Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7278

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
AWB 08-5428 VEROR en AWB 09-4392 GEMWT
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BV7279, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige kamer. Bodemzaak. Gebruiksvergunning en handhaving. Spuimarktcomplex Den Haag. Misbruik van bevoegdheid. Détournement de pouvoir. Strijd met artikel 3:3 Awb. Ten onrechte verdergaande eisen gesteld dan Bouwbesluit 2003 toestaat. Gebruiksvergunning ten onrechte aangehouden en eveneens ten onrechte tijdelijk, onder het stellen van voorwaarden, gebruikstoestemming verleend. Handhaving daarom in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/1694

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 08/5428 VEROR en AWB 09/4392 GEMWT

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

de commanditaire vennootschap [A] C.V., de besloten vennootschap [B] B.V., de besloten vennootschap [C] B.V., alle gevestigd te [plaats], de besloten vennootschap [D] B.V., gevestigd te [plaats] en de besloten vennootschap [E] B.V., gevestigd te [plaats], eisers,

gemachtigde mr. A. Collignon, advocaat te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder,

gemachtigde mr. E. Nijpels, advocaat te Den Haag.

I PROCESVERLOOP

AWB 08/5428 VEROR

[A] C.V. heeft op 17 augustus 2007 een aanvraag ingediend voor een gebruiksvergunning voor een bedrijfsverzamelgebouw, gelegen aan de Grote Marktstraat 99, het Spui 65, de Gedempte Gracht 70, 74, 84 en 86 en de Voldersgracht 40 te Den Haag (hierna: het Spuimarktcomplex).

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft verweerder de aanvraag aangehouden en [A] onder voorwaarden tijdelijk toestemming verleend het Spuimarktcomplex te gebruiken. In het besluit is voorts vermeld dat [A] voor het verkrijgen van de gebruiksvergunning een aantal maatregelen dient te treffen.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 23 april 2008, ingekomen bij verweerder op de dezelfde datum, bezwaar gemaakt. De gronden zijn daarna aangevuld. Eisers hebben daarbij een verzoek ingediend om vergoeding van schade die zij hebben geleden ten gevolge van de door verweerder gevraagde maatregelen.

Bij besluit van 10 juni 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 9 juni 2008, dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 21 juli 2008, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld (registratienummer AWB 08/5428 VEROR). De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben bij brief van 3 april 2009 een nader stuk ingediend.

Het beroep is op 16 april 2009 ter zitting behandeld, waarbij het onderzoek is geschorst.

Bij besluit van 29 april 2009 heeft verweerder het besluit van 10 juni 2008 ingetrokken.

Bij besluit van 10 november 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 19 augustus 2009, het besluit van 13 maart 2008 herroepen voor zover daarbij de beslissing op de aanvraag is aangehouden, en het verzoek van eisers om vergoeding van schade die zij hebben geleden door het treffen van de door verweerder gewenste maatregelen, afgewezen.

Bij brief van 12 november 2009 heeft verweerder wederom een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 november 2009 hebben eisers een nadere reactie ingediend.

AWB 09/4392 GEMWT

Bij besluit van 2 september 2008 heeft verweerder aan [A] ten aanzien van het gebruik van het Spuimarktcomplex een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 12 mei 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 17 april 2009, het hiertegen door [A] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de last gewijzigd.

Tegen dit besluit heeft [A] bij brief van 22 juni 2009, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld (registratienummer AWB 09/4392 GEMWT). De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Beide zaken

De beroepen zijn op 23 november 2009 ter zitting gevoegd behandeld, waarbij het onderzoek is geschorst voor overleg tussen partijen.

Bij schrijven van 12 juli 2010 heeft verweerder een nadere reactie ingediend.

Ter zitting van 23 juli 2010 zijn de beroepen wederom gevoegd behandeld.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door [F], bijgestaan door

mr. Collignon, voornoemd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [G], [I] en

[J], bijgestaan door mr. Nijpels, voornoemd.

II OVERWEGINGEN

AWB 08/5428 VEROR

De rechtbank acht het beroep van eisers tegen het besluit van 10 juni 2008 ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede te zijn gericht tegen de besluiten van 29 april 2009 en 10 november 2009. Daarbij is van belang dat bij het besluit van 29 april 2009 het besluit van 10 juni 2008, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het tegen het besluit van

13 maart 2008 gemaakte bezwaar, weliswaar is ingetrokken, maar dat niet opnieuw op het bezwaar is beslist, zodat niet gesproken kan worden van tegemoetkoming. Bij besluit van 10 november 2009 is wel opnieuw op het bezwaar beslist. Het besluit van 13 maart 2008 is daarbij weliswaar herroepen voor zover daarbij de beslissing op de aanvraag is aangehouden, maar het besluit is voor het overige in stand gelaten. Daarnaast is het verzoek van eisers om vergoeding van schade die zij hebben geleden door het treffen van de door verweerder gewenste maatregelen afgewezen, zodat ook in dit geval geen sprake is van tegemoetkoming.

Het procesbelang bij het beroep voor zover dat gericht is tegen de besluiten van 10 juni 2008 en 29 april 2009, gelet op het bovenstaande, komen te vervallen. Het beroep van eisers voor zover gericht tegen die besluiten dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ter zitting van 23 juli 2010 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar van 23 april 2008 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, omdat het besluit van 13 maart 2008 niet als besluit is aan te merken.

De rechtbank overweegt dat dit punt reeds eerder, ter zitting van 16 april 2009, aan de orde is geweest. De uitkomst daarvan is geweest verweerder daarbij tot de slotsom is gekomen dat het besluit van 13 maart 2008 wel degelijk als besluit is aan te merken, welk gewijzigd inzicht vervolgens heeft geleid tot het besluit van 29 april 2009 en is volgehouden in het besluit van 10 november 2009. Niet valt in te zien op grond waarvan thans anders zou moeten worden geoordeeld. De voorwaarden, verbonden aan de tijdelijke toestemming om het Spuimarktcomplex te gebruiken, houden een besluit in als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar open staat. Eisers konden de afdwingbaarheid van de voorwaarden en door verweerder gewenste aanpassingen niet anders dan door bezwaar te maken tegen het besluit van 13 maart 2008 aan de orde stellen. Van een eerdere, danwel een andere rechtsingang is, anders dan verweerder betoogt, geen sprake (geweest). Het procesbelang van eisers is gelegen in de omstandigheid dat zij als gevolg van het besluit van 13 maart 2008 het Spuimarktcomplex slechts in gebruik konden nemen na het treffen van de door verweerder in de voorwaarden bij dit besluit genoemde maatregelen, als gevolg waarvan zij stellen schade te hebben geleden. Het beroep is daarom ontvankelijk.

Het niet in zijn totaliteit gehandhaafde besluit van 13 maart 2008 bestaat uit drie onderdelen.

In de eerste plaats heeft verweerder bij het besluit van 13 maart 2008 aanvraag voor een gebruiksvergunning aangehouden op grond van artikel 6.1.4, derde lid, sub a, in samenhang bezien met sub d, van de bouwverordening Gemeente Den Haag. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de bouwvergunning voor het Spuimarktcomplex nog niet is afgedaan en dat aan bepaalde bouwkundige brandveiligheidseisen in dat kader nog niet (afdoende) is voldaan.

Ten tijde van belang gold de op 26 juli 2007 in werking getreden en op 23 april 2008 vervallen bouwverordening Gemeente Den Haag (hierna: de bouwverordening).

Ingevolge artikel 6.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening is het verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders, een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een één- of meergezinshuis.

Ingevolge artikel 6.1.4, eerste lid, beslissen burgemeester en wethouders op een aanvraag voor een gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 6.1.4, derde lid, aanhef en onder a, houden burgemeester en wethouders de beslissing aan, indien, voor zover van belang, voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning verband houdend met het voorgestane gebruik, en op de aanvraag om vergunning nog niet is beslist.

Ingevolge artikel 6.1.4, derde lid aanhef en onder d, houden burgemeester en wethouders de beslissing aan indien aan het beoogde gebruik van het bouwwerk schriftelijke voorwaarden zijn gesteld en aan deze voorwaarden nog niet is voldaan.

Het Spuimarktcomplex omvat winkels, een multiplex-bioscoop en bijeenkomstfuncties. Niet in geschil is dat bij het voorgenomen gebruik meer dan vijftig personen te gelijk aanwezig zullen zijn, zodat een gebruiksvergunning nodig was. Op grond van het op 1 november 2008 in werking getreden Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (hierna: Gebruiksbesluit) is de gebruiksvergunningplicht voor eisers met ingang van die datum komen te vervallen. Op grond van het overgangsrecht bij het Gebruiksbesluit moet de aanvraag als een melding worden beschouwd, zodat op de aanvraag niet meer beslist hoefde te worden.

Ter zitting van 23 juli 2010 is gebleken dat verweerder de aanvraag van 17 augustus 2007 heeft beschouwd als een melding als bedoeld in het Gebruiksbesluit, maar deze melding niet heeft geaccepteerd. Op 29 oktober 2008 heeft [A] nogmaals een aanvraag ingediend voor een gebruiksvergunning voor het Spuimarktcomplex. Verweerder heeft deze tweede aanvraag ook beschouwd als een melding als bedoeld in het Gebruiksbesluit, en deze melding wel geaccepteerd.

Bij besluit van 10 november 2009 heeft verweerder het besluit van 13 maart 2008 herroepen voor zover daarbij de beslissing op de aanvraag is aangehouden, maar dit besluit gehandhaafd wat betreft de aan [A] verleende tijdelijk toestemming het Spuimarktcomplex te gebruiken. Aan die toestemming is een aantal voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden houden kort samengevat in dat:

1. het maximaal gelijktijdig toelaatbaar aantal personen voor de niet-gebruiksvergunningplichtige units minder dan vijftig personen bedraagt en voor de algemene ruimtes, trappenhuizen en liften in het bouwwerk het aantal personen bedraagt zoals vermeld in de doorstroom- en capaciteitsberekening van 12 november 2007;

2. het (deel van het) bouwwerk waarvoor toestemming is verleend en dat in gebruik is genomen, in overeenstemming dient te zijn met de door verweerder gewaarmerkte vergunningaanvraag en de genoemde niet gebruiksvergunningsplichtige bouwwerken/units betreft , alsmede de algemene ruimtes, trappenhuizen en liften (..);

3. [A] toegang moet verzorgen tot de trappenhuizen en de algemene ruimten, die zijn omschreven in de bouwvergunning van 6 december 2004 en revisiestanden A t/m E;

4. de brandveiligheidsinstallaties aangelegd dienen te zijn en dienen te functioneren conform de door verweerder ondertekende PvE's en/of gewaarmerkte installatietekeningen.

Ten slotte is in het besluit van 13 maart 2008 vermeld dat voor het verkrijgen van een definitieve gebruiksvergunning de volgende, kort samengevatte, maatregelen moeten zijn getroffen:

1. de vereiste brandmeldinstallatie moet worden voorzien van een geldig certificaat;

2. de vereiste sprinklerinstallatie moet worden voorzien van een geldig (partieel) certificaat;

3. de bouwvergunning van 6 december 2004 dient te zijn afgedaan;

4. de opstelling van een, door de brandweer goedgekeurd, ontruimingsplan, dat betrekking heeft op het gehele gebouw.

Het beroep van eisers richt zich tegen de bij de tijdelijke gebruikstoestemming opgelegde voorwaarden. Eisers zijn van mening dat verweerder niet bevoegd is deze voorwaarden te stellen. Volgens eisers voldoet het Spuimarktcomplex aan het Bouwbesluit 2003, niet alleen wat betreft de eisen die worden gesteld aan bestaande bouw maar ook aan die voor nieuwbouw. Het staat verweerder niet vrij om verdergaande voorschriften op te leggen dan die van het Bouwbesluit 2003. Voorts voeren eisers aan dat omtrent de brandmeldinstallatie evenmin nadere eisen kunnen worden opgelegd, nu de Programma's van Eisen (hierna: PvE's) voor de brandmeldinstallatie al waren goedgekeurd door de brandweer en deze eisen uitgaan boven wat op grond van het Bouwbesluit kan worden gevergd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beslissing op de aanvraag om een gebruiksvergunning ten onrechte is aangehouden en dat hij hierop had moeten beslissen. In die beslissing had moeten worden opgenomen dat ingebruikneming pas kon plaatsvinden indien onder meer de vereiste brandmeld- en sprinklerinstallatie waren voorzien van een geldig certificaat en een ontruimingsplan was opgesteld. Gelet hierop is volgens verweerder op goede gronden overgegaan tot het verbinden van voorwaarden aan de tijdelijke gebruikstoestemming. Op 16 november 2007 hebben eisers gewijzigde bouwtekeningen ingediend ter vervanging van die behorende bij de bouwvergunning van 6 december 2004. Op 15 februari 2008 heeft verweerder deze wijzigingen geaccepteerd. Zij zijn het uitgangspunt geweest bij de behandeling van de aanvraag om een gebruiksvergunning.

Op grond van het overgangsrecht bij het Gebruiksbesluit moet de aanvraag evenwel als een melding worden beschouwd, zodat daarop niet meer beslist hoefde te worden, aldus verweerder.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet (Wow) is bepaald dat de eigenaar van een bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen er zorg voor draagt dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

In het tweede lid is bepaald dat een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, er voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor draagt dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

In artikel 1b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wow is bepaald dat het verboden is een gebouw te bouwen, voor zover daarbij niet wordt voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, eerste lid, tenzij een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 het uitdrukkelijk toestaat.

In het tweede lid, aanhef en onder a, is bepaald dat het is verboden een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat gebouw van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

In artikel 2, eerste lid, van de Wow is voor zover van belang, bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van gebouwen.

In het tweede lid is, voor zover van belang, bepaald dat bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voorschriften worden gegeven omtrent de staat van bestaande gebouwen.

In artikel 7b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wow is bepaald dat het is verboden een bouwwerk te gebruiken of te laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a.

In artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wow is, voor zover van belang, bepaald dat de door de gemeenteraad vast te stellen bouwverordening voorschriften bevat omtrent het gebruik van gebouwen, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot de brandveiligheid.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), bijvoorbeeld de uitspraken van 11 oktober 2006, LJN AY9890, en van 29 april 2009, LJN BF2154, blijkt dat het Bouwbesluit een uitputtende regeling bevat, zodat het bestuursorganen bij een bestaand gebouw dat voldoet aan de nieuwbouweisen uit het Bouwbesluit niet vrijstaat uit te gaan van strengere normen.

Het vorenstaande betekent dat het stellen van verdergaande eisen, in afwijking van het Bouwbesluit 2003, slechts mogelijk is indien vergunninghouder dit heeft opgenomen in zijn aanvraag om een bouwvergunning, welke vergunning is verleend.

Bij besluit van 6 december 2004 heeft verweerder, onder gelijktijdige verlening van vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten het Spuimarktcomplex. Bij brief van 6 december 2006 heeft Brandweer Haaglanden twee Basisdocumenten Brandbeveiliging en PvE's goedgekeurd retour gezonden aan eisers, waarbij is aangetekend dat alvorens de betreffende delen van het Spuimarktcomplex in gebruik worden genomen, de brandweer in het bezit diende te zijn van een geldig certificaat als bedoeld in deze PvE's.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van 23 juli 2010 blijkt dat niet in geschil is dat het Spuimarktcomplex overeenkomstig de, in rechte onaantastbare, bouwvergunning van 6 december 2004 is gebouwd, inclusief de PvE's.

Gesteld noch gebleken is dat de bouwvergunning van 6 december 2004 is verleend in strijd met het Bouwbesluit 2003.

Ter zitting van 23 juli 2010 heeft verweerder toegegeven dat de gestelde acceptatie van de gewijzigde bouwtekeningen op 15 februari 2008 niet heeft geresulteerd in een besluit van die datum of een latere datum. Nu de aanvraag om een gebruiksvergunning, blijkens het besluit van 10 november 2009, is beoordeeld op basis van dat niet bestaande besluit, hetgeen ook door verweerder ter zitting is bevestigd, berust het besluit niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is daarom gegrond en het besluit dient wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb te worden vernietigd.

Op 30 maart 2007 heeft verweerder eisers meegedeeld dat een aantal, in het door Brandweer Haaglanden opgestelde Rapport brandveiligheid van 28 maart 2007 genoemde, aanpassingen aan het Spuimarktcomplex uitgevoerd moet worden.

Bij brief van 3 april 2007 heeft [K] B.V. aan verweerder bevestigd de door verweerder noodzakelijk geachte aanpassingen ten opzichte van de bouwvergunning van 6 december 2004 uit te voeren, nu verweerder had bevestigd de kosten daarvan te zullen vergoeden. Eén van die aanpassingen betreft het "doortrekken noodtrappenhuis Gedempte Gracht van 1e naar 2e verdieping (10 meter niveau) t.b.v. aanvalsroute bioscoop".

Bij e-mailbericht van 31 mei 2007 heeft verweerder meegedeeld dat uitvoering van de werkzaamheden die voortvloeien uit de aanpassing, genoemd in de brief van 3 april 2007, los staan van eventuele financiële afspraken. Verweerder doet een dringend beroep op eisers om voortvarend de afgesproken werkzaamheden ter hand te nemen. Verweerder stelt in de e-mail ten slotte "Ook brengen wij onder uw aandacht dat een gedeelte van het gebouw niet in gebruik kan worden genomen zolang de afgesproken werkzaamheden niet zijn uitgevoerd".

Eisers hebben er vervolgens voor gekozen de door verweerder gevraagde maatregelen te treffen, omdat de kosten daarvan, die naar schatting € 352.887,03 exclusief BTW bedragen, lager zijn dan de schade die eisers zouden leiden bij vertraging in de ingebruikname van het Spuimarktcomplex.

Bij brief van 14 juni 2007 aan verweerder stellen eisers zich op het standpunt dat de aanpassingen niet kunnen worden opgelegd, omdat er een onherroepelijke bouwvergunning is en de gewenste bouwtechnische aanpassingen niet via de gebruiksvergunning kunnen worden afgedwongen.

In een reactie hierop, bij brief van 26 september 2007, stelt verweerder dat de verantwoordelijkheid voor het oprichten van een brandveilig gebouw primair ligt bij degene die bouwt. Een groot deel van de maatregelen moet worden genomen om aan de bouwvergunning van 6 december 2004 te kunnen voldoen. Oprichten van het gebouw zonder de gewenste maatregelen heeft gevolgen voor de gebruiksvergunning in die zin dat een gebruiksbeperking wordt opgelegd.

Op 16 november 2007 hebben eisers bij verweerder gewijzigde bouwtekeningen ingediend, die voorzien in de verweerder gevraagde aanpassingen ten opzichte van de op 6 december 2004 verleende bouwvergunning. Zoals hiervoor overwogen, heeft dit echter niet geleid tot een (bij het niet bestaande besluit van 15 februari 2008) wijziging van de in 2004 verleende bouwvergunning. Van ondergeschikte wijzigingen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, omdat de te treffen maatregelen, gelet op de aard en omvang daarvan, zeer ingrijpend zijn.

Ter zitting van 23 juli 2010 is door verweerder verklaard dat ten tijde van de ruwbouw van het Spuimarktcomplex door de brandweer een aanvalsplan is gemaakt. Eerst op dat moment heeft de brandweer geconcludeerd dat een gedeelte van de trap ontbreekt. Bij de beoordeling van de bouwaanvraag is dat niet gezien, omdat die beoordeling geen honderd-procenttoets is. Verweerder heeft [A] vervolgens naar eigen zeggen niet gedwongen de trap te realiseren. De verplichting de trap te realiseren vloeit als zodanig niet voort uit het Bouwbesluit 2003, aangezien dit functionele eisen bevat die per gebouw ingevuld worden. Het gaat daarbij om het te bereiken resultaat. Hoe [A] dat resultaat wilde bereiken, was haar eigen keuze; de trap was slechts één van de mogelijkheden. De in de brief van 3 april 2007 genoemde aanpassing ten opzichte van de bouwvergunning van 6 december 2004, bestaande uit het doortrekken van het noodtrappenhuis van de eerste naar de tweede verdieping ten behoeve van de aanvalsroute voor de bioscoop, vloeit volgens verweerder voort uit het Bouwbesluit.

Ter zitting van 23 juli 2010 is ten slotte namens verweerder verklaard dat de trap uitsluitend als aanvalsroute voor de brandweer dient en niet ook als vluchtroute. Voorts heeft verweerder daarbij erkend dat het doortrekken van het noodtrappenhuis weliswaar wenselijk is in verband van brandveiligheid, maar niet noodzakelijk volgens het Bouwbesluit 2003.

De rechtbank leidt uit de stukken en het verhandelde ter zitting af dat verweerder achteraf, ten tijde van de ruwbouw, van mening was dat de bouwvergunning van 6 december 2004 aan strengere eisen had moeten voldoen wat betreft de toegangsroute van de brandweer, te weten de aanwezigheid van een doorlopende trap die de eerste met de tweede verdieping van het complex met elkaar verbindt. De bouwvergunning stond evenwel inmiddels in rechte vast. Vervolgens heeft het hierboven vermelde feitenverloop zich voorgedaan. Uit dit feitenverloop blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder vervolgens deze scherpere eisen heeft opgelegd via de voorwaarden van de tijdelijke gebruiksvergunning. Daarbij zijn eisers door verweerder voor het blok gezet wat betreft de ingebruikname van het Spuimarktcomplex. Niet in geschil is dat het niet, althans later, in gebruik nemen van het Spuimarktcomplex meer schade tot gevolg zou hebben voor eisers dan het treffen van de door verweerder gevraagde maatregelen. Ook uit de volgtijdigheid van het indienen van de aanvraag om gebruiksvergunning, op 17 augustus 2007, en het indienen van gewijzigde bouwtekeningen, op 16 november 2007, blijkt dat verweerder eisers in feite heeft gedwongen de - naar gesteld - ondergeschikte wijzigingen ten opzichte van de bouwvergunning van 6 december 2004 door te voeren. De omstandigheid dat de inhoud van de bij die bouwvergunning behorende goedgekeurde PvE's, tegen de achtergrond van de beoogde wijzigen van die bouwvergunning, niet meer van waarde waren, en er als gevolg van de 'overeengekomen afspraken' nieuwe PvE's nodig werden, is geen reden hier anders over te denken, nu deze noodzaak voortvloeide uit de door verweerder gestelde voorwaarden. De bouwvergunning stond immers inmiddels in rechte vast en aan de daarbij gestelde voorwaarden was reeds voldaan. Voorts waren de ten opzichte van die vergunning beoogde wijzigingen niet van ondergeschikte aard. Verweerder heeft, door op deze wijze te handelen misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid. De rechtbank wijst er daarbij op dat verweerder zelf betoogt dat het voldoen aan het Bouwbesluit 2003 en de bouwverordening los moet worden gezien van voorwaarden ter verkrijging van een gebruiksvergunning.

Voorts is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat deze scherpere eisen verdergaan dan is toegestaan op grond van het Bouwbesluit.

Het beroep in de zaak met het registratienummer AWB 08/5428 VEROR is, voor zover gericht tegen de besluiten van 10 juni 2008 en 29 april 2009 niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep is, voor zover gericht tegen het besluit van

10 november 2009, gegrond. Het besluit van 10 november 2009 wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb en het besluit van 13 maart 2008 wordt herroepen wegens strijd met artikel 3:3 van de Awb.

AWB 09/4392 GEMWT

Bij besluit van 2 september 2008 heeft verweerder aan [A] ten aanzien van het gebruik van het Spuimarktcomplex een last onder dwangsom opgelegd. Bij besluit van 12 mei 2009 heeft verweerder de last gewijzigd in die zin dat - voor zover relevant - een last onder dwangsom wordt opgelegd van € 750,-- per overtreding met een maximum van € 3.750,-- met betrekking tot:

1. het ontbreken van een certificaat van de brandmeldinstallatie (BMI);

2. het ontbreken van een certificaat sprinkler;

3. het ontbreken van een contract onderhoud brandwerende verf;

4. het ontbreken van een ontruimingsplan;

5. het ontbreken van een aangepast PvE Brandmeldingsinstallatie / Ontruimings-Alarminstallatie.

De rechtbank stelt vast dat, anders dan verweerder betoogt, deze vijf onderdelen overeenkomen met de bij het besluit van 13 maart 2008 opgelegde voorwaarden bij het verlenen van de tijdelijke gebruikstoestemming en de bij dat besluit gevraagde maatregelen voor het verkrijgen van de gebruiksvergunning.

De besluiten van 2 september 2008 en 12 mei 2009, waarbij verweerder handhavend heeft opgetreden door [A] op straffe van een last onder dwangsom te verplichten de door verweerder noodzakelijk geachte werkzaamheden aan het Spuimarktcomplex uit te voeren, zijn in het licht van het vorenstaande bezien, in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep in de zaak met het registratienummer AWB 08/5428 VEROR is reeds om die reden gegrond. Het besluit van 12 mei 2009 wordt vernietigd en het besluit van 2 september 2008 wordt herroepen wegens strijd met artikel 3:4 van de Awb.

Slotsom

Het beroep in de zaak met het registratienummer AWB 08/5428 VEROR is, voor zover gericht tegen de besluiten van 10 juni 2008 en 29 april 2009 niet-ontvankelijk. Het beroep is, voor zover gericht tegen het besluit van 10 november 2009, gegrond. Het besluit van 10 november 2009 wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb en het besluit van 13 maart 2008 wordt herroepen wegens strijd met artikel 3:3 van de Awb.

Het beroep in de zaak met het registratienummer AWB 08/5428 VEROR gegrond. Het besluit van 12 mei 2009 wordt vernietigd en het besluit van 2 september 2008 wordt herroepen wegens strijd met artikel 3:4 van de Awb.

Verweerder wordt in de door eisers gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaken is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van twee beroepschriften, het verschijnen ter zitting en het tweemaal verschijnen ter nadere zitting) 4 punten worden toegekend.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep in de zaak met het registratienummer AWB 08/5428 VEROR,

voor zover gericht tegen de besluiten van 10 juni 2008 en 29 april 2009, niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep in de zaak met het registratienummer AWB 08/5428 VEROR,

voor zover gericht tegen het besluit 10 november 2009 gegrond;

vernietigt het besluit van 10 november 2009;

herroept het besluit van 13 maart 2008;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

verklaart het beroep in de zaak met het registratienummer AWB 09/4392 GEMWT gegrond;

vernietigt het besluit van 12 mei 2009;

herroept het besluit van 2 september 2008;

bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten € 576,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 1.288,--, welk bedrag aan eisers moet worden vergoed.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk, mr. M.J. van den Bergh en mr. T. van Rij, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. R.F. van Aalst.

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.