Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7283

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
11/5491
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugkeerrichtlijn, lichter middel, minder dwingende maatregel, Jusic, EHRM

De rechtbank overweegt ten aanzien van de grond ‘niet aangemeld bij de korpschef’ als volgt. Bij besluit van 1 februari 2001 heeft verweerder de eerder aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken. Eiser heeft Nederland nadien niet verlaten en heeft zich evenmin bij de Nederlandse autoriteiten gemeld teneinde rechtmatig verblijf te verkrijgen dan wel de terugkeer naar zijn land van herkomst te kunnen faciliteren. Het vorenstaande gevoegd bij de omstandigheid dat uit de verslagen van diverse vertrekgesprekken is gebleken dat eiser niet voornemens is mee te werken aan zijn terugkeer, maakt dat verweerder op goede gronden heeft kunnen overwegen dat, ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef, van de Terugkeerrichtlijn, in het geval van eiser geen minder dwingende maatregel in voormelde zin behoefde te worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat genoemde grond onder deze omstandigheden voldoende is om de maatregel van bewaring te dragen, zodat de overige gronden onbesproken zullen blijven. Eisers vergelijking met de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 december 2010 in de zaak Jusic tegen Zwitserland (nr. 4691/06, LJN: BP4935) gaat mank, reeds nu in die zaak, anders dan in die van eiser, onder meer sprake was van een complexe gezinssituatie en de betrokken vreemdeling zich immer hield aan de meldplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 11/5491

Uitspraak op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Marokkaanse nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer],

V-nummer [nummer]

alias Samir HAMID,

thans verblijvende in het detentiecentrum te Rotterdam,

raadsman mr. H.A. Rispens,

eiser;

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

vertegenwoordigd door mr. M.P. Gaal-de Groot,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1. Procesverloop

Op 15 februari 2011 is eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert (artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000).

Op 16 februari 2011 heeft eiser tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter zitting van 2 maart 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Eiser meent dat de maatregel van bewaring beoordeeld dient te worden in het licht van de bepalingen en voorwaarden van de Richtlijn nr. 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn).

Eiser heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de gronden ‘niet beschikken over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000)’ en ‘niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats’ de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Daarbij verwijst eiser naar rechtsoverweging 70 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen van 30 november 2009 (C-357/09, Kadzoev). Eiser meent dat verweerder de enkele omstandigheid dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfsplaats niet zonder nadere onderbouwing kan aanmerken als een ontwijking of belemmering van de voorbereiding van de terugkeer of verwijderingsprocedure. Evenmin kan het zich niet gemeld hebben bij de korpschef tot die conclusie leiden.

Eiser stelt dat uit de in de artikelen 6 tot en met 8 van de Terugkeerrichtlijn voorgestane gelaagde aanpak van het doen terugkeren van een illegaal verblijvende vreemdeling, gelezen in samenhang met de aanhef van artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, volgt dat alvorens tot bewaring kan worden overgegaan, eerst gekeken dient te worden of een minder dwingende maatregel doeltreffend kan worden toegepast om de verwijdering van een illegaal verblijvende vreemdeling te verzekeren. Eiser verwijst daarbij voorts naar overweging 16 uit de considerans van de Terugkeerrichtlijn. Onder verwijzing naar de uitspraak van 30 december 2010 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam (LJN: BP0865) stelt eiser dat verweerder in alleen eisers illegaal verblijf geen indicatie kan zien dat hij de voorbereiding van zijn terugkeer zal ontwijken of belemmeren. Een lichter middel had volstaan.

Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder inzichtelijk dient te maken waarom een lichter middel in zijn geval niet mogelijk zou zijn. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 december 2010, JV 2011/66.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingaande 25 december 2010 is de termijn verstreken waarbinnen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking moesten doen treden om aan de Terugkeerrichtlijn te voldoen. Aan die verplichting heeft de Nederlandse wetgever tot op heden niet voldaan.

Nu het beroep ziet op de toepassing van de Terugkeerrichtlijn, dient te worden bezien of en op welke wijze artikel 15, eerste lid, aanhef, van de Terugkeerrichtlijn in deze zaak kan worden toegepast. Alvorens kan worden toegekomen aan de vraag of een artikel van de Terugkeerrichtlijn rechtstreekse werking heeft, dient te worden nagegaan of het van toepassing zijnde nationale recht richtlijnconform kan worden geïnterpreteerd (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

29 augustus 2007, AB 2007, 339).

De rechtbank leidt uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 3, aanhef en onder 7 van de Terugkeerrichtlijn af, dat het in bewaring stellen van een vreemdeling op de grond dat risico op onderduiken bestaat, slechts mogelijk is op grond van in nationale wetgeving vastgelegde criteria om aan te nemen dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht. In de Nederlandse wetgeving zijn dergelijke criteria niet gegeven, waarbij de rechtbank betrekt dat de Vreemdelingencirculaire 2000 niet is aan te merken als wetgeving zoals bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 7 van de Terugkeerrichtlijn, zodat richtlijnconforme interpretatie niet mogelijk is.

Gelet op de in artikel 3, aanhef en onder 7 van de Terugkeerrichtlijn opgenomen opdracht van in wetgeving opgenomen criteria ten aanzien van het risico op onderduiken kan artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a van de Terugkeerrichtlijn geen rechtstreekse werking hebben. Hetgeen eiser te dien aanzien heeft aangevoerd wordt dan ook gevolgd.

De rechtbank zal vervolgens de rechtmatigheid van de gronden van de maatregel van bewaring in het licht van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b van de Terugkeerrichtlijn beoordelen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de volgende gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd.

1. niet beschikken over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000;

2. niet aangemeld bij de korpschef;

3. niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats.

De artikelen 6 tot en met 8 van de Terugkeerrichtlijn behelzen een gelaagde aanpak van het doen terugkeren van een illegaal verblijvende vreemdeling. Er dient een terugkeerbesluit te worden uitgevaardigd waarin de vreemdeling wordt aangekondigd dat hij, bij voorkeur vrijwillig binnen een daartoe gestelde termijn, de lidstaat dient te verlaten. Pas daarna kan de lidstaat overgaan tot het binnen de grenzen van proportionaliteit uitoefenen van dwang om de vreemdeling te verwijderen. Uit deze bepalingen gelezen in samenhang met de aanhef van artikel 15, eerste lid van de Terugkeerrichtlijn, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat alvorens tot bewaring kan worden overgegaan, eerst bekeken dient te worden of een minder dwingende maatregel dan bewaring doeltreffend kan worden toegepast om de verwijdering van een illegaal verblijvende vreemdeling te verzekeren.

In de Vw 2000 noch in het Vb 2000 is bepaald wanneer volstaan kan worden met het opleggen van een zogenoemd lichter middel. In paragraaf A6/1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat vermeld dat vanwege het ingrijpende karakter toepassing van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel steeds tot het strikt noodzakelijke beperkt dient te worden. Steeds zal nagegaan moeten worden of een minder dwingende maatregel kan worden toegepast.

Gelet op het bovenstaande en ook op hetgeen in de considerans van de Terugkeerrichtlijn onder (13) en (16) is opgenomen, verstaat de rechtbank het beleid aldus dat verweerder in het licht van het bepaalde in de Terugkeerrichtlijn niet kan volstaan met verwijzing naar de gronden van de maatregel als voldoende grondslag voor de inbewaringstelling, maar voorafgaand aan het opleggen van de maatregel tot inbewaringstelling behoort na te gaan of had kunnen worden volstaan met het opleggen van een minder dwingende maatregel.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de grond ‘niet aangemeld bij de korpschef’ als volgt. Bij besluit van 1 februari 2001 heeft verweerder de eerder aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken. Eiser heeft Nederland nadien niet verlaten en heeft zich evenmin bij de Nederlandse autoriteiten gemeld teneinde rechtmatig verblijf te verkrijgen dan wel de terugkeer naar zijn land van herkomst te kunnen faciliteren. Het vorenstaande gevoegd bij de omstandigheid dat uit de verslagen van diverse vertrekgesprekken is gebleken dat eiser niet voornemens is mee te werken aan zijn terugkeer, maakt dat verweerder op goede gronden heeft kunnen overwegen dat, ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef, van de Terugkeerrichtlijn, in het geval van eiser geen minder dwingende maatregel in voormelde zin behoefde te worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat genoemde grond onder deze omstandigheden voldoende is om de maatregel van bewaring te dragen, zodat de overige gronden onbesproken zullen blijven. Eisers vergelijking met de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 december 2010 in de zaak Jusic tegen Zwitserland (nr. 4691/06, LJN: BP4935) gaat mank, reeds nu in die zaak, anders dan in die van eiser, onder meer sprake was van een complexe gezinssituatie en de betrokken vreemdeling zich immer hield aan de meldplicht.

Het beroep is ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. H. den Haan, rechter, en door haar en A. van den Ham als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.