Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7883

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
387052 / KG ZA 11-155
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geldvordering. Lijden eisers schade door het handelen van gedaagden? Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 387052 / KG ZA 11-155

Vonnis in kort geding van 16 maart 2011

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TDV Holding B.V.,

gevestigd te Den Haag,

3. de commanditaire vennootschap

Hooibargen Holding C.V.,

gevestigd te Den Haag,

eisers,

advocaat mr. J. de Visser te Den Haag,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Zalwin Beheer B.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats],

gedaagden,

advocaat mr. M.C.V. Dornstedt te Brielle.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]', 'TDV' en 'Hooibargen Holding' (gezamenlijk: 'eisers') en 'Zalwin' en '[gedaagde sub 2]' (gezamenlijk: 'gedaagden').

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 9 maart 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [eiser] is eigenaar van TDV en Hooibargen Holding. [gedaagde sub 2] is eigenaar van Zalwin.

1.2. Op 8 oktober 2007 is een overeenkomst tussen Zalwin en de heer [A] (hierna: '[A]') gesloten ter zake de verhuur aan [A] van de bedrijfsruimte, staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: 'de bedrijfsruimte'). Van de huurovereenkomst maken de "Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte" deel uit. Daarin staat onder meer vermeld:

"Behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder is het huurder niet toegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan derden in huur, onderhuur of gebruik af te staan, dan wel de huurrechten geheel of gedeeltelijk aan derden over te dragen of in te brengen in een personenvennootschap of rechtspersoon."

1.3. Eveneens op 8 oktober 2007 heeft [gedaagde sub 2] als directeur van de uiteindelijke moedervennootschap van de Boerderij v/h in de Drie Hooibargen B.V. (hierna: 'de onderneming') een overeenkomst gesloten met [A], waarmee de activiteiten, handelsnaam en inventaris van de onderneming zijn overgedragen aan [A]. In deze overeenkomst staat onder meer vermeld:

"Indien de koper besluit het in deze overeenkomst gekochte te verkopen dan heeft de heer [gedaagde sub 2] het 1e kooprecht. Van dit besluit stelt de koper de heer [gedaagde sub 2] schriftelijk in kennis. De heer [gedaagde sub 2] heeft vervolgens twee weken de tijd om koper schriftelijk mee te delen in hoeverre hij of een nader te noemen meester op dit aanbod wenst in te gaan."

1.4. Op 27 augustus 2009 is een akte van levering opgesteld tussen [A], voor zich in privé en als bestuurder van [A] en Zonen B.V. (de verkoper) en [eiser], als gevolmachtigde van Hooibargen Holding (de koper). In de akte staat onder meer vermeld:

"Verkoper heeft blijkens een schriftelijke koopovereenkomst gedateerd vijftien juli tweeduizend negen verkocht aan koper, die blijkens die koopovereenkomst heeft gekocht van verkoper:

- de goodwill, de inventaris, de voorraden, de handelsnaam en vergunningen welke tot vandaag behoorden tot het door verkoper geëxploiteerde restaurant "De Drie Hooibargen", gevestigd te [plaats] op het adres [adres], alsmede de huurrechten betreffende het restaurant het reserveringenboek en inzage in de (financiële) administratie."

1.5. Op 3 februari 2010 is door [A] en [A] en Zonen B.V. een indeplaatsstellingsprocedure ten gunste van Hooibargen Holding jegens Zalwin aanhangig gemaakt bij de kantonrechter van deze rechtbank ten aanzien van de huur van de bedrijfsruimte.

1.6. In een op 23 april 2010 tussen Zalwin en [eiser] opgestelde overeenkomst staat onder meer vermeld:

"IN AANMERKING NEMENDE:

- dat [eiser], Zalwin heeft benaderd met de vraag of zij met hem in overleg wil treden omtrent het door [eiser] in huur nemen van het partijen genoegzaam bekende object "De Drie Hooibargen" te Zoetermeer;

- dat, daarmee samenhangende, [eiser] heeft aangegeven de thans bij de Rechtbank 's-Gravenhage, sector Kanton, locatie Delft lopende procedure tot indeplaatsstelling (ingesteld door [A] en [A] & Zonen B.V. ten behoeve van de feitelijk door [eiser] gedreven vennootschap De Drie Hooibargen Holding C.V.) niet te willen vervolgen, ook samenhangende met diens inschatting van zijn positie daarin;

(...)

- dat [eiser], daarmee samenhangende, uitdrukkelijk jegens Zalwin heeft erkend dat als rechthebbende van de zich in het gehuurde bevindende inventaris heeft te gelden de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Boerderij, voorheen "In de drie Hooibargen B.V."; [achter deze bepaling staat met pen geschreven: 'niet van toepassing' met de parafen van partijen erbij, voorzieningenrechter]

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

1. [eiser] zal per vroegst mogelijke datum -een en ander ook samenhangend met hetgeen in artikel 6 van deze overeenkomst is bepaald- genoemd object van Zalwin huren, (...)

Tot zekerheid van de deugdelijke nakoming van de dienaangaande op [eiser] rustende betalingsverplichtingen verpandt hij danwel TDV Holding de volledige bedrijfsinventaris, zich bevindende aan de [adres] te [plaats], aan Zalwin danwel een aan haar gelieerde vennootschap. Partijen zullen daartoe doen danwel nalaten wat daarvoor nodig danwel daaraan bevorderlijk is."

1.7. Op 15 december 2010 is [gedaagde sub 2] de bedrijfsruimte binnengetreden en heeft hij alle sloten laten vervangen. [eiser] heeft op dezelfde datum aangifte gedaan van chantage/afpersing. [B], voormalig raadsman van [eiser], heeft op 15 december 2010 aan de advocaat van [gedaagde sub 2] geschreven:

"Van [eiser] heb ik begrepen dat uw cliënt -de heer [gedaagde sub 2]- de sloten van het restaurant heeft vervangen en al het personeel naar huis heeft gestuurd. De heer [eiser] heeft contact opgenomen met de heer [gedaagde sub 2] en kreeg ene "[...]" aan de lijn. Aan [eiser] werd verteld dat hij de vorderingen van de leverancier [...] (of een soortgelijk klinkende naam) moest betalen plus de huurachterstand en dat dan de onderneming weer ter beschikking zou worden gesteld.

Dit is afpersing cq chantage en is een misdrijf. (...)

Ik verzoek u het ertoe te leiden dat cliënt weer toegang krijgt tot de onderneming. Uw cliënt Zalwin B.V. alsmede de heer [gedaagde sub 2] in privé, worden hierbij aansprakelijk gesteld voor alle schade die reeds is ontstaan en nog zal ontstaan tengevolge van voornoemd handelen. (...)"

1.8. Op 4 januari 2011 heeft [eiser] schriftelijk aan Zalwin bericht:

"De gebeurtenissen op 15 december 2010, waarbij de heer [gedaagde sub 2] mijn onderneming "Drie Hooibargen b.v. h/o" In de Drie Hooibargen" te Zoetermeer onder zijn macht en beheer heeft gebracht, acht ik ten aanzien van de overeenkomst d.d. 23 april 2010 volstrekt onrechtmatig.

Om die reden ontbind ik bij deze de genoemde overeenkomst op grond van wanprestatie en onrechtmatige daad. Tot nakoming van verplichtingen die uit deze overeenkomst voortvloeien, en betrekking hebben op de periode na 15 december 2010, acht ik mij dan ook niet meer verplicht. (...)

1.9. Op 13 januari 2011 heeft Zalwin om voortzetting van de indeplaatsstellingsprocedure verzocht.

1.10. Eisers hebben tevens een bodemprocedure geëntameerd. De dagvaarding dateert van 14 januari 2011 en strekt ertoe gedaagden te veroordelen tot betaling van een geldsom van ruim € 2,8 miljoen. De zaak is verwezen naar de rolzitting van 23 maart 2011 voor het indienen van een conclusie van antwoord.

2. Het geschil

2.1. Eisers vorderen veroordeling van gedaagden tot het betalen van een bedrag van € 394.707,48 en een maandelijkse vergoeding van € 34.243,19 per maand, ingaande op 15 december 2010.

2.2. Daartoe voeren eisers het volgende aan. [gedaagde sub 2] is zonder recht of titel de bedrijfsruimte van de onderneming binnengetreden en heeft tegenover leveranciers van de onderneming verklaard dat hij [eiser] op non-actief heeft gezet en de onderneming heeft overgenomen. Daarmee handelen gedaagden onrechtmatig jegens eisers. Omdat eisers geen toegang meer hebben tot de onderneming lijden zij schade. Er is aantoonbare vermogensschade, die bestaat uit gederfde winst over de maand december 2010 en de managementfees over de laatste drie maanden. Voorts zijn eisers voor torenhoge kosten komen te staan, die achterwege gebleven zouden zijn als gedaagden zich hadden onthouden van bovenvermelde acties. Daarnaast melden crediteuren zich bij eisers omdat tal van rekeningen van de onderneming door gedaagden onbetaald worden gelaten. Ten slotte vorderen eisers een gebruiksvergoeding van € 34.243,19 per maand voor het gebruik van de inventaris.

2.3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is - hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen -, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken dient te worden.

3.2. Gedaagden hebben het spoedeisend belang van eisers bij hun vorderingen betwist. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat eisers hun spoedeisend belang voldoende aannemelijk hebben gemaakt, onder meer stellende dat zij thans niet in staat zijn de aan de onderneming verbonden lasten te betalen en daartoe wel worden aangesproken door schuldeisers.

3.3. Voor een inhoudelijke beoordeling van het geschil is allereerst van belang vast te stellen wie eigenaar is van de onderneming. Gedaagden stellen dat [eiser], althans Hooibargen Holding, nimmer eigenaar van de onderneming is geworden omdat [eiser] er ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met [A] van op hoogte was dat aan [gedaagde sub 2] een eerste kooprecht toekwam en [gedaagde sub 2] nog niet in de gelegenheid was gesteld om daarvan gebruik te maken. Gelet daarop hebben gedaagden geen inbreuk gemaakt op een recht van eisers en zijn zij dus niet schadeplichtig, aldus gedaagden. Dat verweer faalt. Vaststaat immers dat [A] als eigenaar beschikkingsbevoegd was ten aanzien van de onderneming en deze rechtsgeldig aan Hooibargen Holding heeft verkocht en geleverd. De omstandigheid dat [A] door de verkoop en levering mogelijk wanprestatie heeft gepleegd jegens [gedaagde sub 2], doet daar niet aan af. Indien er immers veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat [eiser] - zoals gedaagden stellen - heeft geprofiteerd van een wanprestatie van [A] jegens (de derde) [gedaagde sub 2], kan dat onder bepaalde omstandigheden onrechtmatig zijn, maar leidt dat niet tot nietigheid van de overeenkomst. Uitgangspunt is daarom dat Hooibargen Holding eigenaar is van de onderneming.

3.4. Vervolgens is van belang of gedaagden door hun handelingen op en na 15 december 2010 onrechtmatig hebben gehandeld jegens eisers, in het bijzonder jegens Hooibargen Holding als eigenaar van de onderneming, en zo ja, of eisers daardoor schade hebben geleden. Hoewel gedaagden ontkennen dat zij de onderneming hebben overgenomen, is niet betwist dat zij, althans [gedaagde sub 2], zich zonder toestemming van eisers de toegang tot de onderneming hebben verschaft en eisers de toegang hebben ontzegd. Aangezien Hooibargen Holding gelet op hetgeen onder 3.3. is overwogen als eigenaar van de onderneming dient te worden beschouwd, is daarmee naar voorlopig oordeel voldoende aannemelijk geworden dat gedaagden onrechtmatig jegens eisers hebben gehandeld.

3.5. In zijn algemeenheid ligt het voor de hand dat de eigenaar van een onderneming schade lijdt indien hem de toegang tot die onderneming wordt ontzegd. In onderhavig geschil is evenwel sprake van complexe omstandigheden waardoor de beantwoording van de vraag of eisers door het handelen van gedaagden schade lijden wordt bemoeilijkt. Immers, niet is duidelijk of aan [eiser] dan wel aan een van zijn vennootschappen een huurrecht ten aanzien van de bedrijfsruimte toekomt. Over dit geschilpunt is thans een indeplaatsstellingsprocedure aanhangig, waarop de voorzieningenrechter niet eenvoudig een voorschot kan nemen. Niet uit te sluiten valt echter dat die procedure zal leiden tot de vaststelling dat aan eisers geen huurrecht toekomt. Aangezien de exploitatie van de onderneming en de huur van de bedrijfsruimte in verregaande mate met elkaar verbonden zijn, lijkt aannemelijk dat de onderneming in die situatie ook zonder de interventies van [gedaagde sub 2] op en na 15 december 2010 niet langer actief zou zijn geweest en dus geen omzet zou hebben gemaakt.

3.6. Indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de situatie waarin [eiser] c.q. Hooibargen Holding wel de rechtmatige huurder van de bedrijfsruimte is, geldt dat eisers de omvang van de door hen geleden schade niet voldoende hebben aangetoond. Zij hebben de gestelde vermogensschade en verhaalskosten niet, althans onvoldoende, met stukken onderbouwd en inzichtelijk gemaakt. Ook kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de causaliteit tussen de handelingen van gedaagden en de door eisers gevorderde 'nog openstaande posten'. Niet valt uit te sluiten dat die kosten eveneens zouden zijn ontstaan indien eisers de onderneming ongestoord zouden hebben voortgezet.

3.7. Voor wat betreft de vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding voor de inventaris, is van belang dat ter zitting is gebleken dat de onderneming thans niet actief is. Dat betekent dat de inventaris niet door gedaagden wordt gebruikt. Onder deze omstandigheden, in samenhang met de hierboven geschetste huurproblematiek, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor de veroordeling tot het betalen van een gebruiksvergoeding geen plaats is.

3.8. Gelet op het voorgaande is niet met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat de bodemrechter de vorderingen van eisers zal toewijzen, te minder aangezien reeds een complexe bodemzaak tussen partijen aanhangig is gemaakt, welke een omvangrijker feitencomplex en meerdere geschillen tussen partijen behelst dan in dit kort geding aan de orde zijn gesteld en waarin over en weer (geld)vorderingen zijn ingesteld. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

3.9. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De advocaat van gedaagden heeft ter zitting nog aangevoerd dat in dit geval de werkelijk gemaakte proceskosten door eisers vergoed dienen te worden. Op dit punt is er evenwel onvoldoende aanleiding om van de gebruikelijke wijze van het forfaitaire puntensysteem af te wijken.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagden begroot op € 4.353,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 3.537,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2011.