Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7641

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
382343 - FA RK 10-9897
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderontvoeringszaak. Vader verzoekt teruggeleiding van de minderjarigen naar Noorwegen. Niet in geschil is dat er sprake is van ongeoorloofde achterhouding van de minderjarigen in Nederland door de moeder. De moeder doet een beroep op artikel 13 lid 1 sub b HKOV en artikel 8 EVRM. De moeder heeft gesteld dat er gegronde reden is om aan te nemen dat de minderjarigen door de vader seksueel en/of lichamelijk zijn misbruikt en dat deze gedragingen zich ook in de toekomst kunnen herhalen. De rechtbank verwerpt het verweer van de moeder. In Noorwegen is naar deze beschuldiging uitgebreid onderzoek gedaan. De Noorse justitie heeft geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van seksueel misbruik door de vader. Ook het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM wordt verworpen, nu de onderhavige zaak onvergelijkbaar is met de uitspraak van het EHRM, Neulinger and Shuruk v Switzerland. Teruggeleiding van de minderjarigen wordt gelast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 10-9897

Zaaknummer: 382343

Datum beschikking: 24 februari 2011

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 22 november 2010 ingekomen verzoek van:

de Directie Control Bedrijfsvoering en Juridische Zaken, afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van [huwelijksdatum] 1980 (Trb. 1987, 139), gevestigd te 's-Gravenhage,

verder te noemen: de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats], Noorwegen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. B. Stapert te Amsterdam.

Procedure

Van de zijde van de vader is op 30 juni 2010 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de minderjarigen:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], Noorwegen,

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats], Noorwegen,

naar Noorwegen. Op 22 november 2010 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank Amsterdam ingediend.

Bij beschikking d.d. 23 november 2010 heeft de rechtbank Amsterdam zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen en op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen d.d. 4 februari 2009 van de Raad voor de Rechtspraak bepaald dat de behandeling van de zaak plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift.

Op 20 december 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. J.A. Krab, de vader, vergezeld van mevrouw P.T.J. Uiterwaal, tolk in de Noorse taal, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Het betrof hier een regiezitting in het kader van crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. M. Kramer.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau, onderdeel van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke schikking te komen. Op 23 december 2010 heeft het Mediation Bureau de rechtbank medegedeeld dat de mediation heeft geresulteerd in een deelovereenkomst, maar dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de verblijfplaats van de minderjarigen.

De rechtbank heeft na genoemde regiezitting kennisgenomen van de volgende stukken:

- de brieven d.d. 21 december 2010, 4 en 5 januari 2011 en 2 februari 2011 van de zijde van de Centrale Autoriteit, met de daarbij behorende bijlagen, waaronder een vaststellingsovereenkomst;

- de brieven d.d. 29 december 2010, 6 januari 2011 en 3 februari 2011 van de zijde van de moeder, met de daarbij behorende bijlagen.

Op 3 februari 2011 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. J.A. Krab, de vader, vergezeld van mevrouw I.J.M. Huijgens, tolk in de Noorse taal, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de Raad voor de Kinderbescherming in de personen van mevrouw J.J. de Kok en mevrouw M. Kruuk, de heer [vader moederszijde], vader van de moeder, alsmede de heer [stiefvader vaderszjide], stiefvader van de vader.

Van de zijde van de moeder zijn ter terechtzitting pleitnotities en de Nederlandse identiteitsbewijzen van genoemde minderjarigen overgelegd, van welke identiteitsbewijzen de griffier een kopie heeft gemaakt.

De rechtbank heeft geen kennis genomen van de brief van de zijde van de moeder d.d. 10 februari 2011, met bijlagen, en deze aan de advocaat van de moeder geretourneerd.

Verzoek en verweer

De Centrale Autoriteit heeft middels haar verzoekschrift verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarigen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Noorwegen, dan wel - indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen - te bepalen op welke datum de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarigen zelf, indien nodig met behulp van de sterke arm, mee terug kan nemen naar Noorwegen.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt van het volgende uitgegaan.

De vader en de moeder zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2002 in Noorwegen. Tijdens dit huwelijk zijn genoemde thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [de minderjarige], op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], Noorwegen,

- [de minderjarige], op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats], Noorwegen.

Op [ontbindingsdatum] 2008 is het huwelijk tussen partijen ontbonden.

De vader en de moeder zijn met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen belast.

De vader heeft de Noorse nationaliteit, de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en de minderjarigen hebben de Noorse, tevens Nederlandse nationaliteit.

De moeder en de minderjarigen zijn op 20 april 2010 voor 4 weken naar Nederland vertrokken. De moeder is niet meer met de minderjarigen teruggekeerd naar Noorwegen.

De minderjarigen hadden direct vóór hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in Noorwegen.

De minderjarigen verblijven thans bij de moeder op een geheim adres in [woonplaats].

In Noorwegen zijn diverse procedures gevoerd met betrekking tot de omgang tussen de vader en de minderjarigen.

In Noorwegen is thans nog een procedure tussen de vader en de moeder aanhangig, waarin de vader verzocht heeft hem te belasten met de dagelijkse verzorging van de minderjarigen.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Zowel Nederland als Noorwegen zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofd niet doen terugkeren in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Als er uit de overgelegde buitenlandse bewijsstukken tegenstrijdigheden blijken over de persoonsgegevens, dan kan zulks hieronder ipv met "De persoonsgegevens...vermeld." overwogen worden met bijv: "Blijkens..., doch blijkens..."

Ongeoorloofde vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen direct vóór hun achterhouding in Nederland in Noorwegen was gelegen, dient beoordeeld te worden of de achterhouding is geschied in strijd met het gezagsrecht dat is toegekend aan de ouders ingevolge het Noorse recht. Niet in geschil is dat de vader en de moeder naar Noors recht gezamenlijk gezag hebben. Artikel 40 van "the Norwegian Children Act" luidt - voor zover hier van belang - "If the parents have joint parental responsibility, both of them must consent to the child moving abroad". Nu voorts niet in geschil is dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de achterhouding in Nederland komt de rechtbank, gelet op genoemd artikel 40, tot het oordeel dat de achterhouding van de minderjarigen in Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Noors recht. Niet in geschil is dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de achterhouding, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de achterhouding niet had plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de achterhouding van de minderjarigen in Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag. Nu er minder dan één jaar is verstreken sinds de achterhouding van de minderjarigen in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient ingevolge artikel 12 van het Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de hierboven genoemde weigeringsgrond. Zij heeft gesteld dat er gegronde reden is om aan te nemen dat de minderjarigen door de vader seksueel en/of lichamelijk zijn misbruikt en dat deze gedragingen zich ook in de toekomst kunnen herhalen.

De vader heeft de stelling van de moeder betwist en verwezen naar de door hem overgelegde uitvoerige rapportage van na te melden psycholoog Trond Indregard en beschikkingen van de Noorse kantonrechtbank en het Noorse Hof.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de door de Centrale Autoriteit overgelegde stukken is het volgende komen vast te staan.

De vader en de moeder hebben in een door de vader aanhangig gemaakte gerechtelijke procedure op 25 augustus 2006 een schikking getroffen met betrekking tot de omgang tussen de vader en de minderjarigen. De schikking werd nageleefd tot februari 2008. De moeder vond dat de omgang niet naar tevredenheid fungeerde. In de door haar aanhangig gemaakte gerechtelijke procedure is de psycholoog Trond Indregard aangewezen als getuige-deskundige. De vader en de moeder hebben op de voorbereidende zitting op 7 april 2008 alsnog een schikking getroffen, in die zin dat een voorlopige omgangsregeling werd overeengekomen. Midden mei 2008 weigerde de moeder verdere omgang tussen vader en de minderjarigen en deed zij aangifte tegen hem bij de politie van geweld en seksueel misbruik. Nadat er onder meer een kinderverhoor van de minderjarige [de minderjarige] had plaatsgevonden, werd de zaak door de politie geseponeerd. Op verzoek van de vader heeft de kantonrechtbank op 25 juni 2008 een beschikking gegeven waarin de moeder een dwangsom is opgelegd voor iedere keer dat de vader zijn recht op omgang overeenkomstig de schikking van 7 april 2008 niet kan uitoefenen. Na deze beschikking werd de omgang nog steeds geweigerd. Genoemde psycholoog Indregard heeft op 16 december 2008 zijn deskundigenverklaring afgegeven, waarna op de terechtzitting van 30 januari 2009 de vader en de moeder opnieuw overeenstemming hebben bereikt over de omgang tussen de vader en de minderjarigen. Tot 16 mei 2009 vond de omgang plaats overeenkomstig de schikking.

Op 16 juni 2009 is van de zijde van de moeder de vader medegedeeld dat de omgang zou worden stopgezet, hetgeen ook is gebeurd. De vader heeft op 6 juli 2009 een verzoek ingediend tot gedwongen tenuitvoerlegging van de laatste schikking, hetgeen heeft geleid tot een beschikking van de kantonrechtbank Nord-Troms d.d. 28 augustus 2009. De kantonrechtbank heeft overwogen dat zij geen reden ziet om aan te nemen dat de minderjarigen te maken zullen krijgen met een ernstige psychische belasting als zij omgang hebben met hun vader en dat er ook geen objectieve bevindingen zijn die erop duiden of wijzen dat de minderjarigen te maken hebben gehad met geweld of seksueel misbruik van zijn kant. Op grond van de beschikbare informatie heeft de kantonrechtbank geen reden gezien om de brief van de kinderbescherming aan de politie over mogelijke strafbare feiten van doorslaggevende betekenis te laten zijn. De kantonrechtbank heeft de moeder een dwangsom opgelegd voor iedere keer dat de vader zijn recht op omgang met de minderjarigen niet kan uitoefenen overeenkomstig de schikking van 30 januari 2009. De moeder is van genoemde uitspraak van 28 augustus 2009 in hoger beroep gegaan bij het Hof Halogaland. Tussentijds heeft de moeder opnieuw aangifte gedaan tegen de vader van seksueel misbruik van de minderjarigen. De zaak is opnieuw onderzocht, doch de politie heeft de zaak wederom geseponeerd. Moeder heeft bezwaar aangetekend tegen het sepot bij de Officier van Justitie, maar dit is afgewezen. Deze beslissing van de Officier van Justitie is voorgelegd aan de Director General of Public Prosecutions, die het bezwaar van de moeder heeft afgewezen.

Bij beschikking van 10 april 2010 heeft het betreffende Hof het beroep van de moeder afgewezen. Het Hof heeft onder meer overwogen dat alle relevante informatie, onder meer het rapport van de psycholoog Indregard en de gronden van de Officier van Justitie om niet tot vervolging over te gaan, voorhanden is om tot een beslissing te komen. Het Hof heeft, evenals de kantonrechtbank, geconcludeerd dat er geen objectieve gronden zijn waaruit kan worden afgeleid dat de minderjarigen seksueel zijn misbruikt door de vader en overwogen dat de omgang zo spoedig mogelijk moet worden hervat.

De moeder heeft hier tegenover in algemene termen gesteld dat het Noorse onderzoek naar het vermoede misbruik als uitermate onzorgvuldig, subjectief en ogenschijnlijk partijdig valt te kwalificeren. De moeder heeft haar stelling op dit punt echter op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. Zowel uit de beschikking van de Noorse kantonrechtbank als het Noorse Hof blijkt dat de beschuldiging van de moeder jegens de vader uitvoerig aan de orde is geweest en dat beide instanties het onderzoek door de politie en het rapport van de psycholoog Indregard in hun beslissingen hebben betrokken. De rechtbank kan dan ook niet anders concluderen dan dat de zaak in Noorwegen grondig is bekeken, temeer nu de moeder geen stukken heeft overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Beide instanties hebben geoordeeld dat de omgang tussen de vader en de minderjarigen moet worden hervat en dat niet is komen vast te staan dat de vader de minderjarigen seksueel heeft misbruikt. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de moeder niet heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarigen door hun terugkeer worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand worden gebracht.

Artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM)

Het beroep van de moeder op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De moeder beroept zich in dit verband op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), Neulinger and Shuruk v Switzerland, 41615-07, d.d. 6 juli 2010, waarbij - kort samengevat - de worteling van het kind boven de belangen van de ouders wordt gesteld. De rechtbank acht deze door het EHRM behandelde zaak onvergelijkbaar met de onderhavige, aangezien de minderjarige in de zaak Neulinger and Shuruk v Switzerland reeds vele jaren geen contact meer met de vader had en er worteling in een ander land was ontstaan waardoor het niet langer in het belang van de minderjarige was om hem vanuit Zwitserland, alwaar hij al vele jaren met de moeder woonde, terug te geleiden naar Israël. Geen van deze omstandigheden doet zich in dit geval voor. Het beroep van de moeder op strijd met artikel 8 EVRM verwerpt de rechtbank derhalve.

Het verzoek van de moeder een onderzoek te gelasten door de Raad voor de Kinderbescherming of andere deskundige(n) naar de huidige gezinssituatie, waarbij specifiek gekeken wordt of teruggeleiding van de minderjarigen naar Noorwegen, gelet op alle omstandigheden, op dit moment in hun belang is, zal de rechtbank afwijzen, nu daartoe - mede gelet op het grondige onderzoek in Noorwegen - geen aanleiding is. Bovendien leent de aard van deze procedure zich niet voor een dergelijk onderzoek.

Nu er geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van één van de overige in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden - de moeder heeft hierop ook geen beroep gedaan - of strijd met artikel 8 EVRM, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde achterhouding van de minderjarigen en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12, lid 1, van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen.

De rechtbank zal het door de moeder ter terechtzitting gedane verzoek, mocht de rechtbank de teruggeleiding gelasten, de minderjarigen in de gelegenheid te stellen het schooljaar hier af te maken, afwijzen, nu de rechtbank dit, gelet op de strekking van het Verdrag, niet in het belang van de minderjarigen acht.

De rechtbank acht het, gelet op de beschikkingen van het Gerechtshof 's-Gravenhage d.d. 16 juli 2008, LJN: BG6755, en d.d. 13 augustus 2008, LJN: BE9360, echter wel wenselijk dat de minderjarigen een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kunnen afwachten. De rechtbank zal daarom de terugkeer gelasten op 8 april 2011 en, indien de moeder de minderjarigen niet zelf terugbrengt, de afgifte van de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader bevelen, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Noorwegen.

Nu op grond van artikel 13 lid 6 van de Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, artikel 813, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is op de tenuitvoerlegging van een bevel tot teruggeleiding, zal de rechtbank het verzoek van de Centrale Autoriteit om de hulp van de sterke arm te mogen inroepen bij de tenuitvoerlegging wegens gebrek aan belang afwijzen.

De vaststellingsovereenkomst

Blijkens de door de Centrale Autoriteit overgelegde vaststellingsovereenkomst zullen de vader en de moeder voor de duur van de teruggeleidingsprocedure in Nederland tussen 1 januari 2011 en 31 maart 2011 onder begeleiding van mevrouw drs. A. Hendriks, kinderpsychologe, werken aan herstel van het contact tussen de minderjarigen en de vader.

De rechtbank zal de vaststellingsovereenkomst conform het verzoek van de vader en de moeder in die vaststellingsovereenkomst opnemen in de beschikking.

Op grond van artikel 13, lid 5, van de Uitvoeringswet Verdragen inzake internationale ontvoering van kinderen is de onderhavige beslissing van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarigen:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], Noorwegen,

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats], Noorwegen,

naar Noorwegen uiterlijk op 8 april 2011, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Noorwegen en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Noorwegen, dat de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 8 april 2011, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Noorwegen;

bepaalt dat de tussen partijen gemaakte afspraken, neergelegd in de (in fotokopie) aan deze beschikking gehechte vaststellingsovereenkomst, deel uitmaken van deze beschikking;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.J. Keltjens, M. Dam en A.M.A. Keulen, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2011.

Bij afwezigheid van de voorzitter,

getekend door mr. M. Dam.

Van deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet verdragen internationale ontvoering van kinderen) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Amsterdam. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.