Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9631

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
371860 - HA ZA 10-2595
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

retentierecht, inhoud reparatieovereenkomst, reparatiekosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 371860 / HA ZA 10-2595

Vonnis van 23 maart 2011 - bij vervroeging

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats], Oostenrijk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J. Nederlof te Alphen aan de Rijn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOBEDRIJF [A] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. L.P.M. Eenens te Alphen aan de Rijn.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 juli 2010, met producties

- de akte overlegging producties van de zijde van [eiseres]

- de conclusie van antwoord tevens conclusie van antwoord in reconventie met producties

- het tussenvonnis van 17 november 2010

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van comparitie van 4 maart 2011.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.[eiseres] reed in 2007 in een Nissan Primera met kenteken [nummer] (hierna: de auto), afgeleverd op 6 april 2005.

2.2.Op 1 oktober 2007 heeft zij onderweg van Oostenrijk naar Alphen aan de Rijn, pech gekregen met de auto op de A12. De auto had toen in totaal bijna 100.000 km op de kilometerteller staan.

2.3.De Wegenwacht is ter plaatse geweest en heeft aangegeven dat er niet meer met de auto gereden mocht worden. De auto is vervolgens weggesleept naar Alphen aan de Rijn.

2.4.Op 2 oktober 2007 heeft [eiseres] contact opgenomen met [gedaagde] met het verzoek onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de motorproblemen en waar mogelijk het voertuig te repareren. [gedaagde] heeft deze opdracht aanvaard (dit samenstel van feiten wordt ook aangeduid als: de reparatieovereenkomst).

2.5.Die dag zijn er twee monteurs van [gedaagde] bij [eiseres] geweest om de auto op te halen. Zij hebben geen transport ingeschakeld, maar de auto zelf weggereden naar de garage van [gedaagde] (hierna: de garage), ongeveer 2,3 km verderop.

2.6.Op of rond 17 oktober 2007 is na onderzoek door [gedaagde], gebleken dat de motor van de auto (hierna: de motor) "total loss" was. [eiseres] heeft geen opdracht meer gegeven tot vervanging van de motor.

2.7.Bij factuur van 27 november 2007 heeft [gedaagde] € 1.669,94 (inc. BTW) bij [eiseres] in rekening gebracht voor het nazien van de motorstoring aan de auto. Voorts heeft [gedaagde] in deze factuur aangekondigd € 20,-- per week aan stallingskosten voor de auto in rekening te gaan brengen. [eiseres] heeft geweigerd de factuur te betalen. [gedaagde] heeft met een beroep op zijn retentierecht geweigerd de auto zonder betaling van de factuur aan [eiseres] af te staan.

2.8.Op 22 juli 2007 is een rapport van expertise opgemaakt door R.A.G. van der Poel (overgelegd als prod. 10 bij dagvaarding), die hierin vermeldt:

"Gezien onze bevindingen zijn wij van mening, dat er voor een claim aan het adres van de wederpartij gebaseerd op het rijdend ophalen van de auto onvoldoende grond is. Het is gezien de voorgeschiedenis niet aannemelijk dat de motor vrij van schade was toen deze wegens het bijgeluid door de wegenwacht is weggetakeld.

De oorzaak van motorschade, beschreven als het bijgeluid, is het gevolg van problemen met de smering van de bewegende delen. Dat gebrek aan smering is ons inziens een gevolg van de achteruitgang van de kwaliteit van de motorolie."

2.9.Op 12 juni 2009 heeft [eiseres] het tussen partijen gerezen geschil voorgelegd aan de Geschillencommissie van de BOVAG, afdeling voertuigen (hierna: de Geschillencommissie. Deze commissie heeft zich - bij uitspraak van 1 maart 2010 - onbevoegd verklaard van het geschil kennis te nemen.

3.Het geschil

in conventie

3.1.[eiseres] vordert - samengevat (en voor zover thans nog van belang) - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 18.377,42 uit hoofde van schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente, voorts ontbinding van de reparatieovereenkomst met veroordeling van [gedaagde] tot afgifte van de auto, alles met buitengerechtelijke incassokosten en nakosten.

3.2.[gedaagde] voert verweer.

3.3.Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.[gedaagde] vordert - samengevat - veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 1.669,94, alsmede tot betaling van € 3.120,-- te vermeerderen met € 20,-- voor iedere week dat de stalling van de auto na 1 december 2010 voorduurt, met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

3.5.[eiseres] voert verweer.

3.6.Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie

4.1.De rechtbank begrijpt de grondslag van de vorderingen tot schadevergoeding en de vordering tot ontbinding van de reparatieovereenkomst, gelet op het verhandelde tijdens de comparitie van partijen, aldus dat [eiseres] zich op het standpunt stelt dat met betrekking tot de reparatieovereenkomst sprake is van een resultaatsverbintenis en dat [gedaagde] toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van haar verbintenissen uit hoofde van die reparatieovereenkomst met dien verstande dat

a. de monteurs van [gedaagde] op 2 oktober 2007 ten onrechte (tegen het advies van de Wegenwacht in) met de auto naar de garage zijn gereden, waardoor de door [gedaagde] geconstateerde schade aan de motor is ontstaan (deze stelling vormt de grondslag van de gevorderde verzekeringskosten ad € 4.377,42 en afschrijvingskosten ad € 7.000,--);

b. de monteurs van [gedaagde] bij het stellen van de diagnose uit hoofde van de reparatieovereenkomst roekeloos te werk zijn gegaan (deze stelling vormt de grondslag voor het gevorderde terzake de afgebroken gloeibougies ad € 2.500,--);

c. [gedaagde] de uit de auto verwijderde motor ondeskundig - namelijk in de openlucht - heeft opgeslagen, waardoor deze verroest is (deze stelling vormt de grondslag voor het gevorderde terzake van ontstane roestvorming ad € 4.500,--).

4.2.Met betrekking tot de stelling dat sprake is van een resultaatsverbintenis geldt dat [gedaagde] dit heeft betwist, waarbij zij heeft aangevoerd dat overeenkomsten zoals de reparatieovereenkomst in het algemeen het karakter hebben van een inspanningsverbintenis. Dit laatste komt de rechtbank juist voor. Dat in dit geval door [gedaagde] een garantie is afgegeven met betrekking tot het resultaat van de reparatie of [gedaagde] anderszins gedragingen heeft laten zien of verklaringen heeft afgegeven waaruit [eiseres] redelijkerwijs mocht afleiden dat een bepaald resultaat in het vooruitzicht werd gesteld, is gesteld noch gebleken. De rechtbank zal derhalve uitgaan van het bestaan van een inspanningsverbintenis.

4.3.Met betrekking tot het gestelde onder 4.1.a en de daarmee samenhangende vorderingen geldt het volgende. De stellingen zijn door [gedaagde] gemotiveerd betwist, onder overlegging van producties, waaronder een communicatieverslag met Nissan Nederland. Ter comparitie van partijen heeft [gedaagde] haar betwisting verder gemotiveerd. Deze betwisting, die kort gezegd inhoudt dat de motorproblemen zijn ontstaan omdat de auto onvoldoende is onderhouden, de olie onvoldoende/ondeugdelijk/ niet tijdig is ververst en daardoor stroperig is geworden en de distributieriem onjuist is afgesteld, wordt ondersteund door het rapport van expertise van R.A.G. van der Pol. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [eiseres] haar stellingen onvoldoende geconcretiseerd, zodat hieraan voorbij wordt gegaan. Ook ter comparitie van partijen is [eiseres] niet verder gekomen dan dat de schade is veroorzaakt doordat de monteurs van [gedaagde] het advies van de wegenwacht hebben genegeerd en dat zij de auto wel heeft onderhouden. Zij heeft echter verzuimd aan te geven welke bevindingen de wegenwacht heeft gedaan die er toe zouden hebben moeten leiden dat de auto de afstand naar de garage niet kon overbruggen en ook niet toegelicht waar en wanneer dat onderhoud zou zijn gepleegd en waaruit dat heeft bestaan. Aan het mondelinge bewijsaanbod om ter zake [B] als getuige te horen komt de rechtbank derhalve niet toe. Daarnaast is onbetwist dat de monteurs van [gedaagde] vooraf zijn nagegaan of de auto kon rijden. Of de echtgenoot van [eiseres] al dan niet de monteurs van [gedaagde] heeft gewaarschuwd dat niet met de auto gereden mocht worden is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen irrelevant. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op toerekenbare tekortkoming die zijn oorzaak vindt in het zelfstandig verplaatsen van de auto dienen zij te worden afgewezen.

4.4.Met betrekking tot het gestelde onder 4.1.b en de daarmee samenhangende vorderingen geldt het volgende. Ook deze stellingen zijn door [gedaagde] bij conclusie van antwoord, ondersteund met producties, uitvoerig gemotiveerd betwist. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [eiseres] ook deze stellingen onvoldoende onderbouwd, zodat ook hieraan voorbij zal worden gegaan. Aan het bewijsaanbod komt de rechtbank niet toe. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op onzorgvuldig handelen van [gedaagde] bij het stellen van de diagnose dienen zij evenzeer te worden afgewezen.

4.5.Met betrekking tot het gestelde onder 4.1.c en de daarmee samenhangende vorderingen geldt het volgende. Deze stellingen zijn door [gedaagde] gemotiveerd betwist. Deze betwisting houdt - uitgaande van de juistheid van de stelling van [eiseres] dat roestvorming is opgetreden omdat [gedaagde] de motor in de buitenlucht heeft opgeslagen ([gedaagde] betwist dit, zij stelt zich op het standpunt dat de motor is teruggeplaatst in de auto) - dat roestvorming irrelevant is omdat er geen bruikbare onderdelen zijn van de motor en deze alleen nog waarde heeft als oud-ijzer/schroot, welke waarde niet wordt beïnvloed door de aan- of afwezigheid van roest. Tegenover deze betwisting had van [eiseres] verwacht mogen worden dat zij zou hebben aangegeven welke onderdelen van de motor nog bruikbaar zouden zijn geweest voor welk doel en wat de waarde daarvan zou zijn. Ter comparitie van partijen is [eiseres] hier niet verder meer op in gegaan. Dat de motor alleen nog oud-ijzerwaarde heeft en dat daarvoor irrelevant is of al dan niet sprake is van roestvorming heeft [eiseres] niet (voldoende) betwist, zodat de rechtbank van de juistheid hiervan uitgaat. VAan het bewijsaanbod komt de rechtbank niet toe. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op het onzorgvuldig opslaan van de motor dienen zij evenzeer te worden afgewezen.

4.6.Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat geen grond tot gehele of gedeeltelijke toewijzing van de gevorderde schadevergoedingen. Op diezelfde grond dient de gevorderde ontbinding te worden afgewezen. Nu de vorderingen dienen te worden afgewezen is het opschortingsrecht in zoverre ten onrechte ingeroepen. Voor zover de opschorting is ingegeven door de omstandigheid dat de kosten van reparatie (Euro 1.669,94) hoger waren dan aan [eiseres] opgegeven (Euro 580,--) zal dit verweer worden besproken bij de beoordeling van de vordering in reconventie.

Voor toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten of wettelijke rente bestaat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen grond.

4.7.De overige verweren van [gedaagde] in conventie behoeven geen nadere bespreking. [eiseres] zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht 425,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.329,00

in reconventie

4.8.De inhoud van de op 2 oktober 2007 aan [gedaagde] verstrekte opdracht is in beginsel niet in geschil. [eiseres] heeft nog gesteld dat de opdracht ook inhield dat [gedaagde] alleen reparaties mocht verrichten voor zover de kosten daarvan door haar waren aanvaard, maar gesteld noch gebleken is dat dit tussen partijen expliciet ter sprake is gekomen. [eiseres] beroept zich ter zake op de gedragscode Bovag, maar niet is gesteld of gebleken dat deze deel is gaan uitmaken van de reparatieovereenkomst. [eiseres] heeft geen verklaringen of gedragingen van [gedaagde] gesteld waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat deze de toepasselijkheid van deze gedragscode heeft aanvaard en de omstandigheden die [eiseres] ter comparitie van partijen heeft aangevoerd waaruit toepasselijkheid van deze code zou kunnen volgen zijn daartoe onvoldoende, gelet op de betwisting door [gedaagde]. Voor een verplichting van [gedaagde] voorafgaande toestemming van [eiseres] te vragen voor het overschrijden van de aanvankelijk begrote reparatiekosten, bestaat derhalve geen grondslag.

4.9[eiseres] heeft voorts aangevoerd dat [gedaagde] telefonisch heeft gezegd dat de reparatie van de verstuivers en de drijfriem Euro 580,-- zou gaan kosten en met een beroep op deze uitspraak geweigerd de overige in rekening gebrachte reparatiekosten (voor nadere werkzaamheden) te vergoeden.

4.10Dit verweer faalt. Vast staat dat [eiseres] [gedaagde] heeft opgedragen onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de motorproblemen en waar mogelijk de auto te repareren. [gedaagde] heeft gemotiveerd toegelicht dat zij na het herstel van de verstuivers en de drijfriem nog steeds verdacht geluid bespeurde bij het draaien van de motor en dat dat voor haar aanleiding is geweest verder te zoeken, waarbij - zo begrijpt de rechtbank - de in rekening gebrachte (extra) kosten zijn gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank valt dit handelen redelijkerwijs onder de reparatieovereenkomst en heeft [gedaagde] gehandeld als een redelijk bekwaam vakgenoot door naar een verdere oorzaak te zoeken toen na voornoemde reparaties het euvel niet was hersteld. Het verschil in kosten is daarbij niet zodanig dat kan worden gesproken "omvangrijke meerkosten". [eiseres] heeft nog aangevoerd dat het hier "omvangrijke werkzaamheden" zou betreffen waarvoor zij gewaarschuwd had moeten worden, maar dit heeft zij niet onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Ook als [gedaagde] zou hebben verklaard dat zij voor Euro 580,-- de verstuivers en de drijfriem zou repareren, komt haar het meerdere dat zij aan kosten heeft gemaakt om de oorzaak van de motorproblemen van de auto op te sporen, toe. Dat die kosten in redelijkheid niet gemaakt hadden moeten worden, dan wel een redelijk bedrag overschrijden, is gesteld noch gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat [gedaagde] een garantie heeft afgegeven dat de reparatiekosten niet boven dit bedrag uit zouden komen.

4.11Ten slotte heeft [eiseres] er een beroep op gedaan dat de verstuivers niet in rekening gebracht kunnen worden omdat [gedaagde] de oude verstuivers niet heeft bewaard. Dit verweer faalt omdat [gedaagde] onbetwist heeft gesteld dat de verstuivers niet in rekening zijn gebracht, hetgeen ook blijkt uit de litigieuze factuur. [eiseres] mist ieder belang bij dit verweer. Voorts heeft [eiseres] aangevoerd dat alleen de oude distributieriem is gesteld en dat die distributieriem niet is vervangen. Ook dit verweer faalt, nu [eiseres] de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] bij conclusie van antwoord in conventie/ eis in reconventie niet meer heeft weersproken en evenmin na deze betwisting haar stellingen nader heeft onderbouwd.

4.12Nu de verweren van [eiseres] alle falen, heeft zij ook in zoverre ten onrechte een beroep gedaan op haar opschortingsrecht in conventie. [gedaagde] komt betaling toe van de factuur, het retentierecht is terecht ingeroepen. Nu [eiseres] toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van haar verbintenis onder de reparatieovereenkomst door haar weigering de factuur te voldoen, heeft [gedaagde] terecht onkosten voor bewaring van de auto in rekening gebracht. Zij heeft daartoe Euro 20,-- per week gevorderd. [eiseres] heeft dit betwist met de stelling dat [gedaagde] geen terrein heeft hoeven te huren van een derde om de auto te stallen. Ter comparitie heeft [gedaagde], ondersteund met een productie, aangevoerd dat zij haar terrein huurt van Onroerend Goed [C] B.V. die haar deze kosten in rekening brengt. Deze onderbouwing heeft [eiseres] niet nader betwist. Ook overigens heeft zij de redelijkheid van de gevorderde Euro 20,-- per week niet betwist, zodat dit bedrag toewijsbaar is. De over de in reconventie gevorderde bedragen gevorderde wettelijke rente is als zodanig niet betwist, en daarmee evenzeer toewijsbaar.

4.13[eiseres] heeft de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten betwist. Tegenover deze betwisting heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd dat die kosten niet de gewone kosten zijn ter voorbereiding van een procedure, waarvan de vergoeding is inbegrepen in het liquidatietarief. Deze vordering dient te worden afgewezen.

4.14De vordering in reconventie zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente is, als inhoudelijk niet betwist, toewijsbaar. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris advocaat 452,00 (2,0 punten × 0,5 tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

Ook aan het bewijsaanbod van [eiseres] in reconventie komt de rechtbank niet toe.

5.De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.wijst de vorderingen af,

5.2.veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.329,00,

5.3.verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen

- een bedrag van EUR 1.669,94 (eenduizendzeshondernegenenzestig euro en vierennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag vanaf 30 april 2008 tot de dag van volledige betaling, en

- een bedrag van EUR 3.120,-- (drieduizendeenhonderdtwintig euro en vierennegentig eurocent), vermeerderd met Euro 20,-- voor iedere week dat de stalling van de auto vanaf

1 december 2010 voortduurt, te vermeerderen met de wettelijke rente over Euro 420,-- te rekenen vanaf 30 april 2008 en de wettelijke rente over idere wekelijkse termijn die vanaf 30 april 2008 is vervallen vanaf de eerste dag volgend op het einde van de betreffende week, alles tot en met de dag der algehele voldoening;

5.5.veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 452,--,

5.6.verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.M. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2011.