Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP8224

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
21-03-2011
Zaaknummer
AWB 08/795 OB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BY8280, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verhuurconstructie medische apparatuur. Misbruik van recht (arrest HvJ EG zaak Halifax en arrest HvJ EG zaak Weald Leasing). Naheffing van voorbelasting in onderhavig geval terecht. Rechtszekerheidsbeginsel. Vertrouwensbeginsel. Gelijkheidsbeginsel. Herdefiniëring van de verrichte transacties leidt tot vermindering van de naheffingsaanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 1219 met annotatie van Thijssen
FutD 2011-0726
V-N 2011/26.2.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08/795 OB

Uitspraakdatum: 23 februari 2011

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1. Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) omzetbelasting opgelegd van € 1.097.433, waarbij een bedrag van € 17.692 aan heffingsrente in rekening is gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 november 2007 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 19 december 2007, door de rechtbank Breda ontvangen op 20 december 2007 en door die rechtbank doorgezonden aan de rechtbank 's-Gravenhage, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2011 te 's-Gravenhage.

1.7. Namens eiseres zijn verschenen [A] en [B]. Namens verweerder zijn verschenen [C] en [D].

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

1.8. Eiseres is een commanditaire vennootschap die op 27 december 2000 is aangegaan door [E] BV (hierna: Beheer BV) en [F] (hierna: ziekenhuis). Het ziekenhuis is commanditaire vennoot, Beheer BV treedt op als beherend vennoot. Eiseres heeft naar tussen partijen niet in geschil is als doel: "Het voor gemeenschappelijke rekening uitoefenen van een onderneming, omvattende het verkrijgen, beheren en exploiteren van machines, instrumenten, en andere goederen ten dienste van de gezondheidszorg en het verhuren of leasen van die goederen; en voorts het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daaraan bevorderlijk kan zijn."

Eiseres heeft geen personeel in dienst. De vertegenwoordiging jegens derden en de controlewerkzaamheden worden tegen vergoeding verricht door Beheer BV. De administratie van eiseres wordt verzorgd door [G].

1.9. Het ziekenhuis heeft bij de oprichting van eiseres € 450 commanditair kapitaal ingebracht. Daarnaast heeft het ziekenhuis met enige regelmatig kapitaal gestort op de rekening van eiseres naar gelang daar behoefte aan was wegens het verrichten van investeringen of ter dekking van kosten.

1.10. Eiseres maakt deel uit van een serie commanditaire vennootschappen die steeds voor een termijn van één kalenderjaar door het ziekenhuis werden ingeschakeld bij het aankopen van instrumenten en andere goederen. In alle gevallen is de beherend vennoot een BV waarvan [H] (hierna: de Stichting) aandeelhouder is. Jaarlijks sluiten het ziekenhuis en de Stichting een overeenkomst van geldlening. Met het geleende geld (€ 18.000) richt de Stichting de beheermaatschappij op. De beheermaatschappij en het ziekenhuis gaan vervolgens een commanditaire vennootschap aan. Tussen de Stichting en het ziekenhuis is op 10 december 2000 een optieovereenkomst gesloten, inhoudende dat het ziekenhuis na verloop van vijf jaren de aandelen in de beheermaatschappij kan overnemen voor een koopprijs gelijk aan de door het ziekenhuis aan de Stichting verstrekte lening.

1.11. In geval het ziekenhuis behoefte heeft aan nieuwe goederen met een kostprijs vanaf € 15.000, schaft eiseres deze goederen (hierna ook: de goederen) aan. Vervolgens verhuurt eiseres de goederen aan het ziekenhuis. Eiseres is niet betrokken bij het inkooptraject. Het ziekenhuis verricht alle werkzaamheden om te komen tot de aanschaf van de goederen, zoals het inwinnen van informatie bij leveranciers, het onderhouden van de contacten met de leveranciers, het regelen van bestellingen op proef, alsmede het voeren van onderhandelingen en het bedingen van korting. Ook ruilt het ziekenhuis oude apparatuur in bij leveranciers om daarmee korting te verkrijgen op de aanschafprijs van nieuwe goederen. Het ziekenhuis maakt, nadat hij zijn keuze voor een bepaald goed heeft gemaakt, een orderbevestiging op en verzendt deze per e-mail naar eiseres. Eiseres schaft vervolgens de goederen op eigen naam en voor eigen rekening aan. De leveranciers leveren de goederen vervolgens rechtstreeks af respectievelijk installeren deze bij het ziekenhuis.

1.12. Eiseres heeft met het ziekenhuis voor het gebruik van de goederen een huurovereenkomst gesloten voor een periode van vijf jaar. Deze periode kan na afloop met vijf jaar worden verlengd. De jaarlijkse huurprijs bedraagt 10,5% van de aanschafwaarde van de goederen (exclusief omzetbelasting), gebaseerd op een afschrijvingstermijn van tien jaar, verhoogd met een opslag voor kosten en winst. In de huurovereenkomst is voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

"Artikel 3. Installering van het object.

3.1.

Het object zal door of namens verhuurder worden geïnstalleerd op de door huurder nader aan te geven adressen.

3.2.

Huurder zal voor eigen rekening zorgdragen dat de plaats van installatie geschikt is om het object te (laten) installeren met alle voorzieningen als gespecificeerd door de fabrikant en dat de elektrische leidingen geschikt zijn om het object te laten functioneren in overeenstemming met de voorwaarden van het plaatselijk elektriciteitsbedrijf.

Huurder zal er tevens voor zorgdragen dat de plaats van de installatie geschikt en beschikbaar is op de datum zoals vooraf overeengekomen. In deze ruimte of plaats moeten zodanige voorzieningen getroffen zijn, dat de betreffende leverancier het object binnen de door haar van tevoren opgegeven termijn kan installeren of gereed maken.

(...)

Artikel 7. Verplichtingen van verhuurder.

(...)

7.5

Verhuurder draagt bij dezen over c.q. cedeert aan huurder voor de looptijd van deze overeenkomst alle fabrieksgaranties voor zover nu of te eniger tijd van kracht. Huurder verklaart alle aanspraken uit dien hoofde alsmede alle andere aanspraken uit hoofde van tekortkomingen of gebreken van het object, niet-nakoming van verplichtingen door de fabrikant of schade, dientengevolge door hem of derden geleden, uitsluitend jegens de fabrikant te zullen uitoefenen, vrijwarende verhuurder ter zake. Verhuurder zal al het nodigde doen of laten om te bewerkstellingen dat huurder rechten ter zake van de garanties kan uitoefenen.

(...)

Artikel 8. Gebruiks- en bezitsrisico van huurder.

(...)

8.2

Huurder verklaart dat het object door hemzelf is uitgezocht en van een afmeting, ontwerp en capaciteit is die overeenkomt met zijn behoeften en doet afstand van enig beroep op dwaling ter zake jegens verhuurder.

Alle schade en/of aansprakelijkheid die direct of indirect mocht voortvloeien uit het bezit of gebruik van het object is voor risico van huurder, die verhuurder in de ruimste zin verklaart daartegen te vrijwaren; voor zover niet deze schade en/of aansprakelijkheid door verzekering is gedekt.

8.3

Verhuurder is niet aansprakelijk voor mogelijke gebreken, met betrekking tot de capaciteit, conditie, ouderdom, storingen en ander eigenschappen van de apparatuur. (..)

(...)

8.7

De goede werking van het object - voor zover niet gegarandeerd door de fabrikant - komt voor risico van huurder, alsmede alle nadeel en schade veroorzaakt door:

a. de ongelijkheid van het object voor het doel waarvoor huurder het nu of te eniger tijd bestemt;

b. fouten in de programma's of (standaard)instructies bij het object, welke te zamen met het object worden gebruikt.

Artikel 9. Verzekering

9.1

Huurder is verplicht het object te verzekeren en verzekerd te houden tegen schade aan of tenietgaan van het object wegens brand, diefstal en zaakbeschadiging, een en ander op condities en bij verzekeraars ten genoegen van verhuurder.

9.2

Verhuurder machtigt huurder tot het zelfstandig afwikkelen van schadeclaims, waartegenover huurder zich verbindt, alle aan hem uitgekeerde verzekeringspenningen te zullen aanwenden voor onmiddellijk herstel van de geleden schade.

(...)

9.4

Voor risico van huurder komt alle schade welke het gevolg is van niet-uitkering door de verzekeraar om enige niet bij verhuurder gelegen reden.

(...)

Artikel 10. Onderhoud

10.1

Huurder is jegens verhuurder verplicht het object te doen onderhouden op een door de fabrikant aan te geven wijze al dan niet op basis van een standaard-onderhoudscontract zoals nader overeen te komen.

(...)"

1.13. Naast de huurovereenkomst hebben eiseres en het ziekenhuis een koopoptie-overeenkomst gesloten. Het ziekenhuis verkrijgt bij die overeenkomst het recht om na afloop van de huurtermijn het goed te kopen voor ten minste 10% van de aanschafwaarde exclusief omzetbelasting. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat het ziekenhuis na afloop van de huurtermijn de koopoptie heeft uitgeoefend en de goederen heeft gekocht voor 10% van de oorspronkelijke aanschafwaarde. Verweerder heeft dit bevestigd en daaraan toegevoegd dat eiseres in verband met die leveringen € 142.000 aan omzetbelasting heeft voldaan.

1.14. In verband met de verhuur van de goederen heeft eiseres omzetbelasting aan het ziekenhuis in rekening gebracht en op aangifte voldaan. Eiseres heeft de voorbelasting ter zake van de aanschaf van de goederen in aftrek gebracht.

1.15. Op 21 april 2005 is een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. Van de bevindingen is een rapport opgemaakt waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort. Het rapport bevat, voor zover hier van belang, de volgende conclusie:

"3.6 Conclusie

Gezien de bovenstaande feiten zoals de offertes aan het ziekenhuis, de inruil door het ziekenhuis van oude apparatuur, het bedingen van kortingen, het ondertekenen van het overnameprotocol door het ziekenhuis, het opmaken van de order door het ziekenhuis, het uitbrengen van mondelinge orders, de interne correspondentie inzake facturen en de betaalbaarstelling daarvan maken wij op dat het ziekenhuis de feitelijke opdrachtgever is en dat de goederen feitelijk aan het ziekenhuis zijn geleverd. Hierdoor kan als enige conclusie worden getrokken dat de goederen rechtstreeks zijn geleverd aan het ziekenhuis. Dit betekent dat de CV nooit de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken heeft verkregen. De CV kan de haar in rekening gebrachte omzetbelasting dan ook niet als voorbelasting in aftrek brengen. Indien de CV wel geacht moet worden eigenaar te zijn geweest dat deze eigendom dan vervolgens aan het ziekenhuis heeft doorgeleverd. Wij komen tot deze conclusie mede op grond van onderstaande uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen."

Verweerder heeft op basis van deze conclusie de in aftrek gebrachte voorbelasting met de onderhavige aanslag nageheven.

Geschil

1.16. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de goederen aan eiseres zijn geleverd. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of sprake is van misbruik van recht. Voorts is in geschil of de aanslag is opgelegd in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. Indien de rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, is tussen partijen in geschil of de naheffingsaanslag dient te worden verminderd met de omzetbelasting over de huurtermijnen die eiseres op aangifte heeft voldaan.

1.17. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij zowel in juridische als in economische zin eigenaar van de goederen is geworden en dat zij deze bezigt voor het verrichten van belaste prestaties, te weten de verhuur daarvan. Er is volgens eiseres geen sprake van misbruik van recht, zij verwijst daartoe ondermeer naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) van 22 december 2010, C-103/09 Weald Leasing, EUR-Lex 62009J0103 (hierna: het Weald Leasing-arrest). Voorts stelt zij dat de aanslag in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is opgelegd omdat de Hoge Raad een soortgelijke constructie reeds in 2000 heeft goedgekeurd en het HvJ EG eerst in 2006 het zogenoemde Halifax arrest heeft gewezen, waarin voor het eerst werd gesproken over misbruik van recht. Ten tijde van het sluiten van de huur/leaseovereenkomst door eiseres kon daarom nog geen sprake zijn van misbruik van recht. Ook stelt eiseres dat met de belastingdienst is overeengekomen dat de uitkomst van een proefprocedure inzake drie andere commanditaire vennootschappen ook van toepassing zou zijn op onderhavige constructie. Door de aanslag niet te vernietigen heeft verweerder gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. In dat verband stelt eiseres tevens dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel nu uit de behandeling van die drie andere commanditaire vennootschappen blijkt dat sprake is van een begunstigend beleid. Indien de rechtbank oordeelt dat sprake is van misbruik van recht, moeten de in het kader daarvan verrichte transacties zo worden geherdefinieerd dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dit misbruik vormen. Dat brengt dan met zich dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd met alle omzetbelasting die eiseres heeft voldaan ter zake van de door haar verrichte verhuurdiensten, ongeacht in welk tijdvak die belasting is voldaan.

1.18. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de goederen niet aan eiseres, maar aan het ziekenhuis zijn geleverd. Daardoor komt aan eiseres niet het recht toe de voorbelasting af te trekken. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat sprake is van misbruik van recht. Indien de rechtbank oordeelt dat sprake is van misbruik van recht dient de aanslag te worden verminderd met de belasting die eiseres ter zake van de huurtermijnen op de aangiften over de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 heeft voldaan.

1.19. Eiseres concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de belastingaanslag. Subsidiair concludeert eiseres tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag.

1.20. Verweerder concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep. Subsidiair concludeert verweerder tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag.

1.21. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

II OVERWEGINGEN

Levering van de goederen

2.1. Goederen worden in de zin van de Wet geleverd door de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken aan een ander over te dragen (HvJ EG 8 februari 1990, [I] B.V., C-320/88, LJN: AS7032, en HR 4 juli 1990, nr. 24942, LJN: ZC3924). Voor de beantwoording van de vraag of de leveranciers de goederen aan eiseres hebben geleverd, moet dus worden beoordeeld of de macht om als een eigenaar over de goederen te beschikken aan eiseres is overgedragen. Meer specifiek staat de rechtbank voor de vraag of de leveranciers de goederen aan eiseres (standpunt eiseres) of aan het ziekenhuis (standpunt verweerder) hebben geleverd. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres degene is die met de leveranciers de koopovereenkomsten heeft gesloten en dat eiseres de vergoedingen voor de goederen heeft betaald. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de tussen eiseres en het ziekenhuis gesloten en door hen ondertekende overeenkomst van huur en verhuur voor het tweede kwartaal 2001. Gesteld noch gebleken is dat de andere huurovereenkomsten significant andersluidend zijn. Uit die overeenkomst leidt de rechtbank af dat eiseres en het ziekenhuis niet de bedoeling hebben gehad dat de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken door de leveranciers zou worden overgedragen aan het ziekenhuis of direct bij levering door de leveranciers op andere wijze bij het ziekenhuis terecht zou komen. Zo valt te lezen in artikel 1: "[eiseres] verklaart te verhuren aan [het ziekenhuis], gelijk deze verklaart te huren van [eiseres] de in de aan deze overeenkomst gehechte bijlage omschreven roerende zaken, hierna te noemen "het object". In artikel 6.1 van de overeenkomst is bepaald dat het object eigendom is en blijft van [eiseres] en door [eiseres] mag worden weggehaald bij het verstrijken van de [huurperiode] en/of in de gevallen als in artikel 11 omschreven. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de macht om als een eigenaar over de goederen te beschikken, door de leveranciers is overgedragen aan eiseres. Dat, zoals verweerder stelt, alle door het ziekenhuis gewenste medische apparatuur zonder enig voorbehoud door eiseres werd besteld en exclusief aan het ziekenhuis ter beschikking werd gesteld, eiseres niet betrokken is bij de onderhandelingen met de leverancier en het ziekenhuis de apparatuur feitelijk heeft gefinancierd, is niet voldoende om te oordelen dat de macht om als eigenaar over de desbetreffende goederen te beschikken door de leveranciers is overgedragen aan het ziekenhuis. De stelling van verweerder dat het ziekenhuis feitelijk als eigenaar over de goederen kon beschikken omdat zij op ieder gewenst moment de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken kon verkrijgen door de uitoefening van de koopoptie op de aandelen in Beheer BV, mist feitelijke grondslag. Het ziekenhuis kon immers pas na vijf jaar die optie uitoefenen. Voorts is gesteld noch gebleken dat eiseres een onherroepelijke volmacht aan het ziekenhuis heeft verstrekt om de goederen te kunnen vervreemden of bezwaren of dat eiseres zich jegens het ziekenhuis heeft verplicht om op verzoek mee te werken aan een overdracht van de goederen aan derden.

Misbruik van recht

2.3. In zijn arrest van 21 februari 2006 (Halifax), nr. C-255/02, LJN: AV4241, EUR-Lex 62002J0255 (hierna: Halifax-arrest) heeft het HvJ EG over misbruik van recht voor recht verklaard (ov. 99):

"De Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen het recht van een belastingplichtige om de voorbelasting af te trekken indien de transacties waarop dit recht is gebaseerd een misbruik vormen.

Om te kunnen vaststellen dat sprake is van misbruik, is ten eerste vereist dat de betrokken transacties, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden in de desbetreffende bepalingen van de Zesde richtlijn en de nationale wettelijke regeling tot omzetting daarvan, ertoe leiden dat in strijd met het doel van deze bepalingen een belastingvoordeel wordt toegekend. Ten tweede moet uit een geheel van objectieve factoren blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen."

Voor de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van misbruik van recht, dient de rechtbank derhalve te beoordelen of hier in strijd met het doel van voormelde bepalingen een belastingvoordeel wordt toegekend en vervolgens of uit het geheel van objectieve factoren blijkt dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestond een belastingvoordeel te verkrijgen.

2.4. Aangaande de vraag of hier in strijd met het doel van voormelde bepalingen een belastingvoordeel is toegekend, overweegt de rechtbank dat uitgangspunt van de Zesde richtlijn en de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) is, dat geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat voor zover een ondernemer aan hem geleverde goederen en aan hem verrichte diensten bezigt voor het verrichten van vrijgestelde handelingen. Gelet op de aard van de prestaties van een ziekenhuis heeft een dergelijke instelling hoofdzakelijk geen recht op aftrek van voorbelasting. Binnen de door eiseres en het ziekenhuis opgezette structuur leveren de leveranciers de goederen aan eiseres, die de goederen verhuurt aan het ziekenhuis. Doordat die verhuur een belaste dienst is, kon eiseres de op de goederen drukkende voorbelasting integraal aftrekken (en was zij de belasting ter zake van de verhuur verschuldigd). Dit leidt er in die structuur toe dat in economische zin voor het ziekenhuis de voorbelasting wordt uitgesmeerd over de huurperiode. Het behalen van een dergelijk (financierings)voordeel levert op zich geen strijd op met het doel van de Zesde Richtlijn en de Wet. Dat is evenwel anders indien de contractvoorwaarden inzake de verhuur, in het bijzonder die met betrekking tot de vaststelling van de huurvergoeding, niet zouden overeenstemmen met normale marktvoorwaarden (Weald Leasing-arrest).

Naar het oordeel van de rechtbank is van normale marktvoorwaarden in onderhavig geval echter geen sprake, omdat het ziekenhuis naast het voordeel van de spreiding van de niet-aftrekbare voorbelasting de mogelijkheid kreeg en die mogelijkheid ook heeft benut om de goederen na ommekomst van een periode van 5 jaar te kopen voor 10% van de oorspronkelijke aanschafwaarde. Daardoor betaalde het ziekenhuis per saldo slechts 62,5% van de vergoeding die het zou hebben moeten betalen als de leveranciers de goederen direct aan het ziekenhuis zouden hebben geleverd. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet die mogelijkheid tot koop van de goederen voor 10% van de oorspronkelijke aanschafwaarde in combinatie met de hoogte van de huurprijs en de minimum huurperiode, niet aan het vereiste van normale marktvoorwaarden. Immers een zakelijk handelende verhuurder of lessor zou geen genoegen nemen met een opbrengst die niet meer dan 62,5% van zijn eigen verkrijgingsprijs omvat. Een dergelijke verhuurder zou een hogere huurprijs of leasetermijn en/of een langere verhuurperiode en/of een hogere koopoptieprijs bedingen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de door eiseres genoten aftrek van voorbelasting ertoe leidt dat in strijd met het doel van de Zesde richtlijn en de Wet een belastingvoordeel wordt genoten.

2.5. Aangaande de vraag of het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen, stelt de rechtbank voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast met zich brengt dat het op de weg van eiseres ligt aannemelijk te maken dat aan de betrokken transacties een ander wezenlijk doel ten grondslag lag. Daartoe heeft eiseres gesteld dat het ziekenhuis ruimere investeringsmogelijkheden kreeg door de goederen te huren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat daarvan - buiten de extra financiële ruimte die ontstond door het belastingvoordeel - sprake was. Het ziekenhuis zorgde immers zelf voor financiering van alle goederen door storting van commanditair kapitaal, zodat het financieringsvoordeel feitelijk alleen bestond uit het belastingvoordeel. Eiseres heeft dit ter zitting ook erkend. Ook uit de in het controlerapport geciteerde notitie "Toelichting BV/CV constructie", welke notitie door het ziekenhuis aan de controlemedewerkers van de belastingdienst is overgelegd, leidt de rechtbank af dat het omzetbelastingvoordeel vooropstond. De tekst van die notitie luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Het doel van de constructie

Het [F] is niet BTW-plichtig en kan over haar inkoop geen BTW terugvorderen. Bij investeringen gaat dit om aanzienlijke bedragen. N overleg met de accountant en de belastingadviseur is gekeken naar een mogelijkheid om toch BTW-voordeel te verkrijgen. Zodoende is de BV/CV constructie ontstaan."

Eiseres heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat het behalen van een omzetbelastingvoordeel niet het wezenlijke doel was van de onderhavige (ver)huurstructuur.

Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat die structuur kwalificeert als misbruik van recht.

Het rechtszekerheidbeginsel

2.6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat misbruik van recht haar niet kan worden tegengeworpen, omdat de Hoge Raad de constructie vóór het Halifax-arrest van het Hof van Justitie van de EG heeft goedgekeurd, waardoor het rechtszekerheidsbeginsel aan die tegenwerping in de weg staat. Daarover overweegt de rechtbank dat in het arrest waar eiseres op doelt, HR 25 juli 2000, nr. 35888, LJN: AA6599, tussen partijen in geschil was of de in die procedure betrokken commanditaire vennootschap kwalificeerde als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dat arrest niet worden gelezen dat de Hoge Raad een verhuurstructuur als de onderhavige heeft goedgekeurd. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt derhalve reeds op die grond.

Het vertrouwensbeginsel

2.7. Tot september 2001 viel eiseres onder de competentie van de belastingdienst/[plaats 1]. In september 2001 is die competentie overgedragen aan de belastingdienst [plaats 2]. Ten tijde van de competentieoverdracht liep bij de belastingdienst/[plaats 1] een proefprocedure met betrekking tot drie commanditaire vennootschappen die evenals eiseres deel uitmaakten van een (ver)huurstructuur als de onderhavige. De uitkomst in de proefprocedures zou, aldus eiseres, bindend zijn voor alle commanditaire vennootschappen die vielen onder [plaats 1]. Aangezien bij de evenbedoelde drie commanditaire vennootschappen de naheffingsaanslagen zijn verminderd tot het bedrag aan omzetbelasting dat was teruggevraagd op facturen met formele gebreken, mocht eiseres erop vertrouwen dat ook haar naheffingsaanslag dienovereenkomstig zou worden vernietigd, dan wel verminderd.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat eiseres, op wier weg het ligt dit aannemelijk te maken, het bestaan van een dergelijke afspraak of toezegging niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er geen afspraken of toezeggingen op papier zijn vastgelegd.

Het gelijkheidsbeginsel

2.8. Ter onderbouwing van haar stelling dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, voert eiseres aan dat uit het handelen van de belastingdienst/Ondernemingen Gorinchem inzake de drie commanditaire vennootschappen genoemd onder 2.8 blijkt dat aldaar een begunstigend beleid werd gevoerd ten aanzien van soortgelijke commanditaire vennootschappen. Eiseres neemt het standpunt in dat dit beleid ook op haar van toepassing is nu zij tot september 2001 onder de competentie van die eenheid viel en de naheffingsaanslag voor het overgrote deel ziet op de periode tot september 2001.

2.9. De rechtbank overweegt daarover dat tot de gedingstukken een schriftelijke verklaring van de inspecteur te Gorinchem behoort. Uit deze verklaring blijkt dat met de drie in 2.8 genoemde commanditaire vennootschappen in de bezwaarprocedure een compromis is overeengekomen waarbij het ondernemerschap is geaccepteerd. De rechtbank begrijpt uit die schriftelijke verklaring dat de inspecteur bij die commanditaire vennootschappen de stelling had ingenomen dat zij niet kwalificeerden als ondernemer in de zin van de Wet. Op 25 juli 2000 heeft de Hoge Raad in een vergelijkbaar geval geoordeeld dat de daar betrokken commanditaire vennootschap ondernemer was in de zin van artikel 7 van de Wet. De rechtbank acht aannemelijk dat het compromis met de drie commanditaire vennootschappen is gesloten naar aanleiding van dit arrest van de Hoge Raad en dat de inspecteur op dat moment in de veronderstelling verkeerde dat met de uitkomst van die procedure de mogelijkheden voor het bestrijden van de (ver)huurconstructies waren uitgeput. De rechtbank acht daarmee, nu overigens daartoe door eiseres verder niets is aangevoerd, niet aannemelijk geworden dat de behandeling van die drie commanditaire vennootschappen berustte op een begunstigend beleid.

Hoogte van de naheffingsaanslag

2.10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht aan eiseres opgelegd. Tussen partijen is dan nog in geschil of de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd met de door haar ter zake van de verhuur voldane omzetbelasting. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij dit laatste niet bestrijdt maar dat dit beperkt dient te blijven tot wat over het naheffingstijdvak op aangiften is voldaan. Voor latere tijdvakken dient een apart verzoek om teruggaaf te worden gedaan. Volgens eiseres heeft zij ter zake van de verhuur gedurende de jaren 2001 tot en met 2006 de volgende bedragen aan omzetbelasting op aangiften voldaan:

Tabel 1

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat eiseres in 2001 en 2002 een hoger bedrag aan omzetbelasting heeft voldaan namelijk in 2001 € 39.106 en in 2002 € 152.897. In totaal is derhalve op aangiften een bedrag van € 686.994 voldaan.

Voorts heeft verweerder ter zitting gesteld dat de naheffingsaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, omdat eiseres een intracommunautaire verwerving heeft verricht en de ter zake door eiseres in aftrek gebrachte omzetbelasting ten bedrage van € 351.070 ten onrechte niet is nageheven. Verweerder doet daarom een beroep op interne compensatie. Eiseres heeft ter zitting bevestigd dat de even bedoelde intracommunautaire levering heeft plaatsgevonden en dat daarmee een omzetbelastingbedrag van € 351.070 is gemoeid.

2.11. In het Halifax-arrest heeft het HvJ EG onder meer geoordeeld:

"Wanneer een misbruik is vastgesteld, moeten de in het kader daarvan verrichte transacties zo worden geherdefinieerd dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dit misbruik vormen."

Naar het oordeel van de rechtbank wordt dat resultaat bereikt door het negeren van zowel de door eiseres geclaimde aftrek van voorbelasting als de door eiseres ter zake van de verhuur en de verkoop van de goederen voldane omzetbelasting. In dit kader verdient opmerking dat het HvJ EG in het Halifax-arrest heeft geoordeeld dat de belastingadministratie met terugwerkende kracht nabetaling van de afgetrokken bedragen mag vorderen voor elke transactie waarvan zij vaststelt dat misbruik is gemaakt van het recht op aftrek, maar dat de belastingadministratie daarvan ook elke belasting moet aftrekken die op een in een later stadium verrichte transactie heeft gedrukt, welke belasting de betrokken belastingplichtige artificieel was verschuldigd in het kader van de constructie om de belastingdruk te verlagen, en dat zij in voorkomend geval het teveel betaalde dient terug te geven. Hieruit volgt dat alle omzetbelasting die eiseres ter zake van de verhuur en de leveringen van de goederen die eiseres op aangifte heeft voldaan in mindering dient te worden gebracht op het bedrag van de naheffingsaanslag. Anders dan verweerder betoogt, is daarom voor een vermindering met alleen de belasting die door eiseres op aangifte is voldaan over het tijdvak waar de naheffingsaanslag op ziet, geen plaats.

2.12. Nu ingevolge het Halifax-arrest in geval van misbruik van het recht op aftrek de in het kader daarvan verrichte transacties moeten worden geherdefinieerd, dient ook hetgeen ter zake van de intracommunautaire verwerving als vermeld onder 2.11 is afgetrokken te worden gecorrigeerd. Dat dit bedrag kennelijk per abuis niet is verwerkt in de oorspronkelijke naheffingsaanslag maakt niet dat de herdefiniëring zoals die uit het Halifax-arrest volgt voor deze aftrek achterwege zou moeten blijven. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het bedrag van de naheffingsaanslag als volgt te worden vastgesteld:

Tabel 2

2.13. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

2.14. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

III BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 761.509 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder de kosten van het bezwaar en het beroep ten bedrage van € 805 aan eiseres te voldoen;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 285 aan haar vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. Ebbeling, mr. K.M. Braun en mr. R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.M.M.A. van der Vegt.

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.