Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9523

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
AWB 11/7673
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zicht op verwijdering naar China binnen een redelijke termijn ontbreekt

Samenvatting:

In de uitspraken van 9 augustus 2010 in zaaknrs. 201005930/1/V3 en 201006274/1/V3 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling overwogen dat zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn niet langer ontbreekt. De Afdeling heeft daartoe, voor zover thans van belang, overwogen dat de Chinese autoriteiten in mei 2010 toezeggingen hebben gedaan voor de afgifte van 18 laissez passer en inmiddels voor 17 van de desbetreffende vreemdelingen de toegezegde laissez passer hebben verstrekt. Daarmee is sprake van een belangrijke aanwijzing voor het intreden van een structurele verandering in de opstelling van de Chinese autoriteiten, aldus de Afdeling.

Onweersproken is dat de Chinese autoriteiten sindsdien geen nieuwe laissez passer (lp) hebben afgegeven, ook niet indien de aanvragen vergezeld zijn gegaan van een kopie van een identiteitsbewijs/paspoort. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011 volgt dat er in ieder geval acht lp-aanvragen voorzien van een kopie van een identiteitsbewijs/paspoort zijn ingediend bij de Chinese autoriteiten in de periode van juni tot oktober 2010.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting van de rechtbank desgevraagd aangegeven niet over meer informatie te beschikken dan de informatie die is verwoord in de brief van verweerder van 7 maart 2011 aan de nevenzittingsplaats Zwolle. Een concrete datum in maart 2011 waarop het overleg met de Chinese autoriteiten zal plaatsvinden, heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd niet kunnen noemen. Evenmin heeft gemachtigde van verweerder kunnen aangeven waarop de verwachting is gebaseerd dat het overleg in maart 2011 zal plaatsvinden.

De rechtbank stelt vast dat er sinds 11 november 2010 geen overleg meer is geweest tussen verweerder en de Chinese autoriteiten. De door verweerder verstrekte inlichtingen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een concreet zicht op overleg tussen verweerder en de Chinese ambassadeur in maart 2011. Van verweerder mag worden verwacht dat hij daarover meer (concrete) informatie kan verstrekken, te meer nu ruim de helft van de maand maart inmiddels is verstreken.

Het voorgaande brengt mee dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat thans nog sprake is van intensieve en vruchtbare contacten met de Chinese autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat niet langer de redelijke verwachting dat deze autoriteiten binnen een redelijke termijn opnieuw zullen overgaan tot het afgeven van één of meer lp’s, bijvoorbeeld ten behoeve van eiser. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zicht op verwijdering van eiser binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/7673 VRONTN S4

Uitspraak van 21 maart 2011 op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

[...],

geboren 1986,

van Chinese nationaliteit,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

eiser,

gemachtigde: mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2011 is eiser op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Eiser heeft op 7 maart 2011 beroep ingesteld tegen dit besluit waarbij is verzocht om opheffing van de bewaring.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 17 maart 2011. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Ter zitting was tevens aanwezig een tolk in de taal Mandarijn.

Overwegingen

Eiser is, na een strafrechtelijke aanhouding op 6 maart 2011, heengezonden en direct aansluitend op grond van artikel 50, tweede of derde lid, van de Vw 2000, overgebracht naar een plaats voor verhoor (Cellencomplex te Groningen). Daar is hij opgehouden en in bewaring gesteld. Voorts is ten aanzien van eiser op 6 maart 2011 een terugkeerbesluit genomen.

Beoordeeld dient te worden of de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat de procedure leidend tot het besluit tot oplegging van de maatregel in overeenstemming is met de wettelijke vereisten. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Evenmin is in geschil dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft, zodat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel berust aldus op de juiste grondslag.

Verweerder heeft vastgesteld dat eiser niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, terwijl eiser ongewenst is verklaard, zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Tevens is eiser veroordeeld voor een misdrijf en heeft hij geen middelen van bestaan.

Het standpunt van eiser dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt omdat hij in het bezit is van een behoorlijk geldbedrag, wordt door de rechtbank niet onderschreven. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser niet heeft weersproken dat niet is gebleken van een vaste bron van inkomsten.

Namens eiser is verder aangevoerd dat de omstandigheden dat hij is veroordeeld voor een misdrijf en dat hij ongewenst is verklaard niet meer aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd gelet op de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Terugkeerrichtlijn) en de uitleg die daaraan is gegeven in het arrest Kadzoev van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 november 2009, C-357/09 PPU (LJN: BK5471).

Op 24 december 2010 is de implementatietermijn voor de Terugkeerrichtlijn verstreken. Niet in geschil is dat deze richtlijn tot op heden niet in de nationale wetgeving is geïmplementeerd. Voor zover in dit geding van belang gaat het hier om bepalingen van de Terugkeerrichtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn gesteld dan wel rechten die particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden. Verder is eiser een onderdaan van een derde land, althans geen burger van de Europese Unie, die illegaal verblijft in Nederland. Ook overigens is er geen reden de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing te achten op dit geval. Daarom zal de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel direct toetsen aan de Terugkeerrichtlijn, waarbij voor zover nodig de nationale wetgeving richtlijnconform wordt uitgelegd of buiten toepassing wordt gelaten.

Volgens artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn - voor zover van belang - kunnen de lidstaten, tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:

a) er risico op onderduiken bestaat, of

b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de gronden van de maatregel van bewaring, waaronder eisers veroordeling voor een misdrijf en zijn ongewenstverklaring, in het onderhavige geval in strijd zijn met de Terugkeerrichtlijn. Daarbij acht de rechtbank van belang dat deze gronden, gelezen in onderlinge samenhang, een nadere invulling geven van de in het eerste lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn neergelegde criteria, zoals het bestaan van een risico op onderduiken of het ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de terugkeer of de procedure van verwijdering.

Namens eiser is aangevoerd dat zicht op verwijdering ontbreekt, nu sinds juni 2010 geen laissez passer (lp) zijn afgegeven door de Chinese autoriteiten. Volgens eiser is de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 19 januari 2011 (LJN: BP1950) inmiddels achterhaald omdat deze uitspraak betrekking heeft op de feitelijke situatie tot aan de uitspraak van 12 november 2010 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht. Ondertussen zijn echter vijf maanden verstreken zonder dat enig overleg heeft plaatsgevonden. Ook zijn er sinds juni 2010 geen nieuwe toezeggingen gedaan door de Chinese autoriteiten om over te gaan tot afgifte van laissez passer. Voorts heeft eiser benadrukt dat het overleg dat eind febr uari 2011 zou plaatsvinden om onbekende redenen niet is doorgegaan en dat nog geen concrete datum bekend is waarop dit overleg alsnog zal plaatsvinden.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het zicht op uitzetting van eiser naar China niet ontbreekt, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat er nog steeds sprake is van regelmatig en intensief contact met de Chinese autoriteiten heeft verweerder verwezen naar de antwoorden die verweerder op 7 maart 2011 heeft gegeven op vragen van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle. De laatste concrete contacten met de Chinese autoriteiten hebben plaatsgevonden op 11 november 2010. Recentelijk is er diverse malen contact geweest met de ambassade teneinde een overleg tussen verweerder en de ambassadeur te regelen. De door verweerder aangekondigde gesprekken met de Chinese autoriteiten eind februari hebben niet plaatsgevonden. Naar verwachting zal de minister deze maand (maart 2011) alsnog met de Chinese ambassadeur spreken.

In de uitspraken van 9 augustus 2010 in zaaknrs. 201005930/1/V3 en 201006274/1/V3 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling overwogen dat zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn niet langer ontbreekt. De Afdeling heeft daartoe, voor zover thans van belang, overwogen dat de Chinese autoriteiten in mei 2010 toezeggingen hebben gedaan voor de afgifte van 18 laissez passer en dat zij inmiddels op verzoek van de Dienst Terugkeer & Vertrek (hierna: de DT&V) voor 17 van de desbetreffende vreemdelingen de toegezegde laissez passer hebben verstrekt. Deze ontwikkeling wijst erop dat concrete vooruitgang is geboekt in het voortgezette overleg tussen de Nederlandse en Chinese autoriteiten. Daarmee is sprake van een belangrijke aanwijzing voor het intreden van een structurele verandering in de opstelling van de Chinese autoriteiten, aldus de Afdeling.

De rechtbank stelt vast dat onweersproken is dat de Chinese autoriteiten sindsdien geen nieuwe laissez passer (lp) hebben afgegeven, ook niet indien de aanvragen vergezeld zijn gegaan van een kopie van een identiteitsbewijs/paspoort. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011 volgt dat er in ieder geval acht lp-aanvragen voorzien van een kopie van een identiteitsbewijs/paspoort zijn ingediend bij de Chinese autoriteiten in de periode van juni tot oktober 2010.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting van de rechtbank desgevraagd aangegeven niet over meer informatie te beschikken dan de informatie die is verwoord in de brief van verweerder van 7 maart 2011 aan de nevenzittingsplaats Zwolle. Een concrete datum in maart 2011 waarop het overleg met de Chinese autoriteiten zal plaatsvinden, heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd niet kunnen noemen. Evenmin heeft gemachtigde van verweerder kunnen aangeven waarop de verwachting is gebaseerd dat het overleg in maart 2011 zal plaatsvinden. De gemachtigde van verweerder heeft volstaan met de mededeling dat de informatie die in de brief van 7 maart 2011 is opgenomen, afkomstig is van de DT&V en dat er niet zomaar iets op papier is gezet.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast de er sinds 11 november 2011 geen overleg meer is geweest tussen verweerder en de Chinese autoriteiten. De door verweerder verstrekte inlichtingen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een concreet zicht op overleg tussen verweerder en de Chinese ambassadeur in maart 2011. Van verweerder mag worden verwacht dat hij daarover meer (concrete) informatie kan verstrekken, te meer nu ruim de helft van de maand maart inmiddels is verstreken.

In aanmerking genomen dat verweerders gemachtigde ter zitting van de rechtbank uitdrukkelijk heeft verklaard niet meer te weten dan wat in eerdergenoemde brief van

7 maart 2011 staat en gelet op het feit dat hij niet heeft aangegeven dat hij mogelijkheden ziet om antwoord te kunnen geven op de door de rechtbank gestelde vragen door bij voorbeeld navraag te doen bij de DT&V, ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en verweerder in de gelegenheid te stellen de vragen van de rechtbank alsnog te beantwoorden.

Het voorgaande brengt mee dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat thans nog sprake is van intensieve en vruchtbare contacten met de Chinese autoriteiten. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat – zoals hiervoor reeds is overwogen – tot op heden door de Chinese autoriteiten geen lp’s zijn toegezegd dan wel verstrekt aan vreemdelingen die beschikken over een kopie van een identiteitsbewijs/paspoort, terwijl ten aanzien van in ieder geval acht van hen na het moment van indiening van de aanvragen een periode van ten minste vijf (en ten hoogste tien) maanden is verstreken, is de rechtbank van oordeel dat niet langer de redelijke verwachting bestaat dat deze autoriteiten binnen een redelijke termijn opnieuw zullen overgaan tot het afgeven van één of meer lp’s, bijvoorbeeld ten behoeve van eiser.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zicht op verwijdering van eiser binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Het beroep dient gegrond te worden verklaard en de bewaring dient te worden opgeheven met ingang van heden.

De rechtbank stelt vast dat namens eiser niet is verzocht om schadevergoeding.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten, die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet voldoen.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,--, die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.A. Vlietstra, rechter, bijgestaan door R. de Boer, griffier.

R. de Boer mr. N.A. Vlietstra

In het openbaar uitgesproken op 21 maart 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. De vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen, zijn opgenomen in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000.

Afschrift verzonden op: