Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP6695

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
Awb 11/4823 VRONTN/CM
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BT1933, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugkeerrichtlijn van toepassing op Dublinclaimanten / artikel 2 Terugkeerrichtlijn / artikel 6 Terugkeerrichtlijn / artikel 59, tweede lid, Vw 2000 / Kadzoev.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Terugkeerrichtlijn, gelet op artikel 6 van deze richtlijn, niet van toepassing is op Dublinclaimanten. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 2, eerste lid, Terugkeerrichtlijn, deze richtlijn van toepassing is op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. In artikel 2, tweede lid, Terugkeerrichtlijn, is een aantal uitzonderingen genoemd. De rechtbank stelt vast dat de Dublinverordening niet als uitzondering in artikel 2, tweede lid, Terugkeerrichtlijn, is genoemd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de Terugkeerrichtlijn van toepassing is op Dublinclaimanten. Verweerders standpunt dat gelet op artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn, deze richtlijn niet van toepassing is, volgt de rechtbank derhalve niet.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen gronden aan de bewaring ten grondslag hoefden te worden gelegd, aangezien op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000, het belang van de openbare orde wordt geacht de bewaring van eiser te vorderen. De rechtbank is van oordeel, onder verwijzing naar rechtsoverweging 70 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 november 2009, C-357/09, JV 2010/30 (Kadzoev), dat de mogelijkheid om een persoon om redenen van openbare orde in bewaring te stellen geen grondslag kan vinden in de Terugkeerrichtlijn. Het beroep is gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/200

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

vreemdelingenkamer

nevenzittingsplaats Almelo

regnr.: Awb 11/4823 VRONTN/CM

uitspraak van de enkelvoudige kamer

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

van Somalische nationaliteit,

thans verblijvende in [plaats detentie],

justitienummer: [..],

eiser,

gemachtigde: mr. W. de Kleine, advocaat te Emmen;

tegen

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.M. Luik, ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

1. Procesverloop

Op 8 februari 2011 is eiser met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld (op grond van artikel 59, eerste lid en tweede lid, Vw 2000).

Eiser heeft op 11 februari 2011 tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep strekt mede tot toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 februari 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Ter zitting was een tolk aanwezig.

2. Standpunten

Eiser heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, de opheffing van de bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen.

Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van schadevergoeding af te wijzen.

3. Overwegingen

Beoordeeld dient te worden of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd zijn.

In geschil is de vraag of de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: Terugkeerrichtlijn) van toepassing is op eiser, die een zogenoemde Dublinclaimant is. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn, deze richtlijn niet van toepassing is op Dublinclaimanten. Eiser heeft aangevoerd dat de Terugkeerrichtlijn op hem van toepassing is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, diende deze Terugkeerrichtlijn uiterlijk 24 december 2010 te zijn geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Nu de Terugkeerrichtlijn tot op heden niet in de Nederlandse nationale wetgeving is geïmplementeerd, komt aan de Terugkeerrichtlijn per 25 december 2010 directe werking toe voor zover bepalingen daaruit onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn gesteld en een onderdaan van een derde land, die illegaal verblijft in Nederland, hier een beroep op doet.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, Terugkeerrichtlijn, is deze richtlijn van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. In artikel 2, tweede lid, Terugkeerrichtlijn, is een aantal uitzonderingen genoemd. De rechtbank stelt vast dat de Verordening (EG) Nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, niet als uitzondering in artikel 2, tweede lid, Terugkeerrichtlijn, is genoemd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de Terugkeerrichtlijn van toepassing is op Dublinclaimanten. Verweerders standpunt dat gelet op artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn, deze richtlijn niet van toepassing is, volgt de rechtbank derhalve niet.

De rechtbank stelt voorts vast dat eiser op grond van artikel 59, eerste lid en tweede lid,

Vw 2000, in bewaring is gesteld. De rechtbank merkt op dat er geen gronden aan de bewaring ten grondslag zijn gelegd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen gronden aan de bewaring ten grondslag hoefden te worden gelegd, aangezien op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000, het belang van de openbare orde wordt geacht de bewaring van eiser te vorderen. De rechtbank is met eiser van oordeel, onder verwijzing naar rechtsoverweging 70 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 november 2009, C-357/09, JV 2010/30 (Kadzoev), dat de mogelijkheid om een persoon om redenen van openbare orde in bewaring te stellen geen grondslag kan vinden in de Terugkeerrichtlijn. Het betoog van eiser slaagt derhalve.

Het beroep is reeds hierom gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.

De bewaring dient te worden opgeheven met ingang van heden, 23 februari 2011.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van eiser in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om eiser ten laste van de Staat een schadevergoeding toe te kennen van € 105,- per de dag die eiser vanaf 8 februari 2011 heeft doorgebracht in een politiecel en € 80,- per dag voor de dagen die eiser vanaf 10 februari 2011 heeft doorgebracht in het Huis van Bewaring. Dit betekent dat een schadevergoeding van totaal € 1170,- zal worden toegekend.

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten begroot op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting), onder aanwijzing van verweerder die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, moet voldoen.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden;

- kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van

€ 1170,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten begroot op € 874,-, onder aanwijzing van verweerder die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, moet voldoen.

Aldus gedaan door mr. H. Bloebaum, rechter, in tegenwoordigheid van L.F.D. Drenthe, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: