Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9455

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
AWB 09/16643 en AWB 09/16646
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in het arrest Duitsland tegen B. en D. (9 november 2010, in de zaken C-57/09 en C-101/09, LJN: BO5518, geoordeeld dat het enkele feit dat iemand behoort tot een organisatie waarvan in het algemeen wordt aangenomen dat deze verantwoordelijk kan worden gehouden voor schendingen van artikel 12, tweede lid, van de Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (de Definitierichtlijn) danwel artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet automatisch een ernstige reden is om aan te nemen dat die persoon een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

De eisen die het HvJEU stelt voordat mag worden geconcludeerd tot individuele verantwoordelijkheid bij de betrokken persoon voor de daden die de betrokken organisatie heeft begaan in de periode waarin hij er lid van was, zijn hoog. De rechtbank merkt op dat in de beschikbare Nederlandse tekst van dit arrest wordt gesproken over "het stellen van de betrokken daden", maar dat in de bindende Duitse tekst wordt gesproken over "Verwirklichung dieser Handlungen", zodat "het verwezenlijken van de betrokken daden" meer recht doet aan de desbetreffende overweging van het HvJEU. Uit dit arrest en in het bijzonder deze overwegingen volgt dat niet categorisch is uitgesloten dat een verband wordt gelegd tussen de aan een organisatie, of in dit geval een regime, toe te rekenen daden en het individu, maar wel dat zorgvuldig en geïndividualiseerd moet worden onderzocht wat het verband is.

De rechtbank oordeelt dat eisers beiden deel hebben uitgemaakt van de top van het partijapparaat -dat blijkens de (individuele) ambtsberichten nagenoeg moet worden geïdentificeerd met het staatsapparaat - en de top van het staatsapparaat zelf. Slechts door het functioneren van dit staats- en partijapparaat kon het repressieve bewind van Afghanistan in die periode blijven bestaan. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank de personal participation van eisers gegeven.

Over de knowing participation overweegt de rechtbank dat het type regime - de hiërarchische verhoudingen, de identificatie van de partij met de staat, de absolute loyaliteit en de unanieme besluitvorming - een belangrijke rol speelt. Eisers hebben een jarenlange carrière gehad onder dit regime. Gedurende dit regime hebben zij nooit afstand genomen van dit regime. Verweerder heeft elke mogelijkheid genomen om te onderzoeken of eisers weet hebben gehad van de mensenrechtenschendingen die ten tijde van dat regime hebben plaatsgevonden. Eisers hebben hiermee elke mogelijkheid gehad om naar voren te brengen wat hen zou kunnen ontlasten van de claim dat zij kennis hadden van de relevante mensenrechtenschendingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt mogen stellen dat bij eisers sprake is van knowing participation.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummers: AWB 09/16643 en AWB 09/16646

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], ge[1947], van Afghaanse nationaliteit (eiser) en [eiseres], geboren op [1947], van Afghaanse nationaliteit (eiseres),

hierna tezamen ook aangeduid als eisers,

gemachtigde: mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein,

en

de staatssecretaris van Justitie, thans de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe.

Inleiding

1.1 Bij besluiten van 14 april 2009 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen zijn besluiten van 30 november 2006 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemde besluiten heeft verweerder eisers ongewenst verklaard. Eisers hebben tegen de besluiten van 14 april 2009 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 11 februari 2011, waar eisers zijn verschenen. Eisers hebben in persoon en bij gemachtigde en verweerder heeft bij monde van zijn gemachtigde hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 De bestreden besluiten gaan over de vraag of verweerder eisers in redelijkheid ongewenst heeft kunnen verklaren op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2.2 Eisers hebben aangevoerd dat de bestreden besluiten in strijd zijn met de leer van het gezag van gewijsde in verband met de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 8 september 2005. Voor zover verweerder bij die uitspraak de ruimte was geboden gemotiveerd voorbij te gaan aan de getuigenverklaringen, is hetgeen verweerder in de bestreden besluiten naar voren heeft gebracht onvoldoende om aan het rechtsoordeel van die uitspraak voorbij te gaan.

2.3 Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de genoemde uitspraak over de intrekking van de verblijfsvergunningen gezag van gewijsde heeft, niet in de weg staat aan de ongewenstverklaringen van eisers. De rechtbank heeft de eerdere besluiten over de intrekking van hun verblijfsvergunningen vernietigd vanwege een motiveringsgebrek, zodat met een nadere motivering alsnog tot ongewenstverklaring van eisers kan worden besloten, aldus verweerder.

2.4 Bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 8 september 2005 (zaaknummers AWB 04/28989, AWB 04/28992 en AWB 04/29574) zijn de toen bestreden besluiten over eisers vernietigd. De rechtbank heeft in die uitspraak - voor zover hier van belang - overwogen dat de verklaringen van de getuigen ter zitting gerede twijfel doen ontstaan aan de juistheid en betrouwbaarheid van de informatie in het ambtsbericht van 16 september 1999. De rechtbank heeft om die reden geoordeeld dat verweerder niet zonder nadere motivering aan de verklaringen van de getuigen ter zitting van 16 juni 2005 voorbij heeft kunnen gaan.

2.5 De rechtbank stelt vast dat vanwege een motiveringsgebrek de beroepen gegrond zijn verklaard en de eerder bestreden besluiten over eisers zijn vernietigd. De rechtbank heeft in die uitspraak geen standpunt van verweerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Door nogmaals artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eisers tegen te werpen heeft verweerder niet in strijd gehandeld met het gezag van gewijsde van de rechterlijke uitspraak van 8 september 2005, alleen al omdat verweerder in het bestreden besluit een nadere motivering ten grondslag heeft gelegd aan dat standpunt. Die nadere motivering is in het licht van de vernietigingsgrond in die uitspraak van 8 september 2005 niet al bij eerste beschouwing ondeugdelijk. Of die motivering ook bij nadere beschouwing in rechte stand kan houden, komt hierna bij de bespreking van de inhoudelijke beroepsgronden aan de orde. Deze beroepsgrond faalt.

2.6 Verweerder heeft het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken inzake Afghanistan van 16 september 1999, het individueel ambtsbericht over eisers van 31 augustus 2000, het individueel ambtsbericht over eiseres van 26 mei 2003 en de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 12 januari 2006 aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd. Verweerder heeft op grond van die stukken geconcludeerd dat sprake is van knowing and personal participation van eisers bij de schending van verschillende mensenrechten. Verweerder heeft daarom artikel 1(F), onder a, b en c, van het Vluchtelingenverdrag aan eisers tegengeworpen.

2.7 Eisers hebben erkend de in het individueel ambtsbericht van 31 augustus 2000 genoemde functies te hebben vervuld, maar hebben zich op het standpunt gesteld dat zij door het vervullen van die functies niet op de hoogte waren van, dan wel hebben meegewerkt aan mensenrechtenschendingen, zoals die in de periode van 1980 tot 1992 in Afghanistan plaatsvonden.

2.8 De rechtbank stelt vast dat eisers, zoals zij ook ter zitting van 11 februari 2011 hebben erkend, in de periode van 1980 tot 1992 de volgende functies in Afghanistan hebben vervuld. Eiser was van 1980 tot 1992 lid van het Centraal Comité van de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA), later geheten de Hezb-i-Watan (Vaderlandspartij), van 1982 tot 1988 lid van de Revolutionaire Raad van de (Democratische) Republiek Afghanistan, van 1986 tot 1988 lid van het Presidium van de Revolutionaire Raad, van 1988 tot 1992 lid van het Politbureau van het Centraal Comité van de DVPA, later geheten de Uivoerende Raad van het Centraal Comité van Hezb-i-Watan en van 1990 tot 1992 vice-voorzitter van de Hezb-i-Watan. Eiseres was van 1982 tot 1992 eveneens lid van het Centraal Comité van de DVPA, later geheten de Hezb-i-Watan, van 1982 tot 1988 lid van de Revolutionaire Raad van de (Democratische) Republiek Afghanistan en van 1982 tot 1990 lid van het Centraal Comité van (wat in de stukken wordt aangeduid als) de Afghaanse Women Council (AWC).

2.9 De rechtbank komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat eisers hoge en beleidsbepalende functies hebben vervuld tijdens het repressieve bewind in Afghanistan in de periode van 1980 tot 1992.

2.10 De rechtbank zal eerst de door eisers tegen de (individuele) ambtsberichten ingebrachte argumenten bespreken.

2.11 Artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw bepaalt dat een vreemdeling, in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland, door de minister van Justitie (thans verweerder) ongewenst kan worden verklaard.

2.12 Ingevolge artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

2.13 In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder beleidsregels over de toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw vastgesteld. In paragraaf A5/2 van de Vc is het volgende vermeld. Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, kan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen aan wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Bij de toepassing van artikel 67 van de Vw worden de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig afgewogen tegen het algemene belang dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.

2.14 Volgens paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc moet verweerder aantonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt. Om te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, past hij de zogeheten personal-and-knowing-participation-test toe. Beoordeeld wordt of voor betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf of de desbetreffende misdrijven (knowing participation) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation). Onder persoonlijke deelname wordt daarbij niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van misdrijven, doch ook het door betrokkene direct faciliteren van de misdrijven, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Van een wezenlijke bijdrage is sprake, indien de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld, dan wel betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

2.15 Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 12 oktober 2001, LJN: AD5964), moet een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daarvoor is nodig dat het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, onder aanduiding van - voor zover mogelijk en verantwoord - de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.16 In paragraaf 2.2.1 van het ambtsbericht van 16 september 1999 inzake de situatie in Afghanistan is een beschrijving gegeven van het communistisch bestuur van Afghanistan. Hieruit blijkt onder meer het volgende. In de praktijk werd het beleid in Afghanistan bepaald door het Centraal Comité (in het bijzonder het Politbureau) van de DVPA en de Revolutionaire Raad (staatsorgaan). Het Centraal Comité was het politieke advies- en overlegorgaan van de Democratische Republiek Afghanistan. Het lidmaatschap van het Centraal Comité beperkte zich tot een exclusieve groep leden van de DVPA. De dagelijkse leiding van de partij lag in handen van het Politbureau. Het merendeel van de leden van het Centraal Comité was werkzaam bij het regeringsleger of een ministerie. In hun dagelijkse werkzaamheden waren zij nauw betrokken bij de besluitvorming op militair, politiek en wetgevend gebied. Zij moeten derhalve weet hebben gehad van de grove mensenrechtenschendingen die ten tijde van het communistische bewind plaatsvonden. Veel leden van het Centraal Comité waren tevens lid van de Revolutionaire Raad. De leden van de raad waren politieke en militaire topfunctionarissen. De Revolutionaire Raad kwam zeer regelmatig bijeen en was in tegenstelling tot het Centraal Comité nauw betrokken bij de dagelijkse politieke en militaire besluitvorming in Afghanistan. Weliswaar werd de raad niet bij elke militaire actie vooraf geconsulteerd, maar in de regel werd de raad na afloop wel op de hoogte

gebracht. In feite was het onmogelijk zitting te hebben in de Revolutionaire Raad

zonder het repressieve beleid van de DVPA te onderschrijven. Kenmerkend voor

het autoritaire karakter van de Revolutionaire Raad was de volstrekte unanimiteit

waarmee besluiten, na onderling overleg, werden genomen.

In de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 12 januari 2006 is hetgeen in het ambtsbericht van 16 september 1999 is opgenomen over de Revolutionaire Raad en het Centraal Comité grotendeels bevestigd. In de brief is genuanceerd dat de Revolutionaire Raad op grond van de wet minimaal twee keer per jaar bijeenkwam, maar dat dit in de praktijk gemiddeld één keer per maand was. Als de Revolutionaire Raad geen zitting had, nam het Presidium van de Revolutionaire Raad diens taken waar. Het Presidium van de Revolutionaire Raad werd van alle plannen, militair en politiek, door de Raad van Ministers op de hoogte gehouden en het Presidium informeerde vervolgens de Revolutionaire Raad. Het Presidium riep de Revolutionaire Raad bijeen als er een belangrijk besluit moest worden genomen. Het was dan ook vooral het Presidium dat zeer regelmatig bijeenkwam en nauw betrokken was bij de dagelijkse politieke en militaire besluitvorming. Niettemin was de Revolutionaire Raad wel betrokken bij deze besluitvorming en was dit een invloedrijk orgaan.

Zoals reeds in rechtsoverweging 2.8 is vastgesteld zijn eisers beiden lid geweest van de Revolutionaire Raad en het Centraal Comité en is eiser daarnaast ook lid geweest van het Politbureau van het Centraal Comité.

In het individueel ambtsbericht van 31 augustus 2000 is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken over eiser geconcludeerd dat het uit hoofde van de door hem vervulde functie onvermijdelijk is dat hij verantwoordelijk is geweest voor mensenrechtenschendingen of oorlogsmisdrijven in Afghanistan gedurende de periode 1980 tot 1992. Eiser heeft gedurende voornoemde periode deel uitgemaakt van de hoogste politieke beleidsorganen van de DVPA en de Hezb-i-Watan. Ook vervulde hij belangrijke bestuurlijke functies in de (Democratische) Republiek Afghanistan. Dit impliceert dat eiser gedurende voornoemde periode bij alle belangrijke politieke en militaire beslissingen alsmede alle veiligheidskwesties (KhAD/Ministerie van Staatsveiligheid) mede betrokken is geweest en hiervoor ook verregaande verantwoordelijkheid draagt.

Over eiseres is in het individueel ambtsbericht van 31 augustus 2000 door het Ministerie van Buitenlandse Zaken geconcludeerd dat het onvermijdelijk is dat zij verantwoordelijkheid draagt voor de door het communistische bewind van Afghanistan begane mensenrechtenschendingen in de periode 1980 tot 1992. Gelet op haar lidmaatschap van het Centraal Comité van zowel de DVPA als de Hezb-i-Watan en haar lidmaatschap van de Revolutionaire Raad gedurende voornoemde periode, heeft zij verregaande invloed gehad op de politieke beleidsvorming in Afghanistan en moet zij over gedegen kennis inzake het repressieve karakter van het Afghaanse communistische bewind hebben beschikt.

2.17 Eisers hebben over de betwisting van de inhoud van de door hen beklede functies bij de Revolutionaire Raad en het Centraal Comité verwezen naar een boek van B. Amstutz ‘Afghanistan, the First five years of Soviet Occupation’, de getuigenverklaringen ter zitting van 16 juni 2005 en de verklaringen van [getuige] van 21 juni 2010, van

[getuige 2] van 23 juni 2010, van [getuige 3] van 16 september 2010, van [getuige 4] van

19 september 2010 en van [getuige 5] van 28 september 2010. Voorts hebben eisers verwezen naar de verklaringen van [getuige 3], [getuige 6], [getuige 5] en [getuige 4] ter zitting van 11 februari 2011. Hieruit blijkt volgens eisers dat de Sovjet-Unie wat betreft militaire en veiligheidszaken in Afghanistan de dienst uitmaakte. Tevens blijkt daaruit dat eisers zich in de door hen vervulde functies niet hebben beziggehouden met militaire en veiligheidszaken.

2.18 De rechtbank overweegt over de verwijzing van eisers naar het boek van B. Amstutz dat dit boek door het Ministerie van Buitenlandse Zaken ten grondslag is gelegd aan de brief van 12 januari 2006, waarin antwoord is gegeven op vragen van de landsadvocaat naar de juistheid van het ambtsbericht van 16 september 1999. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken komt tot andere bevindingen dan eisers over de invulling van de door hen vervulde functies. De rechtbank overweegt dat de bewijslast bij tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ligt bij verweerder. Verweerder heeft in beginsel aan deze bewijslast voldaan door gebruikmaking van het individueel ambtsbericht van 31 augustus 2000 en de aanvullingen daarop van 26 mei 2003 en 12 januari 2006, tenzij eisers concrete aanknopingspunten aanvoeren die leiden tot twijfel aan de juistheid en volledigheid van deze (individuele) ambtsberichten. In feite hebben eisers op dit punt gesteld dat zij een andere lezing hebben van het boek van B. Amstutz. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om concrete aanknopingspunten aanwezig te achten. Deze beroepsgrond faalt.

2.19 Over de verklaringen die ter zitting van 16 juni 2005 door [getuige 3], [getuige 4],

[getuige], [getuige 7] en [getuige 2] zijn afgelegd, overweegt de rechtbank dat verweerder naar aanleiding van deze verklaringen nader onderzoek heeft gedaan. Bij brief van 3 november 2005 zijn aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken de hierboven al genoemde nadere vragen gesteld over de Revolutionaire Raad en het Centraal Comité in de periode van 1980 tot 1992. De antwoorden op deze vragen zijn, zoals gezegd, neergelegd in de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 12 januari 2006.

2.20 Voor de stelling van eisers dat de vragen in de brief van 3 november 2005 op zo’n manier zijn geformuleerd dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet anders kon dan bevestigend antwoorden, heeft de rechtbank in de brief van 3 november 2005 en het antwoord op die brief geen aanwijzingen kunnen vinden. Dat in de brieven is verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 8 september 2005 en vaste jurisprudentie van de ABRvS over (individuele) ambtsberichten, maakt het voorgaande niet anders. Hierbij acht de rechtbank doorslaggevend dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de brief van 12 januari 2006 voor zover mogelijk en verantwoord de bronnen heeft genoemd waarop de antwoorden zijn gebaseerd. Met de enkele stelling van eisers dat sprake is van vooringenomenheid bij beantwoording van de gestelde vragen hebben zij niet met succes twijfel gezaaid dat de antwoorden in de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 12 januari 2006 en de daaraan ten grondslag liggende bronnen onjuist zouden zijn. De enkele stelling dat er bij gebrek aan wetenschap van wordt uitgegaan dat er geen onderzoek in Kabul heeft plaatsgevonden, is daarvoor evenmin voldoende. Deze beroepsgrond faalt.

2.21 In de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 12 januari 2006 is hetgeen in het ambtsbericht van 16 september 1999 is opgenomen over de Revolutionaire Raad en het Centraal Comité, zoals gezegd, grotendeels bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de nuances in die brief, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.16 niet zo dat verweerder hierdoor het ambtsbericht van 16 september 1999 niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De essentie van dat ambtsbericht en daarmee de inhoud van de door eisers vervulde functies blijven immers overeind. Verweerder heeft met dit nader onderzoek naar de Revolutionaire Raad en het Centraal Comité voldaan aan de hem opgelegde motiveringsplicht in de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 8 september 2005. De verklaringen van de getuigen ter zitting van 16 juni 2005 zijn, gelet op het vorenstaande, met de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 12 januari 2006 weerlegd. De rechtbank roept op dit punt in herinnering dat eiser een gedeelte van de relevante periode lid was van de Revolutionaire Raad en een gedeelte van de relevante periode lid was van het Presidium van de Revolutionaire Raad en dat eiseres een gedeelte van de periode lid was van de Revolutionaire Raad. Deze beroepsgrond faalt.

2.22 De nadien door eisers ingebrachte schriftelijke en/of ter zitting van 13 december 2007 en/of 11 februari 2011 afgelegde verklaringen van [getuige 3], [getuige 5], [getuige 4], [getuige] en [getuige 2] kunnen niet leiden tot een ander oordeel. Alle voornoemde personen, behoudens [getuige 5], hebben reeds tijdens de zitting van 16 juni 2005 verklaringen afgelegd. De nadien afgelegde verklaringen zijn niet anders dan ter zitting van 16 juni 2005 afgelegd. Reeds om die reden kunnen deze verklaringen niet afdoen aan de aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegde (individuele) ambtsberichten, inclusief de hierboven al genoemde brief van 12 januari 2006. De relevante informatie uit die verklaringen is daarin namelijk afdoende verwerkt. Deze beroepsgrond faalt.

Ter zitting van 11 februari 2011 is komen vast te staan dat [getuige 5], van Iraanse nationaliteit, maar één keer korte tijd in Afghanistan is geweest in de periode 1986-1987. Zij was lid van de Iraanse vrouwenbeweging en heeft in die hoedanigheid kennis gemaakt met eiseres. Over de verklaring van [getuige 5] overweegt de rechtbank dat deze voornamelijk ziet op de door eiseres beklede functie bij de AWC. Die functie werpt verweerder eiseres niet tegen in het kader van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Voor zover de verklaringen van [getuige 5] zien op andere functies van eiseres, dan wel de door eiser beklede functies, geldt dat deze verklaringen naar inhoud gelijk zijn aan de verklaringen van de andere getuigen, zodat ook de verklaringen van [getuige 5] niet kunnen afdoen aan de aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegde (individuele) ambtsberichten. Deze beroepsgrond faalt.

De stelling dat verweerder de verklaringen alleen op de persoon van de getuigen en hun band met eisers heeft afgewezen, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft immers naar aanleiding van de getuigenverklaringen ter zitting van 16 juni 2005 nader onderzoek laten doen en heeft op grond van dat nader onderzoek de bestreden besluiten genomen. Dat onderzoek is hierboven al als genoegzaam beoordeeld. Deze beroepsgrond faalt.

2.23 Over de schriftelijke en ter zitting van 11 februari 2011 afgelegde verklaringen van

[getuige 6], betreffende eisers stelling dat hij en [getuige 6] niet van eind augustus 1999 tot eind december 1999 in Afghanistan hebben verbleven teneinde een bezoek te brengen aan Massoud, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft ter zitting verklaard deze omstandigheid niet aan het oordeel over artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ten grondslag te hebben gelegd. De rechtbank zal hierop dan ook niet ingaan. Eisers stelling ter zitting dat de opmerking in het ambtsbericht van 31 augustus 2000 is bedoeld hem in diskrediet te brengen, is te vaag om hierover anders te oordelen. Deze beroepsgrond faalt.

2.24 Over de stelling van eisers dat verweerder zich ten onrechte baseert op een verklaring van Anthony Arnold (CIA) over de AWC overweegt de rechtbank nogmaals dat verweerder deze functie van eiseres niet aan het bestreden besluit over haar ten grondslag heeft gelegd. De stelling van eisers dat eiseres via de AWC in al haar functies is terechtgekomen en dat daarom moet worden geoordeeld dat zij zich in die functies alleen bezighield met de behartiging van vrouwenbelangen, volgt de rechtbank niet. Er is geen aanknopingspunt voor het oordeel dat mensen met een specifieke achtergrond, zoals eiseres, vanwege die specifieke achtergrond in een organisatie zijn terecht gekomen en daarom alleen over kwesties betreffende die specifieke achtergrond kennis mochten nemen en daarover mochten meebeslissen.

De stelling van eisers dat het individueel ambtsbericht van 31 augustus 2000 in zijn geheel geen stand kan houden door de latere nuancering over de AWC in het individueel ambtsbericht van 26 mei 2003, volgt de rechtbank evenmin. De stellingen over de AWC daarin zijn niet zo bepalend dat, nu dit onderdeel van het individueel ambtsbericht door verweerder wordt verlaten, het individueel ambtsbericht in het geheel geen stand meer kan houden. Deze beroepsgronden falen.

2.25 De stelling van eisers ter zitting dat vrouwen in het algemeen niet mochten meebeslissen over militaire en/of veiligheidszaken, volgt de rechtbank niet. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat binnen de organisaties waarvan eiseres lid is geweest verschil bestond naar gelang van sekse. De rechtbank verwijst hierbij naar de verklaringen van [getuige 4] ter zitting van 11 februari 2011, waarin hij desgevraagd verklaart dat er bij het Politbureau één vrouw werkzaam was en bij de Revolutionaire Raad drie vrouwen. De rechtbank wijst voorts naar het algemene ambtsbericht inzake Afghanistan van 16 september 1999, waarin staat dat kenmerkend was voor het autoritaire karakter van de Revolutionaire Raad de volstrekte unanimiteit waarmee besluiten werden genomen. Hieruit concludeert de rechtbank dat iedereen die lid was van deze organisaties meestemde bij alle besluiten, ongeacht achtergrond of sekse. De beroepsgrond slaagt niet.

2.26 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen eisers hebben aangevoerd niet kan afdoen aan de (individuele) ambtsberichten die verweerder aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mocht zich bij de besluitvorming dan ook baseren op deze (individuele) ambtsberichten. De inhoud daarvan blijft dus in rechte overeind.

2.27 Gelet op het bewezenverklaarde moet nu worden beoordeeld of met de inhoud van de (individuele) ambtsberichten voldoende grondslag bestaat voor verweerders standpunt dat sprake is van knowing and personal participation.

2.28 Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in het arrest Duitsland tegen B. en D. (9 november 2010, in de zaken C-57/09 en C-101/09, LJN: BO5518) geoordeeld dat het enkele feit dat iemand behoort tot een organisatie waarvan in het algemeen wordt aangenomen dat deze verantwoordelijk kan worden gehouden voor schendingen van artikel 12, tweede lid, van de Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (de Definitierichtlijn) danwel artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet automatisch een ernstige reden is om aan te nemen dat die persoon een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

De eisen die het HvJEU stelt voordat mag worden geconcludeerd tot individuele verantwoordelijkheid bij de betrokken persoon voor de daden die de betrokken organisatie heeft begaan in de periode waarin hij er lid van was, zijn hoog. R.o. 96 en 97 van het arrest van het HvJEU van 9 november 2010 luiden als volgt:

“96. Deze individuele verantwoordelijkheid moet zowel aan de hand van objectieve criteria als aan de hand van subjectieve criteria worden vastgesteld.

97. Daartoe moet de bevoegde autoriteit met name nagaan, welke rol de betrokken persoon daadwerkelijk heeft gespeeld bij het stellen [verwezenlijken] van de betrokken daden, welke positie hij had binnen de organisatie, welke kennis hij had of had moeten hebben van de activiteiten van de organisatie en of pressie op hem is uitgeoefend dan wel andere factoren zijn gedrag hebben kunnen beïnvloeden.”

De rechtbank merkt op dat in de beschikbare Nederlandse tekst van dit arrest wordt gesproken over "het stellen van de betrokken daden", maar dat in de bindende Duitse tekst wordt gesproken over "Verwirklichung dieser Handlungen", zodat "het verwezenlijken van de betrokken daden" meer recht doet aan de desbetreffende overweging van het HvJEU. Uit dit arrest en in het bijzonder deze overwegingen volgt dat niet categorisch is uitgesloten dat een verband wordt gelegd tussen de aan een organisatie, of in dit geval een regime, toe te rekenen daden en het individu, maar wel dat zorgvuldig en geïndividualiseerd moet worden onderzocht wat het verband is.

De rechtbank merkt verder op dat de nu voorliggende zaak gaat over tegenwerping van artikel 1(F), aanhef en onder a, b en c, van het Vluchtelingenverdrag, terwijl het arrest van het HvJEU gaat over tegenwerping van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de Definitierichtlijn, dat de equivalent is van artikel 1(F), aanhef en onder b en c, van het Vluchtelingenverdrag. Voor de betekenis van dat arrest voor het nu voorliggende geval maakt dat niet uit. De beantwoording van de eerste vraag in r.o. 99, tweede aandachtsstreepje, strekt het HvJEU ook nadrukkelijk uit tot het vereiste bewijsniveau in artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn in zijn geheel.

2.29 Over het verzoek van eisers om in deze zaak prejudiciële vragen te stellen waarbij eisers zich concentreren op de betekenis van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Definitierichtlijn , overweegt de rechtbank dan ook dat dat wat is beantwoord met het arrest Duitsland tegen B. en D., zowel feitelijk als rechtens, voldoende duidelijk maakt hoe in de voorliggende zaak geoordeeld moet worden. Het verzoek wordt dus afgewezen.

2.30 De rechtbank oordeelt dat eisers beiden deel hebben uitgemaakt van de top van het partijapparaat -dat blijkens de (individuele) ambtsberichten nagenoeg moet worden geïdentificeerd met het staatsapparaat - en de top van het staatsapparaat zelf. Slechts door het functioneren van dit staats- en partijapparaat kon het repressieve bewind van Afghanistan in die periode blijven bestaan. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank de personal participation van eisers gegeven.

2.31 Over de knowing participation overweegt de rechtbank dat het type regime - de hiërarchische verhoudingen, de identificatie van de partij met de staat, de absolute loyaliteit en de unanieme besluitvorming - een belangrijke rol speelt. Eisers hebben een jarenlange carrière gehad onder dit regime. Gedurende dit regime hebben zij nooit afstand genomen van dit regime. Verweerder heeft elke mogelijkheid genomen om te onderzoeken of eisers weet hebben gehad van de mensenrechtenschendingen die ten tijde van dat regime hebben plaatsgevonden. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat is overwogen onder 2.16 tot en met 2.25. Eisers hebben hiermee elke mogelijkheid gehad om naar voren te brengen wat hen zou kunnen ontlasten van de claim dat zij kennis hadden van de relevante mensenrechtenschendingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt mogen stellen dat bij eisers sprake is van knowing participation.

2.32 Verweerder heeft in dit geval de feiten voldoende zorgvuldig onderzocht en zijn conclusie dat er bij eisers knowing and personal participation was deugdelijk gemotiveerd en in dat verband ook kortgezegd voldoende geïndividualiseerd. De rechtbank is van oordeel dat die beoordeling door verweerder de toets aan de eisen van het arrest van het HvJEU van 9 november 2010 kan doorstaan. Hiermee is wat daarvan ook zij eveneens voldaan aan de eis van de UNHCR dat het bij tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag moet gaan om individuele aansprakelijkheid en niet om schuld bij associatie. De beroepsgronden van eisers hierover slagen dan ook niet.

2.33 Waar eisers, onder verwijzing naar de brief van toenmalig Minister van Justitie Hirsch Ballin van 11 december 2006 (Kamerstukken II 2006/07, 30 800 VI, nr. 31), beogen te stellen dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag hun niet kan worden tegengeworpen, omdat het Openbaar Ministerie bij brief van 21 december 2004 heeft laten weten hen niet strafrechtelijk te zullen vervolgen, overweegt de rechtbank dat uit die brief al blijkt dat het bij de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en de toepassing van de strafwetgeving gaat om wezenlijk verschillende zaken, waarbij andere criteria gelden. De rechtbank verwijst in dat kader ook naar de uitspraak van de ABRvS van 27 juni 2005 (LJN: AT8926). Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.

2.34 Nu alles hiervoor genoemd en besproken al voldoende is om artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegen te werpen, hoeft het overige wat eisers hebben aangevoerd over de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet besproken te worden.

2.35 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er gegronde redenen bestaan om te veronderstellen dat eisers zich schuldig hebben gemaakt aan een misdrijf of handeling in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft dit artikel daarom aan eisers mogen tegenwerpen.

2.36 Tussen partijen is niet in geschil dat eisers zich al ruim tien jaar in een situatie bevinden dat zij wegens schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet kunnen worden uitgezet en dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie op korte termijn. Voorts heeft verweerder ter zitting betoogd dat op dit moment aan eisers niet meer wordt tegengeworpen dat zij geen daadwerkelijke poging hebben gedaan toelating te krijgen tot een ander land dan het land van herkomst.

2.37 Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS (onder meer de uitspraak van 16 juni 2009, LJN: BI8748) volgt dat, zo enigszins mogelijk, moet worden voorkomen dat een vreemdeling in een situatie geraakt dat hem geen verblijfsvergunning wordt verleend, maar hij evenmin wordt uitgezet. In dit verband moet het besluit er blijk van geven dat door verweerder is beoordeeld of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar het land van herkomst. De term duurzaam dient zo te worden begrepen dat de vreemdeling zich gedurende een groot aantal jaren in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet en dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Indien dit het geval is, de vreemdeling voorts aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog altijd niet kan worden uitgezet, dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is en de vreemdeling zich daarnaast in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt, is er voor verweerder aanleiding om te beoordelen of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

2.38 Verweerder heeft deze jurisprudentie tot zijn beleid gemaakt en neergelegd in paragraaf C4/3.11.3.4 van de Vc.

2.39 De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of deze situatie, waarin eisers geen verblijfsvergunning krijgen wegens tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, maar ook niet kunnen worden uitgezet naar hun land van herkomst wegens dreigende schending van artikel 3 van het EVRM, een uitzonderlijke situatie oplevert op grond waarvan hun alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend.

2.40 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel wordt geacht, nu eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevinden.

2.41 Over de proportionaliteitstoets overweegt de rechtbank dat het aan eisers is om aannemelijk te maken dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Eisers hebben daarover gesteld dat zij door de behandeling van de Nederlandse staat hier in een situatie terecht zijn gekomen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, nu zij geen aanspraak kunnen maken op elementaire levensbehoeften. Verder hebben zij gesteld dat eiseres en hun dochter gezondheidsklachten hebben en dat bij uitzetting scheiding van hun dochter dreigt.

2.42 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van zo'n disproportionaliteit. Ter zitting hebben eisers desgevraagd verklaard dat de gemeente Baarn, waar eisers wonen, de (bijstands)voorzieningen hebben voortgezet. Van een behandeling door Nederland in strijd met artikel 3 van het EVRM is naar het oordeel van de rechtbank op dit punt dan ook geen sprake. Over het beroep op de gezondheidssituatie van eiseres en hun dochter overweegt de rechtbank dat de desbetreffende stellingen niet met nadere recente stukken zijn onderbouwd, zodat deze beroepsgronden niet kunnen slagen. Evenmin slaagt de beroepsgrond over de dreigende scheiding tussen eisers en hun dochter, nu niet aannemelijk is gemaakt dat tussen eisers en hun dochter sprake is van meer dan de gebruikelijke emotionele banden. Deze beroepsgrond faalt. Het beroep van eisers op artikel 8 van het EVRM komt hierna aan de orde. Dat beroep speelt namelijk zowel in het kader van de proportionaliteitstoets als los daarvan een rol.

2.43 Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder in redelijkheid heeft mogen beslissen dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is.

2.44 Over het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat eisers dit beroep niet hebben gespecificeerd. Zij hebben geen namen van personen gegeven en niet verklaard of deze personen in relevante mate gelijke functies in dezelfde periode hebben vervuld als zijzelf. Reeds om die reden kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

2.45 Over het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat hierboven bewezen is verklaard dat eisers verantwoordelijk moeten worden gehouden voor handelingen in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Daarom hadden zij er rekening mee moeten houden dat als verweerder op de hoogte zou komen van deze feiten, hij hun verblijfsvergunningen zou intrekken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Gelet op dit oordeel over het vertrouwensbeginsel op het punt van het verblijfsrecht, bestaat hierin ook geen aanleiding om te oordelen dat zij niet ongewenst mochten worden verklaard.

2.46 De stelling van eisers dat geen sprake kan zijn van ongewenstverklaring, nu toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet mogelijk is, wordt door de rechtbank gelet op voorgaande niet gevolgd. Evenmin volgt de rechtbank eisers in hun stelling dat de belangenafweging in het kader van de ongewenstverklaring vooringenomen is. Deze stelling is niet geconcretiseerd en daarvoor zijn in de stukken ook geen aanwijzingen te vinden.

2.47 Eisers hebben zich in het kader van artikel 8 van het EVRM beroepen op gezinsleven met hun meerderjarige dochter. Deze dochter kampt met psychische problemen door de procedure van haar ouders. Met het welzijn en belang van hun dochter is geen rekening gehouden, aldus eisers. Eisers hebben verder aangevoerd dat niet is voldaan aan de vereisten van de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 augustus 2001 (LJN: AD3516, Boultif) en 18 oktober 2006 (LJN: AZ2407, Üner). Eisers zijn nooit strafrechtelijk vervolgd of veroordeeld voor enig misdrijf, zodat niet kan worden gesproken over “gepleegde misdrijven” of “feiten waarvoor eisers verantwoordelijk worden gehouden”. Eisers kunnen ieder voor zich niet verantwoordelijk worden gehouden voor welk misdrijf dan ook van overheidswege, die vallen onder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Voor zover de criteria van de arresten Boultif en Üner wel van toepassing zijn, hebben eisers gesteld dat er geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Er is geen redelijk Nederlands belang gediend met de ongewenstverklaring van eisers. Er is sprake van misbruik van bevoegdheid. De situatie van hun dochter is niet normaal, zodat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van meer dan gebruikelijke emotionele banden. Voorts is verweerders overweging dat eiseres weet moeten hebben gehad van de misdrijven die eiser voor en tijdens hun huwelijk zou hebben gepleegd, onacceptabel.

2.48 Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring van eisers geen strijd oplevert met het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

2.49 Niet in geschil is dat tussen eisers en hun dochter sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Evenmin is in geschil dat de ongewenstverklaring van eisers een inmenging vormt in de uitoefening van het recht op dit gezinsleven.

2.50 De rechtbank oordeelt dat de inmenging in het gezinsleven gerechtvaardigd is in het belang van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Dit belang is genoemd in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Vanwege de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vormen eisers immers een gevaar voor de internationale betrekkingen van Nederland. De vraag die voorligt is of deze inmenging noodzakelijk is in een democratische samenleving. Hiervoor dient een redelijke afweging tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel plaats te vinden. Bij de belangenafweging dienen te worden betrokken de criteria afgeleid uit de arresten van het EHRM inzake Boultif en Üner en het arrest van het EHRM van 31 januari 2006 (LJN: AV3567, Sezen).

2.51 De stelling van eisers dat voornoemde arresten niet van toepassing zijn, omdat verweerder nimmer (naar tijd en plaats) heeft geconcretiseerd voor welke handelingen eisers verantwoordelijk worden gehouden, volgt de rechtbank niet. Deze arresten geven richtlijnen die bij de toetsing van artikel 8 van het EVRM in een ongewenstverklaringsprocedure aangelegd moeten worden en zijn neergelegd in het beleid van verweerder (paragraaf B2/10.2.3.1 van de Vc). Deze richtlijnen zien niet alleen op gevallen waar sprake is van een vergrijp dat heeft geleid tot strafrechtelijke vervolging, zoals eisers stellen, maar ook op een geval als dit. Hierboven is onder 2.35 al geoordeeld dat eisers, zij het indirect, verantwoordelijk worden gehouden voor mensenrechtenschendingen als bedoel in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Deze beroepsgrond faalt.

2.52 De rechtbank overweegt hierover als volgt. Aan eisers is artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen, hetgeen een schending van de openbare orde betekent. De rechtbank heeft dat hiervoor onder 2.50 geaccepteerd. De handelingen waarvoor eisers verantwoordelijk worden gehouden leveren ook naar Nederlands recht ernstige misdrijven op. De schending van de openbare orde is naar het oordeel van de rechtbank dan ook zo ernstig dat het belang van de staat op dit punt meer dient te wegen dan het belang van eisers. Vanwege de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zijn de aan eisers verleende verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht ingetrokken, hetgeen betekent dat eisers nooit rechtmatig op grond van een verblijfsvergunning in Nederland hebben verbleven. Zij verblijven feitelijk echter sinds 1994/1995 in Nederland, zij het achteraf bezien zonder verblijfstitel. Dit kan er echter niet toe leiden dat aan eisers verblijf moet worden toegestaan. Nu hun verblijfsvergunningen zijn ingetrokken, mochten zij er niet op vertrouwen dat de uitoefening van het gezinsleven hier te lande blijvend zou worden toegestaan. Gelet op de ernst van de tegengeworpen handelingen kan de periode die sindsdien is verstreken (van hun eventuele werkzaamheden na 1992 wordt hun niets meer tegengeworpen) geen reden vormen om hun alsnog verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM toe te staan. De vraag of eisers bij het aangaan van het gezinsleven op de hoogte waren van de handelingen waarvoor de andere echtgeno(o)t(e) verantwoordelijk wordt gehouden, is in dit geval niet relevant, aangezien het gezinsleven tussen eisers onderling niet wordt onderbroken, nu zij beiden ongewenst zijn verklaard en zij daarom beiden Nederland dienen te verlaten.

De omstandigheid dat eisers beiden de Afghaanse nationaliteit hebben en hun dochter de Nederlandse nationaliteit betekent niet dat het gezinsleven alleen in Nederland kan worden uitgeoefend. Hierbij heeft verweerder van belang mogen achten dat eisers bij vestiging en intensivering van het gezinsleven wisten of hadden moeten weten dat het uitoefenen van dat gezinsleven niet blijvend zou worden toegestaan. In een situatie waarin het gaat om een relatie tussen volwassenen is verder slechts sprake van een beschermenswaardige familie- of gezinsrelatie in de zin van artikel 8 van het EVRM als er gesproken kan worden van "more than normal emotional ties". Dit is het criterium dat volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer het arrest van 3 juli 2001, LJN: AD5820) wordt toepast bij de beantwoording van de vraag of er tussen volwassenen sprake is van een beschermenswaardige relatie in de zin van artikel 8 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet gebleken van meer dan de gebruikelijke emotionele banden. De enkele stelling dat eisers en hun dochter niet in een normale situatie zitten, is daarvoor onvoldoende. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat hun dochter meer dan gebruikelijk van hen afhankelijk is. Dat de dochter psychische problemen heeft ontwikkeld vanwege de onzekerheid over de procedures van haar ouders is niet nader onderbouwd met medische stukken. De enkele stelling dat zij zich door een psycholoog laat bijstaan, is onvoldoende om te spreken van meer dan gebruikelijke emotionele banden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid aan het belang van de staat meer waarde heeft mogen hechten dan aan het belang van eisers bij de uitoefening van het gezinsleven in Nederland. Deze beroepsgronden falen.

2.53 Over het beroep op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), overweegt de rechtbank dat alle in dit kader aangevoerde omstandigheden al zijn besproken bij het beroep op artikel 3 van het EVRM. De rechtbank volstaat met verwijzing naar hetgeen daar is overwogen. Het beroep op artikel 4:84 van de Awb kan daarom niet slagen.

2.54 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen eisers ongewenst te verklaren.

2.55 Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de bestreden besluiten onrechtmatig zijn. De rechtbank heeft de beroepsgronden zoals zij die in haar brief van 18 januari 2011 heeft geïnventariseerd, door eisers van commentaar voorzien bij brieven van 25 en 31 januari 2011, hiermee alle besproken of irrelevant voor het oordeel verklaard. De beroepen zijn ongegrond.

2.56 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, als voorzitter, en mr. M. Ramsaroep en mr. C.A. Zijlstra, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2011.

De griffier: De voorzitter:

mr. K.S. Smits mr. D.A. Verburg

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.