Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9477

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
AWB 10/37787 (beroep) en AWB 10/37789 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning bij partner, redenen onderzoek, strijd met rechtszekerheidsbeginsel.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gesteld worden dat verweerder na het verlenen van een vergunning niet gerechtigd is om uit eigen beweging onderzoek te doen naar de vraag of nog steeds aan de aan de beperking verbonden voorwaarden van de betreffende vergunning wordt voldaan.

De rechtbank stelt evenwel vast dat dit onderzoek in het geval van eiseres reeds 4 dagen na het verlenen van de vergunning is gestart op basis van ten tijde van de vergunningverlening bestaande twijfel over de relatie tussen eiseres en referent.

Niet is gebleken dat verweerder dit onderzoek niet voorafgaand aan de vergunningverlening had kunnen verrichten. Eiseres was immers reeds in Nederland en zou, conform de haar verleende mvv, bij haar partner woonachtig moeten zijn. Door in een dergelijke situatie nader onderzoek te verrichten, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het rechtszekerheidsbeginsel, gehandeld. De uit het onderzoek naar voren gekomen feiten en omstandigheden heeft verweerder niet ten grondslag kunnen leggen aan het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt en het beroep zal gegrond worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 10/37787 (beroep)

AWB 10/37789 (voorlopige voorziening)

V-nr.: 272.629.6127

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1984, van Ghanese nationaliteit, eiseres en verzoekster (hierna: eiseres),

gemachtigde: mr. B. Wegelin, advocaat te Amsterdam

en:

de minister voor Immigratie en Asiel, rechtsopvolger van de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. C.J. Tromp, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2010 heeft verweerder de op 14 mei 2009 aan eiseres verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 met als doel “verblijf bij partner [persoon 1]”, ingetrokken.

Bij besluit van 16 april 2010 heeft verweerder de aanvraag van 26 januari 2010 tot verlenging van de geldigheidsduur van bedoelde verblijfsvergunning afgewezen.

Het tegen beider besluiten gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 oktober 2010 ongegrond verklaard.

Op 29 oktober 2010 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van 29 oktober 2010 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig [persoon 1], referent, en P.J. Kuiper, tolk in de Engelse taal.

De rechtbank/voorzieningenrechter, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

Standpunten van partijen

1.Verweerder heeft - kort samengevat - de eerder aan eiseres verleende verblijfsvergunning ingetrokken omdat niet gebleken is dat tussen eiseres en referent sprake is van een deugdelijk bewezen relatie, zoals bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Eiseres heeft derhalve bij indiening van de verblijfsaanvraag onjuiste gegevens verstrekt dan wel gegevens achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van deze aanvraag zouden hebben geleid.

Verweerder heeft de aanvraag om verlenging van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning afgewezen omdat niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

Er is geen sprake van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu er geen familie- of gezinsleven is tussen eiseres en referent.

2. Eiseres heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat verweerder een verkeerd toetsingskader heeft gebruikt. Verweerder heeft ten onrechte aan artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 in plaats van aan artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 getoetst. Er is wel degelijk sprake van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres en referent. Ten tijde van de verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en later de verlening van de verblijfsvergunning heeft verweerder de relatie als voldoende serieus en duurzaam beoordeeld. Niet duidelijk is op grond van welke nieuwe feiten en omstandigheden (zo kort) na verlening van de vergunning verweerder een onderzoek heeft ingesteld. Verweerder heeft in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld, te weten het rechtszekerheidsbeginsel. Verweerder heeft de relatie, waarbinnen een leeftijdsverschil van 34 jaar is, beoordeeld naar Nederlandse in plaats van Ghanese maatstaven. Tussen eiseres en referent is gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Een weigering om verder verblijf aan eiseres toe te staan is een inbreuk op dit gezinsleven.

Regelgevend kader

3. Ingevolge artikel 19 van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Vw 2000 met uitzondering van onderdeel b.

4. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c en f, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegeven heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zou hebben geleid dan wel indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

5. Ingevolge artikel 3.14, eerste lid, onder b, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 verleend aan de vreemdeling van achttien jaar of ouder die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt, waarin de partners;

1. niet tot elkaar in een zodanig nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een huwelijksbeletsel zou vormen, en

2. ongehuwd zijn en geen in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, tenzij het huwelijk door wettelijke beletselen, waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden.

Beoordeling van de beroepsgronden

6. Ten aanzien van het toetsingskader oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat het vermelden van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 als te hanteren toetsingskader als een kennelijke verschrijving moet worden gezien. Dit had artikel 3.14, eerste lid, onder b, van het Vb 2000 moeten zijn. Nu verweerder in het bestreden besluit voorts heeft getoetst of sprake is van een duurzame relatie wordt door de rechtbank aan het enkel vermelden van het verkeerde artikel in de bestreden beschikking geen gevolgen verbonden. Deze beroepsgrond faalt.

7.1 De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat verweerder op 17 februari 2009 heeft bericht geen bezwaar te maken tegen verlening van een mvv aan eiseres ten behoeve van verblijf bij referent. Op 21 maart 2009 is eiseres Nederland ingereisd. Op 15 april 2009 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar partner ingediend. Op 14 mei 2009 is aan eiseres, met terugwerkende kracht tot 6 mei 2009, deze verblijfsvergunning verleend. Op 18 mei 2009 heeft verweerder de vreemdelingenpolitie verzocht tot het instellen van een onderzoek naar de samenwoning van eiseres en referent en of sprake is van een exclusieve, duurzame en affectieve relatie.

7.2 Verweerder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat om dit onderzoek is verzocht naar aanleiding van twijfels omtrent de relatie tussen eiseres en referent. Verweerder heeft desgevraagd niet kunnen toelichten op grond waarvan deze twijfels bestonden, maar heeft wel bevestigd dat zich tussen 14 mei 2009 en 18 mei 2009 geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan welke tot die twijfel hebben geleid.

De rechtbank stelt daarmee vast dat de twijfel al bestond op het moment dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning werd ingewilligd. Verweerder heeft desalniettemin de verzochte vergunning verleend.

7.3 Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gesteld worden dat verweerder na het verlenen van een vergunning niet gerechtigd is om uit eigen beweging onderzoek te doen naar de vraag of nog steeds aan de aan de beperking verbonden voorwaarden van de betreffende vergunning wordt voldaan.

De rechtbank stelt evenwel vast dat dit onderzoek in het geval van eiseres reeds 4 dagen na het verlenen van de vergunning is gestart op basis van ten tijde van de vergunningverlening bestaande twijfel over de relatie tussen eiseres en referent. Niet is gebleken dat verweerder dit onderzoek niet voorafgaand aan de vergunningverlening had kunnen verrichten. Eiseres was immers reeds in Nederland en zou, conform de haar verleende mvv, bij haar partner woonachtig moeten zijn.

7.4 Door in een dergelijke situatie nader onderzoek te verrichten, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het rechtszekerheidsbeginsel, gehandeld. De uit het onderzoek naar voren gekomen feiten en omstandigheden heeft verweerder niet ten grondslag kunnen leggen aan het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt en het beroep zal gegrond worden verklaard

8.1 De rechtbank merkt voorts, ten overvloede, het volgende op.

8.2 Uit de bestreden beschikking en de toelichting hierop van verweerder ter zitting begrijpt de rechtbank dat verweerder zijn standpunt dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres en referent hoofdzakelijk heeft gebaseerd op het feit dat tijdens het huisbezoek op 3 augustus 2009 geen kleding en toiletartikelen (behalve een tandenborstel) van eiseres in de woning aanwezig waren.

8.3 Eiseres heeft tegen deze bevindingen ingebracht dat haar kleding bij de wasserette lag en daartoe een bon van een wasserette overgelegd. Eiseres heeft eveneens een reden gegeven waarom er weinig toiletartikelen in de woning aanwezig waren.

Voorts heeft eiseres erop gewezen dat tijdens dit huisbezoek wel haar arbeidsovereenkomst en een salarisspecificatie is aangetroffen als ook dat er foto’s van haar aan de muur hingen. Bij een tweede huisbezoek op 25 augustus 2009 is wel kleding getoond alsmede verschillende salarisspecificaties op haar naam.

Eiseres heeft later in de procedure nog de volgende stukken overgelegd:

- een polis ziektekostenverzekering op naam van eiseres en referent

- bankafschriften

- foto’s van eiseres en referent

- een viertal getuigenverklaringen van [persoon 2], [persoon 3],[persoon 4] en [persoon 5] waarin wordt gesteld dat eiser en [persoon 1] een relatie hebben en dat zij samenwonen op de [adres]. Al deze getuigen geven aan dat nader contact met hen kan worden opgenomen

- een verklaring van [persoon 6], verbonden aan de [kerk] van 8 februari 2010, dat eiseres en referent een relatie hebben

- een uitdraai van het gezondheidscentrum Gein waarin referent wordt genoemd als de partner van eiseres. Uit de uitdraai blijkt dat eiseres en referent op 30 juni 2009 tezamen het gezondheidscentrum hebben bezocht.

8.4 Nu het in de onderhavige zaak om de intrekking van een reeds verleende verblijfsvergunning gaat, is het aan verweerder om te bewijzen dat geen sprake is van een duurzame relatie. Gelet op de door eiseres naar voren gebrachte omstandigheden en nadere onderzoeksmogelijkheden, bijvoorbeeld het horen van de getuigen, is verweerder daar met de enkele verwijzing naar de bevindingen van het huisbezoek van 3 augustus 2009 en, in mindere mate, 25 augustus 2009 naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Dat er, zoals door verweerder bij verweerschrift naar voren gebracht, onduidelijkheden zijn over de vraag waar eiseres in de woning sliep, kan dit niet anders maken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

9. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

10. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1311,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,-- , wegingsfactor 1).

12. Op grond van artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, bepaalt de

rechtbank dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht ad € 300,-- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 10/37787,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 10/37789,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 1311,-- (zegge: dertienhonderdelf euro), te betalen aan de griffier;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht ad € 300,-- (zegge: driehonderd euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op

11 maart 2011.

De griffier De rechter

Afschrift verzonden op:

Conc.:AvT

Coll.:FW

D:B

VK

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.