Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7945

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
AWB 11/5566
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft geoordeeld dat nu thans gedurende veertien maanden geen nieuwe laissez-passers zijn verstrekt en verweerder bovendien geen enkele indicatie heeft gegeven binnen welke termijn met de Guinese autoriteiten in overleg zal worden getreden teneinde tot een wijziging van de houding van de Guinese autoriteiten te komen, niet gezegd kan worden dat er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig is.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 11 / 5566

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 94 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser], volgens zijn verklaring geboren op 14 maart 1977 en van Guinese nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum Rotterdam,

hierna te noemen: eiser,

gemachtigde mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Op 16 februari 2011 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

1.2. Bij beroepschrift van 17 februari 2011 is namens eiser beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt dit beroep tevens een verzoek tot toekenning van schadevergoeding in.

1.3. Bij faxbericht van 24 februari 2011 heeft verweerder nadere stukken ingezonden.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2011, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.O. Stiphout. Als tolk in de Franse taal was aanwezig W.I.M. Basile-van Rijswijk.

1.5. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek op 4 maart 2011 heropend, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een nadere toelichting te verschaffen.

1.6. Bij schrijven van 8 maart 2011 heeft verweerder de gevraagde nadere toelichting verschaft.

1.7. De rechtbank heeft vervolgens eiser in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de door verweerder overgelegde nadere toelichting. Bij schrijven van

9 maart 2011 heeft eiser op de door verweerder verstrekte informatie gereageerd.

1.8. Partijen hebben de rechtbank schriftelijk toestemming gegeven om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:57 van de Awb de behandeling ter zitting achterwege te laten, waarop de rechtbank op 14 maart 2011 het onderzoek heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met deze wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2.2. De rechtbank overweegt als volgt.

2.3. Verweerder heeft eiser krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser:

- niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000;

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel over voldoende middelen om zijn terugreis te bekostigen;

- eerder niet rechtmatig in Nederland heeft verbleven;

- zich heeft bediend van een of meerdere aliassen;

- gebruik heeft gemaakt van een vals/vervalst document;

- zich niet heeft gemeld bij de Korpschef;

- zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn;

- niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats.

2.4. Eiser heeft zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat aan de drie laatstgenoemde gronden geen waarde kan toekomen, nu eiser in het kader van een zogenoemde Dublinclaim naar Nederland is gekomen en hem derhalve niet tegengeworpen kan worden dat hij zich niet gemeld heeft bij de Korpschef, dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn en dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats.

2.5. Het namens eiser aangevoerde ten aanzien van de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, kan niet leiden tot het oordeel dat die bewaring onrechtmatig is. Aan de orde zijn immers slechts de vragen of eiser zich niet heeft gemeld bij de Korpschef, of eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn en of eiser niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats. Niet aan de orde is in hoeverre hij door de Nederlandse autoriteiten in de gelegenheid is gesteld om aan deze gronden te voldoen. Daarbij zijn de overige gronden niet door eiser bestreden en vormen die naar het oordeel van de rechtbank bovendien voldoende grond om de maatregel te dragen.

2.6. De rechtbank overweegt verder als volgt.

2.7. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting is gebleken dat op

23 februari 2011 een vertrekgesprek is gevoerd met eiser. Op diezelfde dag is een laissez-passeraanvraag ingevuld. Voorts is eiser op 24 februari 2011 bij de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: IOM) aangemeld teneinde vrijwillig te kunnen terugkeren.

2.8. Ten aanzien van eisers beroep op het ontbreken van zicht op uitzetting overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht van 4 november 2010 (LJN BO2892) en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), van 19 november 2010 (LJN BO5973) dat in 2009 de Guinese autoriteiten aan verweerder ongeveer vijf laissez-passers hebben verstrekt en in september 2010 één laissez-passer (hierna: lp) is verstrekt. Deze laatste lp betrof een verversing van een eerdere lp-toezegging. Nadien hebben de Guinese autoriteiten geen lp’s meer verstrekt. Ter zitting van 1 maart 2011 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat nog steeds onderhandelingen plaatsvinden met de Guinese autoriteiten. Bij schrijven van 8 maart 2011 heeft verweerder te kennen gegeven dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna DT&V) nog steeds voornemens is een gesprek te voeren met de ambassadeur van Guinee. Tot op heden, aldus verweerder in dat schrijven, heeft dat gesprek nog niet plaatsgevonden. In het schrijven van 8 maart 2011 is verder niet toegelicht op welke termijn alsnog een dergelijk gesprek zal of zal kunnen plaatsvinden. Voorts heeft verweerder gesteld dat in de periode van 1 januari 2010 tot 7 maart 2011 twee keer een lp is afgegeven ten behoeve van dezelfde persoon. Uit het eerder overwogene dat in in 2010 slechts een keer een lp is afgegeven volgt dat die afgifte in de periode van

1 januari 2010 tot 7 maart 2010 kennelijk wederom betrekking heeft op dezelfde persoon en het daarbij dus een herhaalde afgifte heeft betroffen ten aanzien van een persoon aan wie reeds eerder een lp was afgegeven. De rechtbank stelt dan ook vast dat niet is gebleken dat de Guinese autoriteiten na 2009 nog enige toezegging hebben gedaan op door verweerder nieuw ingediende lp-aanvragen. De rechtbank is van oordeel dat nu thans gedurende veertien maanden geen nieuwe lp’s zijn verstrekt en verweerder bovendien geen enkele indicatie heeft gegeven binnen welke termijn met de Guinese autoriteiten in overleg zal worden getreden teneinde tot een wijziging van de houding van de Guinese autoriteiten te komen, niet gezegd kan worden dat er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig is. Deze situatie bestond reeds ten tijde van de inbewaringsteling van eiser. Derhalve acht de rechtbank de bewaring van meet af aan onrechtmatig.

2.9. Nu de inbewaringstelling blijkens het voorgaande met ingang van 16 februari 2011 onrechtmatig is, acht de rechtbank termen aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen.

2.10. Eiser komt in beginsel over de periode van 16 februari 2011 tot 15 maart 2011 schadevergoeding toe. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 105,= voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 80,= voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht. In totaal bedraagt de schadevergoeding 2 x € 105,= en 25 x € 80,= is € 2210,=.

2.11. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 1092,50, voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand welk bedrag is opgebouwd uit:

- 1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

- 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

- 0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke reactie van 9 maart 2011;

- waarde per punt € 437,=;

- wegingsfactor 1.

2.12. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

2.13. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 15 maart 2011;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van verweerder, ten bedrage van € 2210,=;

bepaalt dat de uitbetaling geschiedt door de griffier van de rechtbank;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 1092,50, te vergoeden aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2011.

w.g. mr. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van

€ 2210,= (ZEGGE; TWEEDUIZENDTWEEHONDERDTIEN EURO)

Aldus gedaan op door mr. F.H. Machiels op 15 maart 2011

Afschrift verzonden: 15 maart 2011

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.