Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9435

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2011
Datum publicatie
28-03-2011
Zaaknummer
AWB 11/7707
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. Voorafgaand aan de thans aan de orde zijnde inbewaringstelling van 5 maart 2011, heeft eiser van 22 december 2008 tot 15 mei 2009 in vreemdelingenbewaring verbleven, van 15 mei 2009 tot 6 januari 2011 in strafrechtelijke detentie, van 6 januari 2011 tot 15 februari 2011 weer in vreemdelingenbewaring en van 15 februari 2011 tot 5 maart 2011 opnieuw in strafrechtelijke detentie. De sinds 22 december 2008 voortdurende vrijheidsontneming had, toen eiser op 5 maart 2011 opnieuw in bewaring werd gesteld, reeds zes maanden op vreemdelingrechtelijke titel plaatsgevonden.

2. Deze nevenzittingsplaats van de rechtbank heeft in haar uitspraak van 12 januari 2011 (LJN BP0653) overwogen dat in de Terugkeerrichtlijn geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor het oordeel dat de termijn van vreemdelingrechtelijke vrijheidsontneming na iedere tussentijdse strafrechtelijke detentie opnieuw aanvangt. Voorts heeft deze nevenzittingsplaats van de rechtbank in haar uitspraak van 12 januari 2011 (LJN BP0657) geoordeeld dat sinds 25 december 2010 de bevoegdheid voor verweerder ontbreekt om een bewaring die zes maanden heeft voortgeduurd te verlengen, nu in de nationale wetgeving geen bepaling is opgenomen waarin onder de voorwaarden als genoemd in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn de bevoegdheid is gecreëerd om een bewaring die in beginsel gehouden is aan een termijn van zes maanden, te verlengen. Uit deze uitspraken, in onderling verband bezien, volgt dat verweerder niet bevoegd was eiser opnieuw in vreemdelingen te stellen, nu eiser ten tijde van de thans aan de orde zijnde inbewaringstelling reeds zes maanden op vreemdelingrechtelijke titel had vastgezeten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr : AWB 11/7707

V-nummer: […]

Inzake: [voorletters en familienaam eiser],eiser,

gemachtigde mr. A.K.J. Plaisier, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde mr. M. Erik.

I Procesverloop

1 Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum en -jaar] en de Ghanese nationaliteit te bezitten.

2 Op 7 maart 2011 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 maart 2011 waarbij eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de maatregel van bewaring is opgelegd.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 17 maart 2011. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 15, vijfde lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) wordt de bewaring gehandhaafd zolang de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich voordoen en zij noodzakelijk is om een geslaagde verwijdering te garanderen. Iedere lidstaat stelt een maximale bewaringsduur vast die niet meer dan zes maanden mag bedragen.

1.2 Ingevolge artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn kunnen de lidstaten de in het vijfde lid bedoelde termijn overeenkomstig de nationale wetgeving slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden verlengen indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat:

a) de betrokken onderdaan van een derde land niet meewerkt, of

b) de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten.

1.3 Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, voor zover thans van belang, doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 24 december 2010 aan deze richtlijn te voldoen.

1.4 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of voortzetting van de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.1 Eiser stelt dat zijn bewaring onrechtmatig moet worden geacht, nu in strijd is gehandeld met de Terugkeerrichtlijn. De maximumduur van de bewaring is in de Terugkeerrichtlijn bepaald op zes maanden en wanneer de duur van alle aaneengesloten inbewaringstellingen, die werden onderbroken door strafrechtelijke detenties, bij elkaar worden opgeteld, zit eiser thans meer dan zes maanden in bewaring. De maatregel van bewaring is derhalve van meet af aan onrechtmatig, aldus eiser.

2.2 Verweerder heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat de huidige maatregel is opgelegd op 5 maart 2011 en dat die datum bepalend is voor de duur ervan. De omstandigheid dat eiser achtereenvolgens in vreemdelingenbewaring, strafrechtelijke detentie, vreemdelingenbewaring, strafrechtelijke detentie en weer in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, kan wel een rol spelen in het kader van de belangenafweging.

2.3 Voorafgaand aan de thans aan de orde zijnde inbewaringstelling van 5 maart 2011, heeft eiser van 22 december 2008 tot 15 mei 2009 in vreemdelingenbewaring verbleven, van 15 mei 2009 tot 6 januari 2011 in strafrechtelijke detentie, van 6 januari 2011 tot 15 februari 2011 weer in vreemdelingenbewaring en van 15 februari 2011 tot 5 maart 2011 opnieuw in strafrechtelijke detentie. De sinds 22 december 2008 voortdurende vrijheidsontneming had, toen eiser op 5 maart 2011 opnieuw in bewaring werd gesteld, reeds zes maanden op vreemdelingrechtelijke titel plaatsgevonden.

2.4 Deze nevenzittingsplaats van de rechtbank heeft in haar uitspraak van 12 januari 2011 (LJN BP0653) overwogen dat in de Terugkeerrichtlijn geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor het oordeel dat de termijn van vreemdelingrechtelijke vrijheidsontneming na iedere tussentijdse strafrechtelijke detentie opnieuw aanvangt. Voorts heeft deze nevenzittingsplaats van de rechtbank in haar uitspraak van 12 januari 2011 (LJN BP0657) geoordeeld dat sinds 25 december 2010 de bevoegdheid voor verweerder ontbreekt om een bewaring die zes maanden heeft voortgeduurd te verlengen, nu in de nationale wetgeving geen bepaling is opgenomen waarin onder de voorwaarden als genoemd in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn de bevoegdheid is gecreëerd om een bewaring die in beginsel gehouden is aan een termijn van zes maanden, te verlengen.

2.5 Uit deze uitspraken, in onderling verband bezien, volgt dat verweerder niet bevoegd was hem opnieuw in vreemdelingen te stellen, nu eiser ten tijde van de thans aan de orde zijnde inbewaringstelling reeds zes maanden op vreemdelingrechtelijke titel had vastgezeten.

2.6 De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig moet worden geacht.

2.7 Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van 21 maart 2011.

2.8 Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor 16 dagen onrechtmatige bewaring in een huis van bewaring (van 5 maart 2011 tot 21 maart 2011) ten bedrage van 16 x € 80,- = € 1.280,-.

2.9 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 21 maart 2011;

3 wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser schadevergoeding toe ten bedrage van € 1.280,-- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,- en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald.

Aldus gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.L. Heins, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 21 maart 2011.

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroep¬schrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingen¬zaken, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: