Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9663

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
372723 - HA ZA 10-2796
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ2169
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan de orde is de vraag of de bevoegdheid van de gemeente tot invordering van de verbeurde dwangsom is verjaard. Op deze invordering is artikel 5:35 Awb van toepassing, zoals dit artikel luidde voor 1 juli 2009. De rechtbank oordeelt dat deze bevoegdheid niet is verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 372723 / HA ZA 10-2796

Vonnis van 23 maart 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te 's-Gravenhage,

tegen

DE GEMEENTE 'S-GRAVENHAGE,

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. R.M. Blaauw te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de gemeente genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 juli 2010, met vier producties;

- de conclusie van antwoord, met vijftien producties;

- het tussenvonnis van 6 oktober 2010, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 10 februari 2011.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.Bij besluit van 9 augustus 2005 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: B&W) aan [eiseres] een last onder dwangsom opgelegd. Kort gezegd hield deze last in dat [eiseres] de - volgens de gemeente bestaande - "kamer-/beddenverhuur /onzelfstandige bewoning" in de woning aan de [a-straat te plaats A] vóór 5 september 2005 diende te beëindigen en beëindigd te houden. Dit besluit wordt hierna aangeduid als het dwangsombesluit. De te verbeuren dwangsom is vastgesteld op

€ 12.500. Tegen het dwangsombesluit zijn geen rechtsmiddelen ingesteld.

2.2.Op 28 april 2006 is aan [eiseres] een dwangbevel betekend tot betaling van de hiervoor bedoelde dwangsom, met rente en kosten.

2.3.Op 10 mei 2006 heeft de gemeente op grond van het dwangbevel executoriaal beslag gelegd op het aan [eiseres] toebehorende appartementsrecht met betrekking tot het appartement aan de [b-straat te plaats A], welk beslag op 15 mei 2006 aan [eiseres] is overbetekend.

2.4.Bij dagvaarding van 8 juni 2006 heeft [eiseres] bij deze rechtbank verzet ingesteld tegen het dwangbevel. In de daarmee aangevangen procedure heeft de gemeente op 23 augustus 2006 een conclusie van antwoord genomen. Bij vonnis van 4 oktober 2006 heeft de rechtbank de vordering van [eiseres] afgewezen.

2.5.Bij appeldagvaarding van 18 juni 2007 heeft [eiseres] van dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof 's-Gravenhage.

2.6.Op (onder meer) 9 oktober 2007 en 19 augustus 2008 heeft de gemeente een exploot tot stuiting van de verjaring van de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom uitgebracht.

2.7.Op 15 mei 2009 heeft de gemeente ten laste van [eiseres] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de belastingdienst Haaglanden, welk beslag op 27 mei 2009 aan [eiseres] is overbetekend.

2.8.Op 7 juli 2009 heeft de gemeente in de onder 2.5 bedoelde appelprocedure een memorie van antwoord genomen. Bij arrest van 16 februari 2010 heeft het gerechtshof [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep.

2.9.Op 6 april 2010 heeft de gemeente het onder 2.8 bedoelde arrest en een hernieuwd betalingsbevel aan [eiseres] betekend.

3.Het geschil

3.1.[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Iverklaart voor recht dat door de gemeente geen aanspraak meer gemaakt kan worden op de dwangsom als vermeld in het op 28 april 2006 uitgebrachte dwangbevel;

IIde gemeente veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 904, exclusief BTW, met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten;

IIIde gemeente veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2.Aan deze vordering legt [eiseres], samengevat, het volgende ten grondslag. De vordering tot inning van de dwangsom is ontstaan op 5 september 2005, althans op 28 april 2006. Deze vordering is verjaard, nu de gemeente slechts op 17 maart 2007, 9 oktober 2007 en 19 augustus 2008 stuitingsexploten heeft uitgebracht. Daarnaast dient de gemeente op te komen voor de door [eiseres] gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.De gemeente voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.Aan de orde is de vraag of de bevoegdheid van de gemeente tot invordering van de verbeurde dwangsom is verjaard. Op deze invordering is artikel 5:35 Awb van toepassing, zoals dit artikel luidde voor 1 juli 2009. Voor dit tijdstip gold op grond van artikel 5:35 Awb voor dwangsommen een verjaringstermijn van zes maanden na de dag waarop een dwangsom was verbeurd. De verjaring kon op grond van de bepalingen van artikel 3:316 e.v. BW worden gestuit (vgl. HR 28 juni 2002, NJ 2003, 676). Voorts verdient opmerking dat - ook naar het huidige recht - het instellen van verzet tegen het dwangbevel niet alleen de tenuitvoerlegging, maar ook de verjaringstermijn schorst. Indien tegen het vonnis waarbij het verzet is afgewezen hoger beroep wordt ingesteld, worden de tenuitvoerlegging en de verjaringstermijn opnieuw geschorst, totdat in hoger beroep op het verzet wordt beslist (vgl. HR 18 februari 2005, NJ 2006, 324).

4.2.[eiseres] stelt zich (primair) op het standpunt dat de verjaringstermijn is gaan lopen op 5 september 2005, aangezien in het dwangsombesluit is vermeld dat de dwangsom "is verbeurd" indien [eiseres] niet aan de last voldoet.

4.3.In dit standpunt volgt de rechtbank [eiseres] niet. [eiseres] leest in de tekst van het dwangsombesluit iets wat er ook naar de letter genomen niet staat; vermeld is immers niet dat de dwangsom toen al was verbeurd, maar dat die is verbeurd indien [eiseres] niet aan de daar vermelde voorwaarde voldoet. Het dwangsombesluit vermeldde overigens ook dat inspecteurs van de gemeente na 5 september 2005 zouden controleren of [eiseres] aan de last heeft voldaan. [eiseres] heeft niet weersproken dat de gemeente op 9 november 2005 heeft geconstateerd dat niet aan de last was voldaan. Uit een en ander volgt dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom op 9 november 2005 is ontstaan en dat op deze dag de verjaringstermijn is gaan lopen.

4.4.De gemeente heeft de verjaring gestuit door de betekening van het dwangbevel op 28 april 2006, waardoor op 29 april 2006 een nieuwe termijn van zes maanden is gaan lopen. Vervolgens heeft op 15 mei 2006 stuiting plaatsgevonden door de overbetekening van het beslag. De verzetdagvaarding van 8 juni 2006 heeft - nadat 24 dagen van de lopende termijn waren verstreken - de verjaringstermijn geschorst.

4.5.Volgens [eiseres] is met het vonnis van 4 oktober 2006 de lopende termijn hervat, zodat deze termijn in beginsel was verstreken op 11 maart 2007 (4 april 2007 minus 24 dagen). Daartegenover heeft de gemeente betoogd dat zij met de conclusie van antwoord van 23 augustus 2006 in de verzetprocedure de verjaring heeft gestuit, waardoor op 4 oktober 2006, de dag waarop vonnis is gewezen, een nieuwe termijn van zes maanden is gaan lopen.

4.6.De rechtbank volgt het standpunt van de gemeente. De omstandigheid dat de verjaringstermijn was geschorst, staat naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan (een nieuwe) stuiting van de verjaring. Aan de conclusie van antwoord moet stuitende werking worden toegekend, nu de gemeente daarin ondubbelzinnig kenbaar heeft gemaakt dat zij aanspraak bleef maken op betaling van de dwangsom. Die stuiting heeft - gelet op de toen bestaande schorsing van de verjaringstermijn - effect gekregen op 4 oktober 2006, de dag waarop in eerste aanleg op het beroep is beslist. Op die datum is dan ook een nieuwe termijn van zes maanden gaan lopen.

4.7.Volgens de gemeente is de verjaring (onder meer) op 15 januari 2007 gestuit nu de deurwaarder op die dag bij [eiseres] een schriftelijke kennisgeving heeft achtergelaten van een niet geslaagde poging tot beslaglegging op haar roerende zaken. Daartegenover heeft de (vervangende) advocaat van [eiseres] tijdens de comparitie het volgende verklaard:

"Mijn cliënte is onbekend met productie 6 van de gemeente; zij kent noch het proces-verbaal, noch de daarbij gevoegde kennisgeving, die overigens in oningevulde vorm is overgelegd. Als het al waar is dat deze kennisgeving is achtergelaten, dan levert dit geen stuiting op. De kennisgeving maakt niet duidelijk waarover het gaat. Het kan zijn dat zij nog andere schulden had en dat zij, als zij dit stuk al heeft ontvangen, heeft gemeend op een andere zaak betrekking had. Ik hoor u aan mijn cliënte vragen of zij toen andere schulden had waarvoor de deurwaarder aan de deur kan zijn geweest. Ik hoor haar zeggen dat zij dit niet zeker weet; zij meent zich te herinneren geen andere schulden had, maar dat er mogelijk iets anders liep met een auto en een deurwaarderskantoor genaamd GGN."

4.8.Dat [eiseres], zoals namens haar is verklaard, niet bekend is met het proces-verbaal van de deurwaarder van 15 januari 2007 doet niet af aan de dwingende bewijskracht van deze authentieke akte (artikel 157 Rv). Het proces-verbaal vermeldt onder meer dat het betrekking heeft op het dwangbevel van 28 april 2006 en dat de kennisgeving op het woonadres van [eiseres] aan de [b-straat te plaats A] is gelaten. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de deurwaarder een oningevuld kennisgevingsformulier heeft achtergelaten. Bovendien heeft [eiseres] niet weersproken dat zij op 16 januari 2007 telefonisch contact heeft opgenomen met de deurwaarder, zoals blijkt uit de gespreksnotitie van het deurwaarderskantoor (productie 7 van de gemeente). Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [eiseres] het ingevulde kennisgevingsformulier heeft ontvangen en dat zij hieruit heeft begrepen dat de gemeente haar aanspraak op betaling van de dwangsom handhaafde. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat de verjaring op 15 januari 2007 is gestuit, waardoor op 16 januari 2007 een nieuwe termijn van zes maanden is gaan lopen.

4.9.Deze termijn is door de appeldagvaarding van 18 juni 2007 geschorst. Niet bestreden is dat de gemeente - tijdens de procedure in hoger beroep - stuitingsexploten heeft uitgebracht op 9 oktober 2007 en 19 augustus 2008. Elk van deze stuitingshandelingen heeft ertoe geleid dat op 15 februari 2010, de dag waarop in hoger beroep op het verzet is beslist, een nieuwe verjaringstermijn van zes maanden is gaan lopen. De gemeente heeft de verjaring vervolgens gestuit op 6 april 2010, door de betekening van het arrest en het hernieuwde betalingsbevel.

4.10.Dit een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen. De rechtbank kan dan ook in het midden laten of de gemeente nog op de andere dan de hiervoor besproken tijdstippen de verjaring heeft gestuit.

4.11.Bij deze uitkomst past een veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure. Deze kosten worden aan de zijde van de gemeente tot dusverre begroot op

€ 1.167, waarvan € 263 aan griffierecht en € 904 aan salaris advocaat (twee punten à

€ 452 volgens tarief II). De daarover gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:

5.1.wijst de vordering af;

5.2.veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, tot op heden begroot op

€ 1.167, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis indien [eiseres] de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis heeft voldaan;

5.3.verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.