Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7284

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
AWB 10/1934 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling artikel 19, derde lid, WRO voor serre. Bij afweging betrokken belangen onevenredig nadelig voor directe buren. Daarom ook geen andere vrijstelling mogelijk. Bij nieuw besluit moet keuze worden gemaakt, afhankelijk van bereidheid vergunninghouder tot wijzigen van het bouwplan. Voor gewijzigd plan kan namelijk wel vergunning worden verleend. Anders moet bouwvergunning worden geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/1934 WW44

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[A], wonende te [plaats], eiseres,

gemachtigde mr. R.B. van Heijningen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder.

Derde partij: [B], wonende te [plaats], vergunninghouder

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 15 april 2009 heeft verweerder een reguliere bouwvergunning en vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor het veranderen en vergroten van de eengezinswoning aan het [adres 1], kadastraal bekend [nummer].

Bij besluit van 2 februari 2010, verzonden op 3 februari 2010, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 27 januari 2010, het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij ongedateerde brief, ingekomen bij de rechtbank op 16 maart 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De derde partij heeft bij brief van 23 augustus 2010 zijn zienswijze op het beroep gegeven.

Eiseres heeft enige stukken overgelegd.

Het beroep is op 17 november 2010 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.B. van Heijningen, advocaat te Den Haag. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C] en [D]. De derde-partij is, met bericht, niet verschenen.

II OVERWEGINGEN

Wettelijk kader

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet (Wow) gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning en impliciet dus ook het verzoek om vrijstelling dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval nog de bepalingen van de WRO en de Wow van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden.

In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan voor een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Archipelbuurt/Willemspark II. Het betrokken perceel heeft de bestemming eengezinshuizen en/of meergezinshuizen. In artikel 4, eerste lid, onder h, van het bestemmingsplan is bepaald dat het bepaalde in tabel III van toepassing is met betrekking tot bijgebouwen. In deze tabel is aangegeven dat de goothoogte voor bijgebouwen maximaal 2.50 m boven het direct aangrenzende terreinniveau mag zijn en dat de gezamenlijke grondoppervlakte van de bijgebouwen maximaal 9 m² per woning in de onderste bouwlaag mag bedragen.

Relevante feiten en omstandigheden

Het bouwplan voorziet in het gedeeltelijk vergroten van de achtergevel op de begane grond door het creëren van een serre en een doorgang naar de keuken vanaf de serre.

Eiseres woont in het naastgelegen pand ([adres 2]), dat zij in gebruik heeft als woonhuis en kantoor. Dit pand heeft twee kleine tuinen op het noorden en oosten en een smalle zijtuin/tuinpad gekeerd naar de woning van vergunninghouder. De naar de woning van vergunninghouder gekeerde zijgevel bevat de ramen van het kantoor, een opslagruimte en de keuken.

Bestreden besluit en beroepsgronden

Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan wat betreft het overschrijden van de maximaal toegestane goothoogte en grondoppervlakte voor bijgebouwen. Gelet hierop heeft verweerder vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO verleend en met toepassing daarvan de gevraagde bouwvergunning.

Eiseres heeft aangevoerd dat door het bouwplan de reeds bestaande zeer geringe bezonning van haar zijtuin en van de zijgevel wordt weggenomen, terwijl dit de enige buitenruimte en gevel is van haar woonhuis waar nog sprake is van enige bezonning. De belangenafweging is niet deugdelijk en is ten onrechte in het nadeel van eiseres uitgepakt. Voorts heeft eiseres in beroep een door ir. P. Drijver, werkzaam bij Scala Architecten, opgestelde reactie van 3 november 2010 overgelegd.

Beoordeling

Toepassingsvoorwaarden

Niet in geschil is dat het bouwplan voldoet aan de in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a vermelde eisen. Verweerder was derhalve bevoegd vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO.

Belangenafweging

Bij de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO komt verweerder, in aanmerking genomen de bewoordingen van dat artikel en de aard van de bevoegdheid die daarin aan verweerder is toegekend, een ruime mate van beleidsvrijheid toe. In beginsel moeten bij de beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan alle daarbij betrokken belangen in aanmerking worden genomen. Daarbij heeft verweerder terecht als uitgangspunt genomen dat het bouwplan moet worden beoordeeld zoals het is aangevraagd. Of de aanvrager behoefte heeft aan een serre respectievelijk een doorloop daarheen vanuit zijn keuken is alleen relevant voor het relatieve gewicht van de af te wegen belangen van enerzijds eiseres en anderzijds vergunninghouder.

Bij de belangenafweging betrekt de rechtbank de volgende omstandigheden.

(1) Het bouwplan voldoet niet aan de vereisten van het bestemmingsplan voor zover buiten het bouwvlak wordt gebouwd voor het stuk van de serre dat aan de keuken wordt gebouwd en voor het overige voor zover de serre dieper is gelegen dan de huidige keuken. Dat betekent dat binnen de grenzen van het bestemmingsplan een serre aan de woonkamer kan worden gerealiseerd. Het gedeelte dat in overschrijding van de regels van het bestemmingsplan is geprojecteerd dient naar ter zitting is gebleken vooral om een doorloop vanuit de keuken naar die serre mogelijk te maken.

(2) Vast staat dat op de gevel van eiseres (grenzend aan het perceel van vergunninghouder) in de huidige situatie reeds niet wordt voldaan aan de door verweerder gehanteerde zogenoemde "Haagse bezonningsnorm" met betrekking tot lichtinval op gevels waarin zich ramen van verblijfsruimten bevinden. Blijkens de overgelegde tekeningen is de zijtuin van eiseres 2.50 m breed. Naar het oordeel van de rechtbank is dit, anders dan verweerder heeft gesteld, niet aan te merken als louter een pad, maar is er sprake van een zijtuin. Dit gedeelte van de zijtuin ligt op dit moment nog open naar het zuiden, waardoor sprake is van (zon)lichtinval. Juist het deel van de serre dat aan de keuken zal worden gebouwd, dus juist het gedeelte waarvoor de vrijstelling is verleend, zal de (zon)lichtinval op de zijtuin en de zijgevel van eiseres aanzienlijk minder maken.

(3) Dit pakt voor eiseres des te meer nadelig uit omdat de beide andere tuinen, die gelegen zijn op het noorden en oosten weinig zon ontvangen en dan nog alleen in de ochtend. Het belang van eiseres om zon te behouden in het stuk zijtuin waar het hier om gaat, is daarom aanzienlijk te noemen.

.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid geen vrijstelling had mogen verlenen voor het onderhavige bouwplan, omdat het bouwplan onevenredig nadelige gevolgen heeft voor eiseres als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb in verhouding tot de met die verlening gediende belangen van de aanvrager.

Gevolgen

Vernietiging bestreden besluit

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Opdracht nieuw besluit

Bij het nemen van het nieuw besluit dient verweerder het volgende in acht te nemen.

Verweerder dient eerst na te gaan of vergunninghouder bereid is zijn bouwplan aan te passen, in die zin dat de gewenste serre alleen grenzend aan de woonkamer wordt gebouwd. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres ter zitting heeft meegedeeld dat haar beroepsgronden alleen zien op het gedeelte van de serre grenzend aan de keuken en niet op het gedeelte dat aan de woonkamer grenst. Indien vergunninghouder het bouwplan in die zin herziet, is het bouwplan naar het oordeel van de rechtbank vergunbaar. Daarbij merkt de rechtbank op dat, zoals hiervoor al vastgesteld, een serre louter aan de woonkamer zonder vrijstelling (thans: afwijking van het bestemmingsplan) gerealiseerd kan worden.

De rechtbank wijst erop dat indien de vergunninghouder bereid is tot aanpassing van het bouwplan, zoals ter zitting is gebleken, waarschijnlijk een nieuwe welstandstoets zal dienen plaats te vinden.

Indien vergunninghouder niet tot aanpassing van het bouwplan bereid is, zal verweerder het primaire besluit dienen te herroepen, de vrijstelling dienen te weigeren en de bouwvergunning te herroepen. Een andere vijstelling, op grond van artikel 19, eerste dan wel tweede lid WRO, zal immers eveneens afstuiten op de uitkomst van de belangenafweging.

Verweerder wordt in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.

Eiseres heeft voorts een factuur van € 666,40 overgelegd met betrekking tot de door haar gemaakte kosten voor het inschakelen van Scala architecten in verband met de reactie op het bezonningsrapport. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit Proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.

Op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid en onder b, van dit besluit worden deze kosten vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. In artikel 3, eerste lid en onder a, van deze wet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de vergoedingen worden vastgelegd voor werkzaamheden ingevolge verzoeken en opdrachten als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, van de wet. In artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 is - kort gezegd - bepaald dat voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid en onder a, van de wet waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur geldt.

Uit de namens eiseres overgelegde factuur blijkt dat de door eiseres ingeschakelde deskundige van Scala architecten, ir. P. Drijver, in totaal 6 uur aan de zaak heeft besteed. Hierbij heeft hij een uurtarief van € 110,- gehanteerd voor twee uren onderzoek en advies en voor vier uur tekenwerk en het computermodel heeft hij een uurtarief gehanteerd van € 85,-.

Op grond van het bepaalde in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 komt voor de verrichte werkzaamheden echter ten hoogste € 81,23 per uur voor vergoeding in aanmerking. Gelet hierop stelt de rechtbank het te vergoeden bedrag voor de deskundige vast op een bedrag van 6 x € 81,23 = € 487,38, hetgeen betekent dat verweerder in totaal een bedrag van € 1.361,38 (€ 874,- + € 487,38) aan proceskosten dient te vergoeden.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen 12 weken na het verzenden van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 150,00 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.361,38, welk bedrag aan eiseres moet worden vergoed.

Aldus vastgesteld door mr. J.L. Verbeek in tegenwoordigheid van de griffier D. van den Born.

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.