Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP6938

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
10/25743
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser behoort tot de Banyamulenge, een bevolkingsgroep die behoort tot de Tutsi’s. In het beleid van verweerder, ten tijde van het besluit van 22 september 2005, was de Banyamulenge aangemerkt als ‘groep van personen die verhoogde aandacht vraagt’ (WBV 2005/30). Ten tijde van het bestreden besluit is de Banyamulenge aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep (WBV 2008/26) in de zin van paragraaf C2/3.1.3 van de Vc 2000, zoals gewijzigd bij WBV 2007/19.

Nu verweerder in het bestreden besluit de door eiser gestelde gebeurtenis in januari 2005, welke door verweerder wordt geloofd, niet heeft betrokken in het kader van de vraag in hoeverre deze gebeurtenis kan worden gezien als een ‘(beperkte) individuele indicatie’ in het kader van het beroep op artikel 3 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom eiser in 2005, dan wel ten tijde van het bestreden besluit, niet in aanmerking had moeten komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 10/25743

V-nummer […]

Inzake: […], eiser,

gemachtigde mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ‘s-Gravenhage,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde mr. J.W. Kreumer.

I Procesverloop

1 Eiser is geboren op […] en heeft de Congolese nationaliteit. Op 14 november 2009 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op 13 januari 2010 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt tot afwijzing van de aanvraag. Op 16 februari 2010 heeft eiser zijn zienswijze hierop naar voren gebracht. Bij besluit van 25 juni 2010 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2 Op 20 juli 2010 heeft eiser tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 januari 2010. Ter zitting is verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen I.W.M. van de Calseijde, tolk in de Franse taal.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

1.2 Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

1.3 Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 – zoals dat luidde ten tijde en voor zover hier van belang – kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

1.4 Ingevolge artikel 33 van de Vw 2000, in samenhang met artikel 34, eerste lid, en artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, kan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

1.5 Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag als vorenbedoeld afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gebaseerd op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2 Verweerder heeft eiser bij besluit van 22 september 2005 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van het destijds geldende categoriaal beschermingsbeleid. Omdat dat beleid per 22 november 2008 is beëindigd is deze verleningsgrond komen te vervallen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser, toetsend naar de situatie op 22 september 2005 en naar de situatie ten tijde van het bestreden besluit, niet in aanmerking komt voor vergunningverlening op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000. De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is dan ook om die reden afgewezen.

3 Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de Banyamulenge, die van oorsprong behoren tot de Tutsi’s. In 1998 is eiser gedetineerd door de autoriteiten, omdat hij onderdak had verleend aan een neef die tot de rebellen behoorde. Eiser is vrijgelaten na bemiddeling van de ouders van de privé-school waar hij lesgaf. Sindsdien heeft eiser geen problemen meer ondervonden, tot hij op 19 januari 2005 bij thuiskomst zag dat zijn huis was doorzocht en dat zijn documenten buiten in brand waren gestoken. Er lag buiten een pamflet waarin onder andere anti Banyamulenge sentimenten werden geuit. De buren hebben verklaard dat zij personen hebben gezien die waren gekleed als leden van de Bundu dia Kongo.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder een nieuw voornemen had moeten uitbrengen vanwege het feit dat in het bestreden besluit een ander toetsingskader is gehanteerd dan in het voornemen. Eiser stelt voorts dat hij vanwege zijn Banyamulenge-afkomst en de gebeurtenissen in 1998 in de negatieve aandacht staat en dat er aldus een verband bestaat met de gebeurtenis in 2005. De organisatie Bundu dia Kongo is gelieerd aan de overheid. Eiser beroept zich op het speciale beleid inzake minderheidsgroeperingen dat verweerder hanteert, zoals neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2004/28 en WBV 2005/30. Daarnaast beroept eiser zich op artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Definitierichtlijn).

4 De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1 De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder gehouden was een nieuw voornemen uit te brengen, vanwege de omstandigheid dat verweerder in het voornemen van 13 januari 2010 de vermoedens die eiser aan de niet betwiste feiten ontleent over hetgeen hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, heeft beoordeeld in het kader van de geloofwaardigheid, terwijl op grond van de nadien gedane uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), van 17 februari 2010 (LJN BL4556) die toets niet langer moet worden uitgevoerd in het kader van de geloofwaardigheid, maar in het kader van de zwaarwegendheid, hetgeen ook in het bestreden besluit is gebeurd. Daartoe stelt de rechtbank vast dat in het voornemen het standpunt van verweerder ten aanzien van het realiteitsgehalte van de vrees van eiser over wat hem bij terugkeer naar de Democratische Republiek Congo (DRC) te wachten staat is weergegeven en dat niet is gebleken dat eiser niet naar behoren zijn zienswijze op dit standpunt naar voren heeft kunnen brengen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser ook verklaard dat eiser door deze gang van zaken niet in zijn belangen is geschaad.

4.2 Vast staat dat het beleid tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid met ingang van 22 november 2008 is beëindigd. In het WBV van 10 november 2008 (WBV 2008/26), waarin dit beleid inzake de DRC is uiteengezet, is het gebied waaruit eiser afkomstig is, Bas Congo, aangemerkt als categoriaal beschermingswaardig. Voor alle personen van alle bevolkingsgroepen is evenwel een verblijfsalternatief aanwezig in Kinshasa. Om die reden wordt niet langer een categoriaal beschermingsbeleid voor Tutsi’s gevoerd. Niet is betwist dat verweerder destijds in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het beëindigen van het categoriaal beschermingsbeleid. Gelet hierop is heeft verweerder terecht geoordeeld dat de oorspronkelijke verleningsgrond van de bij besluit van 22 september 2005 aan eiser verleende vergunning is komen te ontvallen.

4.3.1 Ten aanzien van de stelling van eiser dat hem ten onrechte een verblijfs¬ver¬gunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is onthouden, overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet getwijfeld wordt aan het feitenrelaas van eiser, maar dat de door eiser aan die feiten ontleende vrees dat hij bij terugkeer naar de DRC problemen zal ondervinden, onvoldoende realiteitsgehalte heeft.

Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2008, zaaknr. 200706294/1) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die beoordeling door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2009 (LJN BJ3621) geldt de hiervoor beschreven terughoudende rechterlijke toets ook voor het oordeel van verweerder over het realiteitsgehalte van de vermoedens van de vreemdeling die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens zijn asielrelaas hebben plaatsgevonden. Bij de toetsing door de rechter van het standpunt van verweerder omtrent het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, is voor evenbedoelde terughoudendheid evenwel geen plaats.

4.3.3 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat eiser vanwege de gebeurtenissen in 1998 te vrezen heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.

Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser heeft verklaard dat hij in 1998 zonder voorwaarden door de autoriteiten is vrijgelaten uit detentie en dat hij tot januari 2005 geen problemen heeft ondervonden in de DRC. Voorts is niet aannemelijk geworden dat er een verband bestaat tussen de detentie van eiser in 1998 en de gebeurtenis in januari 2005. Eiser heeft verklaard dat hij in 1998 is gearresteerd door de gendarmerie, derhalve van overheidswege. De inval in de woning en de brandstichting van de documenten in januari 2005 schrijft eiser toe aan de beweging Bundu dia Kongo. Uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake de DRC van november 2010, zoals ook wordt bevestigd in de informatie van de UNHCR (www.unhcr.org/refworld/docid/403dd215c.html), volgt dat de Bundu dia Kongo een religieus-politieke beweging is in de provincie Bas-Congo die ijvert voor onafhankelijkheid van de rest van de DRC en herstel van het oude koninkrijk Congo. De beweging is door de autoriteiten verboden en de aanhangers ervan worden gearresteerd. De stelling van eiser dat de Bundu dia Kongo is gelieerd aan de overheid is daarmee niet in overeenstemming. Nu deze stelling niet nader door eiser is onderbouwd, volgt de rechtbank eiser dan ook niet in zijn standpunt dat er een verband bestaat tussen de gebeurtenissen in 1998 en de gebeurtenis in 2005.

De omstandigheid dat op 19 januari 2005 het huis van eiser is doorzocht en dat er documenten van eiser in brand zijn gestoken, waarbij eiser een pamflet heeft gevonden dat volgens hem afkomstig is van de Bundu dia Kongo, maakt niet dat eiser als vluchteling moet worden aangemerkt. Verweerder heeft daartoe terecht overwogen dat de vrees die eiser daaraan ontleent niet realistisch is nu er in het feitenrelaas van eiser onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat deze daad een op de persoon van eiser gerichte actie betrof die is ingegeven door één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.

Verweerder heeft derhalve terecht geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

4.4.1 Ten aanzien van de stelling van eiser dat hem ten onrechte een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is onthouden, overweegt de rechtbank het volgende.

4.4.2 Eiser heeft in beroep betoogd dat in de DRC sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, zodat hij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt. De rechtbank overweegt dat eiser dit beroep niet nader heeft geconcretiseerd, zodat dit beroep reeds hierom faalt.

4.4.3 Volgens het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 30 oktober 1991, in zaak nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN AD1522) dient, wil aannemelijk zijn dat de desbetreffende vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, sprake te zijn van specifieke individuele kenmerken (“special distinguishing features”), waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid (“mere possibility”) van schending is onvoldoende.

Volgens rechtsoverweging 116 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 in zaak nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN BF0248) zijn evenbedoelde specifieke individuele kenmerken evenwel niet vereist, indien de desbetreffende vreemdeling aannemelijk maakt dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, zoals aan de orde was in het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in zaak nr. 1948/04, Salah Sheekh tegen Nederland (LJN AZ5971).

4.4.4 Niet in geschil is dat eiser behoort tot de Banyamulenge, een bevolkingsgroep die behoort tot de Tutsi’s. In het beleid van verweerder, ten tijde van het besluit van 22 september 2005, was de Banyamulenge aangemerkt als ‘groep van personen die verhoogde aandacht vraagt’ (WBV 2005/30). Ten tijde van het bestreden besluit is de Banyamulenge aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep (WBV 2008/26) in de zin van paragraaf C2/3.1.3 van de Vc 2000, zoals gewijzigd bij WBV 2007/19.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2009 (LJN BI7619) overweegt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat verweerder in het landgebonden asielbeleid de Banyamulenge als kwetsbare minderheidsgroep heeft aangemerkt, nog niet betekent dat verweerder er daarbij ook vanuit is gegaan dat die groep doelwit is van een systematische schending van artikel 3 van het EVRM. Blijkens de toelichting bij WBV 2007/19 is hiermee beoogd aan te geven dat een vreemdeling die tot een als zodanig aangewezen kwetsbare minderheidsgroep behoort, reeds met beperkte individuele indicaties aan het in beginsel op grond van de jurisprudentie van het EHRM (onder meer voormelde uitspraak van 30 oktober 1991) geldende individualiseringsvereiste kan voldoen. Aan de aanwijzing als kwetsbare minderheidsgroep ligt derhalve niet mede ten grondslag de beoordeling dat deze groep systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, als bedoeld in het arrest van het EHRM van 17 juli 2008. Die beoordeling dient ingeval de vreemdeling betoogt dat hij tot een zodanige groep behoort, nog te worden verricht aan de hand van de in dat verband ingebrachte informatie over de situatie van de desbetreffende groep en de mate waarin de leden van die groep bescherming kunnen verkrijgen tegen onmenselijke behandelingen.

Wat de individuele situatie van eiser betreft overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het voornemen, heeft gesteld dat niet is gebleken dat de vrouw en het kind van betrokkene problemen hebben ondervonden van de Bunda dia Kongo of van enige andere groepering of de autoriteiten vanwege hun etnische achtergrond of de etnische achtergrond van eiser. Nu eiser echter heeft verklaard dat zijn vrouw niet tot de Banyamulenge behoort, maar tot de Bakongo, kan deze motivering geen stand houden. Nu verweerder voorts in het bestreden besluit de door eiser gestelde gebeurtenis in januari 2005, welke door verweerder wordt geloofd, niet heeft betrokken in het kader van de vraag in hoeverre deze gebeurtenis kan worden gezien als een ‘(beperkte) individuele indicatie’ in het kader van het beroep op artikel 3 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom eiser in 2005, dan wel ten tijde van het bestreden besluit, niet in aanmerking had moeten komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

4.5 Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit niet gedragen kan worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

4 Het beroep wordt derhalve gegrond verklaard.

5 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1).

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 874,-.

Aldus gedaan door mr. E.A. Poppe-Gielesen, voorzitter en mr. A. van ‘t Laar en

mr. A. Pahladsingh, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M.L.J. Spierings, griffier.

De griffier, De voorzitter,

De voorzitter is buiten staat de uitspraak

te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op: 3 maart 2011.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: