie van een gracht zonder overkapping en een parkeergarage (VAB) aan welke realisatie verweerder een groot belang hecht. Verzoekers belang bij het wel treffen van een dergelijke voorziening is blijkens het gestelde ter zitting daarin gelegen dat voorkomen wordt dat door de bouwwerkzaamheden aan de parkeergarage schade ontstaat voor bewoners en ondernemers aldaar.

De voorzieningenrechter stelt vast dat dit laatste belang niet verbonden is aan de voorliggende omgevingsvergunning. Dat belang kan aan de orde komen bij de verlening van de omgevingsvergunning voor dat deel van het (totale) project. Als eerder is overwogen ziet de voorzieningenrechter geen onlosmakelijke samenhang, ondanks de aanwezige volgtijdelijke samenhang. Daarmee weegt het gestelde belang van de zijde van verzoekers niet op tegen het gestelde belang aan de zijde van verweerder. Ter zitting is voorts verklaard dat de constructie ook na realisatie - naar zijn aard - redelijke eenvoudig kan worden verwijderd. Dat gegeven is relevant voor het geval in bezwaar moet worden vastgesteld dat anders dan verweerders verwachting, bepaalde gebreken in de vergunningverlening niet kunnen worden hersteld.

Al de overige bezwaren van verzoekers richten zich op activiteiten die niet zijn vergund met de voorliggende (deel)vergunning. Reeds daarom kunnen zij geen gewicht in de schaal leggen in het kader van het voorliggende verzoek. Overigens heeft verweerder nu de omgevingsvergunning alleen nog ziet op de twee kabels- en leidingsbruggen niet ten onrechte geen uitgebreide voorbereidingsprocedure doorlopen.

Tot slot voerden verzoekers aan dat verweerder ten onrechte de agenda van de Welstands- en Monumentencommissieadvies niet in de wijkkrant heeft gepubliceerd. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze overigens door verweerder weersproken stelling niet tot het treffen van de gevraagde voorziening aanleiding geeft. Overigens heeft verweerder ter zitting toegezegd dat mocht er hangende bezwaar besloten worden advies in te winnen, bezwaarmakers schriftelijk op de hoogte zullen worden gesteld van de relevante gegevens.

Dat zou dan zien op het cultuurhistorische aspect omdat die commissie volgens verweerder daarop adviseert. Het welstandsaspect zal - daarin volgt de voorzieningenrechter verweerder - niet aan de orde hoeven te komen gelet op het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo, nu het een omgevingsvergunning betreft die tijdelijk is verleend.

Gelet op hetgeen vorenstaand is overwogen zal het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. M.A. Dirks, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Hollestelle.

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.