Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP6271

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
AWB 06/24277
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW4295, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, artikel 12 Definitierichtlijn, KhAD/WAD, UNHCR-Note, bewijslast

De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in verschillende uitspraken heeft overwogen dat zowel de rapporten van dr. Giustozzi en dr. Rubin als de UNHCR-Note niet kunnen worden aangemerkt als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2009 (LJN: BJ8654). De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.

Wel heeft de rechtbank in de laatstgenoemde uitspraak van de Afdeling aanleiding gezien om de bronnen op te vragen die ten grondslag liggen aan de UNHCR-Note. Naar het oordeel van de rechtbank is de door de UNHCR verschafte informatie onvoldoende om alsnog te concluderen dat de UNHCR-Note kan worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder heeft mogen uitgaan van de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht, bij gebreke aan concrete aanknopingspunten voor twijfel aan deze conclusie.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 9 november 2010 een arrest gewezen over de uitleg van artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn (C-57/09 en C-101/09, LJN: BO5518). In het licht van de overwegingen 94 tot en met 98 van het Hof heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het ambtsbericht van 29 februari 2000, daarbij de mogelijkheid biedend aan eiser om tegenbewijs te leveren. Verweerder had een individueel onderzoek dienen te verrichten naar de specifieke feiten van eisers geval en de individuele verantwoordelijkheid dienen vast te stellen aan de hand van objectieve en subjectieve criteria, zoals genoemd in dit arrest. Verweerder gaat er weliswaar ook van uit dat individuele omstandigheden een rol kunnen spelen in het kader van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, maar meent dat de bewijslast bij eiser ligt en het aan hem is om tegenbewijs te leveren. In het licht van de voorgaande overwegingen van het Hof is dat standpunt niet langer houdbaar.

De conclusie is dan ook dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vreemdelingenwet 2000 33
Vreemdelingenwet 2000 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 06/24277

V-nr.: 255.001.4404

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1956, van Afghaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister voor Immigratie en Asiel, rechtsopvolger van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te ‘s-Gravenhage.

Procesverloop

Op 6 augustus 1997 heeft eiser aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard ingediend. Bij besluit van 6 februari 1998 zijn deze aanvragen niet ingewilligd, maar is wel een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend aan eiser. Bij bezwaarschrift van

6 maart 1998 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van

28 oktober 1998 ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroepschrift is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 8 november 2000 (AWB 98/6702) gegrond verklaard en het besluit van 28 oktober 1998 is vernietigd.

Met ingang van 1 april 2001 is de vvtv van rechtswege omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Op 1 mei 2001 heeft eiser vervolgens het bezwaarschrift van 6 maart 1998 ingetrokken.

Bij besluit van 24 april 2006 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken. Op 18 mei 2006 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007. Op 2 juli 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde op grond van artikel 8:45, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nadere schriftelijke inlichtingen in te winnen bij de minister van Buitenlandse Zaken. Na ontvangst van de inlichtingen van de minister van Buitenlandse Zaken en de reacties hierop van beide partijen is de hervatting van het onderzoek ter zitting aangehouden in afwachting van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) omtrent de ook in deze procedure ingebrachte “Note on the Structure and Operation of the KhAD/WAD in Afghanistan 1978-1992” van de UNHCR van mei 2008 (UNHCR-Note). Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de betreffende uitspraak van de Afdeling van 24 september 2009 (LJN: BJ8654) te reageren.

De rechtbank heeft bij brief van 13 juli 2010 de UNHCR nadere vragen gesteld over de UNHCR-Note. Bij schrijven van 4 oktober 2010 heeft de rechtbank de reactie van de UNHCR ontvangen. Beide partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om te reageren.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer is, in een andere samenstelling, hervat op 25 november 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig

R. Kambakhsh, tolk in de Dari taal.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Tussen partijen is in geschil of verweerder op goede gronden is overgegaan tot intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000.

2.1. Ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 worden ingetrokken, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

2.2. Ingevolge artikel 1(F) van het Verdrag van Geneve betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (Vluchtelingenverdrag) zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

2.3. Volgens paragraaf C5/4.1 (huidige nummering) van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, gelezen in samenhang met paragraaf C5/2.1 van de Vc 2000, dient, als achteraf wordt vastgesteld dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 ten onrechte niet is toegepast, omdat de desbetreffende vreemdeling bij de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel de juiste gegevens heeft verzwegen, de verblijfsvergunning asiel te worden ingetrokken. Met een dergelijke intrekking wordt slechts beoogd de situatie te herstellen zoals die zou zijn geweest indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. De intrekking is slechts gericht op het ongedaan maken van de gevolgen die aan de onjuiste gegevens zijn verbonden. Om die reden is niet vereist dat de desbetreffende vreemdeling de onjuiste gegevens zelf heeft verstrekt, hij op de hoogte was van de verstrekking van de onjuiste gegevens of hij daarmee heeft ingestemd, aldus deze paragrafen van de Vc 2000.

Standpunt verweerder

3.1. Verweerder heeft aan de intrekking van de verblijfsvergunning het volgende - kort weergegeven - ten grondslag gelegd.

3.2. Eiser is van 1983 tot 1992 als officier werkzaam geweest voor de KhAD/WAD. De KhAD/WAD wordt aangemerkt als een organisatie waarvan aan officieren en onderofficieren in de regel artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zal worden tegengeworpen. Deze beslissing is een gevolg van hetgeen over de Afghaanse veiligheidsdiensten wordt opgemerkt in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 inzake de veiligheidsdiensten in de periode 1978-1992. Uit dit ambtsbericht komt naar voren dat alle officieren en onderofficieren van de KhAD/WAD werkzaam zijn geweest in de macabere afdelingen van de KhAD/WAD en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en executeren van verdachte personen. Het naar aanleiding van deze omstandigheden ingestelde onderzoek heeft opgeleverd dat eiser in verband moet worden gebracht met martelingen en buitengerechtelijke executies, welke gedragingen dienen te worden aangemerkt als oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

3.3. Eiser is er niet in geslaagd om aan te tonen dat hij niets heeft geweten van het misdadige karakter van de KhAD/WAD en evenmin dat hij niet zelf, in weerwil van zijn positie als officier, de genoemde misdrijven heeft gepleegd of heeft doen plegen, dan wel dat zijn handelen en/of nalaten het plegen van deze misdrijven niet mogelijk heeft gemaakt. Veeleer is aannemelijk dat eiser zijn werkzaamheden, taken en bevoegdheden tijdens de verschillende gehoren heeft trachten te bagatelliseren en dat hij slechts een deel van zijn daadwerkelijke activiteiten naar voren heeft gebracht tijdens deze gehoren.

3.4. Gelet hierop is artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing en concludeert verweerder dat eiser gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van zijn asielaanvraag zouden hebben geleid. Daarom is de verblijfsvergunning op goede gronden ingetrokken, aldus verweerder.

Het beroep op het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel

4.1. Tussen partijen is allereerst in geschil of het rechtszekerheids- en/of het vertrouwensbeginsel zich verzet tegen de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning.

4.2. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat verweerder op het moment van verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ervan op de hoogte was dat eiser werkzaam was geweest voor de KhAD/WAD. Eiser mocht hieraan dan ook het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat het bepaalde in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet aan hem zou worden tegengeworpen, aldus eiser.

4.3. De rechtbank overweegt dat, zoals ook door verweerder is overwogen, eiser op de hoogte was van het voortduren van het onderzoek naar de mogelijke toepasselijkheid van 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op zijn geval. Bij brief van 2 mei 2001, naar aanleiding van de intrekking van eisers bezwaarschrift, heeft verweerder nogmaals aan eiser bevestigd dat de intrekking van het bezwaar niet betekent dat het onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag wordt gesloten en dat op basis van dit onderzoek de verblijfsstatus van eiser mogelijk wordt heroverwogen. Onder deze omstandigheden kon eiser aan de verlening van de vergunning tot verblijf zonder beperkingen en de van rechtswege omzetting hiervan in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 die hiervan het gevolg was, niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hem het bepaalde in artikel 1(F) niet (langer) zou worden tegengeworpen. Dit zou blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 9 februari 2006, LJN: AV2125) eerst anders zijn indien verweerder expliciet zou hebben verklaard dat artikel 1(F) niet (langer) aan hem wordt tegengeworpen. Van een dergelijke expliciete toezegging of verklaring van de kant van verweerder is in het onderhavige geval echter geen sprake. Deze beroepgrond faalt om die reden.

4.4. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder in eerste instantie twijfelde aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas, inclusief zijn verklaringen over zijn rang en functie binnen de KhAD/WAD. Het is strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel dat verweerder vervolgens wel uitgaat van de geloofwaardigheid van dat relaas in het kader van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, aldus eiser. Ook deze beroepsgrond faalt naar het oordeel van de rechtbank. In het besluit van 28 oktober 1998, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 1998 ongegrond is verklaard, is verweerder inderdaad uitgegaan van de ongeloofwaardigheid van het gehele relaas van eiser. In de eerder genoemde uitspraak van 8 november 2000 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, dit besluit echter vernietigd en in dat kader overwogen dat verweerder ten onrechte was uitgegaan van de ongeloofwaardigheid van eisers verklaringen. Gelet hierop was verweerder vervolgens gehouden om uit te gaan van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Bovendien is eiser nadien nog aanvullend gehoord over zijn werkzaamheden en is de geloofwaardigheid van zijn verklaringen mede gebaseerd op de uitgebreide verklaringen die hij tijdens deze aanvullende gehoren heeft afgelegd. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is dan ook geen sprake.

4.5. Voor zover eiser nog heeft willen betogen dat intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht strijdig zou zijn met het rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank dat in beginsel geen rechtsregel zich verzet tegen intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht. Dat geldt te meer in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een intrekking vanwege het verstrekken van onjuiste gegevens. Een vreemdeling die onjuiste gegevens heeft verstrekt dient immers rekening te houden met een herstel van de situatie zoals die zou zijn geweest indien hij wel de juiste gegevens had verstrekt.

De kwalificatie van de tegengeworpen gedragingen

5.1. Eiser heeft aangevoerd dat de gedragingen waarmee hij in verband wordt gebracht, niet strafrechtelijk zijn gekwalificeerd in de door verweerder aangehaalde internationaalrechtelijke bepalingen als oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid. Bovendien levert schending van gemeenschappelijk artikel 3 van de Geneefse Conventies in Afghanistan in de periode tussen 1983 en 1992 niet een oorlogsmisdrijf op met individuele aansprakelijkheid voor de pleger.

5.2. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen (uitspraak van 18 april 2005, LJN: AT4663) is voor de beoordeling of artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser kan worden tegengeworpen niet van belang of hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de hem aangerekende misdrijven, maar is slechts vereist dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven, als bedoeld in die bepaling. Voor een omschrijving van de bedoelde misdrijven verwijst artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag naar internationale overeenkomsten die zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen. Voor het oordeel dat een internationale overeenkomst in het kader van de toepassing van artikel 1 (F) slechts van betekenis kan zijn, indien die overeenkomst van toepassing was op het moment waarop de aan de desbetreffende vreemdeling tegengeworpen misdrijven hebben plaatsgevonden, bestaat geen grond. Noch de tekst van artikel 1(F), noch de door de UNHCR opgestelde richtlijnen voor de interpretatie en de toepassing van het Vluchtelingenverdrag bieden daarvoor aanknopingspunten. Met de verwijzing naar internationale verdragen in onderdeel a van artikel 1 (F) is beoogd de ontwikkelingen op het gebied van het internationaal strafrecht niet uit te sluiten. Aldus heeft de in deze verdragsbepaling neergelegde aanduiding van misdrijven als oorlogsmisdrijven een zogenoemd dynamisch karakter.

Het ambtsbericht van 29 februari 2000

6. Verder is tussen partijen in geschil of verweerder het eerder genoemde ambtsbericht van 29 februari 2000 aan de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning ten grondslag heeft kunnen leggen.

7. De rechtbank heeft bij brief van 28 april 2008 de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om toezending van de onderliggende stukken van het ambtsbericht van 29 februari 2000. Bij schrijven van 29 mei 2008 heeft de minster van Buitenlandse Zaken aan dit verzoek voldaan. De minister van Buitenlandse Zaken heeft met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb meegedeeld dat de kennisneming van bepaalde gedeelten in deze stukken tot de rechtbank beperkt dient te blijven. De rechtbank heeft, in een andere samenstelling, bij beslissing van 12 februari 2009 bepaald dat de beperking van de kennisneming van de vertrouwelijke gedeelten van de genoemde stukken gerechtvaardigd is. Beide partijen hebben schriftelijk verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat de rechtbank kennis neemt van de onderliggende stukken en mede op grondslag van die stukken uitspraak doet. De rechtbank heeft kennis genomen van de onderliggende stukken en deze bij de beoordeling van de onderhavige zaak betrokken.

8.1. Eiser heeft aangevoerd dat het gebruik van het ambtsbericht in deze procedure strijdig is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie van 18 december 2000 (Handvest), nu eiser geen mogelijkheid heeft de onderliggende stukken in te zien.

8.2. Artikel 6 van het EVRM waarborgt het recht op een eerlijk proces. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 3 februari 2010, LJN: BL1852) bevat deze bepaling minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, die echter niet absoluut zijn. De nationale wetgever mag procedurevoorschriften en beperkingen stellen met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het algemeen belang of belangen van derden, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in essentie wordt aangetast. De beperkingsmogelijkheid van artikel 8:29 van de Awb belet niet dat een volledige rechterlijke toetsing van het besluit plaatsvindt, nu partijen ermee hebben ingestemd dat de rechtbank mede op grond van de onderliggende stukken uitspraak doet. Het recht op een eerlijke procesvoering wordt door de toepassing van artikel 8:29 van de Awb dan ook niet in essentie aangetast.

8.3. Eiser voert nog aan, onder verwijzing naar diverse arresten (onder andere A. en anderen tegen VK, LJN: BH9204) van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat het EHRM heeft gewezen op de fundamentele rol die een ‘special advocate’ kan spelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank verwijst daartoe naar een uitspraak van deze rechtbank van 26 januari 2010 (LJN: BL0575). Daarin is geoordeeld dat de jurisprudentie van het EHRM aldus moet worden begrepen dat de invulling van het begrip ‘adversarial proceedings’ zowel afhangt van de omstandigheden van het geval als van de verdragsbepaling die in het geding is. De zaak A. en anderen tegen VK betrof artikel 3 in samenhang met artikel 6, van het EVRM. De omstandigheden van die zaak (zoals beschreven in rechtsoverweging 6.5 van de uitspraak van deze rechtbank van 26 januari 2010) waren echter dermate anders dan in de onderhavige zaak, dat de verwijzing naar dit arrest eiser niet kan baten.

8.4. Nu in artikel 47 van het Handvest gelijkluidende normen voor een eerlijke procesvoering zijn opgenomen, ziet de rechtbank ook in die bepaling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Verweerder hoefde derhalve niet op deze grond af te zien van gebruikmaking van het ambtsbericht van 29 februari 2000.

8.5. Eisers beroepsgrond dat in onvoldoende mate sprake is van “adversarial proceedings” kan dan ook niet slagen.

9. Vervolgens is aan de orde welke waarde toekomt aan het ambtsbericht van 29 februari 2000. Verweerder heeft immers de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag volledig gebaseerd op de inhoud van bedoeld ambtsbericht.

10.1. Een ambtsbericht als het onderhavige dient volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling te worden aangemerkt als een deskundigenbericht van de minister van Buitenlandse Zaken aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen waaraan deze informatie is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan mag verweerder bij de besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

10.2. De rechtbank heeft de onderliggende stukken van het ambtsbericht ingezien en concludeert op grond daarvan dat de in het ambtsbericht vervatte conclusies - inhoudende dat alle officieren en onderofficieren werkzaam zijn geweest op de macabere afdelingen van de KhAD/WAD en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms executeren van verdachte personen - kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag liggende bronnen.

11.1. Gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader is vervolgens aan de orde of eiser concrete aanknopingspunten heeft aangedragen voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van deze informatie. Eiser heeft in dit kader gewezen op een aantal rapporten van

dr. Giustozzi en dr. Rubin. Daarnaast heeft eiser verwezen naar de al eerder aangehaalde UNHCR-Note van mei 2008.

11.2. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in verschillende uitspraken heeft overwogen dat zowel de rapporten van dr. Giustozzi en dr. Rubin als de UNHCR-Note niet kunnen worden aangemerkt als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2009 (LJN: BJ8654). De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.

11.3. Wel heeft de rechtbank in de laatstgenoemde uitspraak van de Afdeling aanleiding gezien om de bronnen op te vragen die ten grondslag liggen aan de UNHCR-Note. De Afdeling heeft immers blijkens haar uitspraak van 24 september 2009 bij de conclusie dat de UNHCR-Note niet kan worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel, doorslaggevend geacht dat daarin geen inzicht wordt gegeven in de bronnen die aan de in de UNHCR-Note vervatte informatie ten grondslag zijn gelegd. Daarom was volgens de Afdeling niet inzichtelijk in hoeverre de bronnen van de UNHCR-Note kunnen worden gekwalificeerd als objectief, onafhankelijk en betrouwbaar. Bij brief van 4 oktober 2010 heeft de UNHCR de door de rechtbank gevraagde informatie verschaft en inzage gegeven in de aan de UNHCR-Note ten grondslag liggende bronnen.

11.4. Naar het oordeel van de rechtbank is de door de UNHCR verschafte informatie onvoldoende om alsnog te concluderen dat de UNHCR-Note kan worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de daarin met rang en functie genoemde bronnen zonder uitzondering (voormalig) medewerkers van de KhAD/WAD betreffen. Bovendien heeft het door de UNHCR verrichte onderzoek plaatsgevonden in de periode 2001-2008, dus ruim na de relevante periode waar het ambtsbericht op ziet, namelijk de jaren 1978-1992. De enige uitzondering hierop vormt de informatie afkomstig van [naam 1], de UN Special Rapporteur for Afghanistan. Bovendien acht de rechtbank van belang dat de UNHCR geen nadere achterliggende informatie heeft kunnen verschaffen, bijvoorbeeld in de vorm van afschriften van gehouden interviews. De rechtbank heeft hier wel om verzocht, maar de UNHCR heeft deze stukken in verband met privacyoverwegingen niet kunnen overleggen.

12. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder heeft mogen uitgaan van de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht, bij gebreke aan concrete aanknopingspunten voor twijfel aan deze conclusie. Vervolgens is aan de orde of verweerder in het onderhavige geval op grond van bedoeld ambtsbericht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.

13.1. Verweerder voert - gelet op de informatie uit het ambtsbericht van 29 februari 2000 - in zaken als de onderhavige het beleid dat aan officieren en onderofficieren van de KhAD/WAD in de regel artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen. Dit beleid is bevestigd in een brief van verweerder aan de Tweede Kamer der Staten Generaal van 22 mei 2002 (TK 2001-2002, 19637, nr. 520, p. 3). In deze brief is vermeld dat voor deze groep kan worden uitgegaan van de vooronderstelling dat sprake is van “knowing and personal participation”, hetgeen neerkomt op een omkering van de bewijslast. Wel wordt volgens verweerder in iedere zaak individueel beoordeeld of de betrokken vreemdeling heeft aangetoond een uitzondering te zijn op de bovengenoemde regel.

13.2. De rechtbank stelt vast dat een met artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag overeenkomstige bepaling inmiddels ook is neergelegd in artikel 12 van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn). De Definitierichtlijn is in werking getreden op 9 november 2004. De implementatietermijn is verstreken op 10 oktober 2006. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is genomen vóór het verstrijken van de implementatietermijn. Dat betekent dat de Definitierichtlijn nog niet van toepassing was. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) heeft op 9 november 2010 een arrest gewezen over de uitleg van artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn (C-57/09 en C-101/09, LJN: BO5518). Gezien het feit dat de uitsluitingsgronden die zijn opgenomen in artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn overeenkomen met artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, ziet de rechtbank aanleiding om de uitleg die het Hof geeft aan artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn, bij de beoordeling van de onderhavige beroepsgrond te betrekken.

13.3. In de overwegingen onder 94 tot en met 98 van bedoeld arrest overweegt het Hof het volgende:

“Uit een en ander volgt dat een persoon die heeft behoord tot een organisatie die terroristische methoden toepast, slechts van de vluchtelingenstatus kan worden uitgesloten na een individueel onderzoek van specifieke feiten waaruit kan worden opgemaakt of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon in het kader van zijn activiteiten binnen die organisatie een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties, tot een dergelijk misdrijf of dergelijke handelingen heeft aangezet of anderszins aan dergelijke misdrijven of daden heeft deelgenomen in de zin van artikel 12, lid 3, van de richtlijn.

Om het bestaan van een van de in artikel 12, lid 2, sub b en c, van de richtlijn genoemde uitsluitingsgronden te kunnen aannemen moet, gelet op het in lid 2 van dat artikel geëiste bewijsniveau, de betrokken persoon ten dele verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de daden die de betrokken organisatie heeft gesteld in de periode waarin hij er lid van was.

Deze individuele verantwoordelijkheid moet zowel aan de hand van objectieve criteria als aan de hand van subjectieve criteria worden vastgesteld.

Daartoe moet de bevoegde autoriteit met name nagaan, welke rol de betrokken persoon daadwerkelijk heeft gespeeld bij het stellen van de betrokken daden, welke positie hij had binnen de organisatie, welke kennis hij had of had moeten hebben van de activiteiten van de organisatie en of pressie op hem is uitgeoefend dan wel of andere factoren zijn gedrag hebben kunnen beïnvloeden.

Een autoriteit die bij dat onderzoek vaststelt dat de betrokken persoon, zoals D, een vooraanstaande positie heeft bekleed in een organisatie die terroristische methoden toepast, mag ervan uitgaan dat deze persoon individueel verantwoordelijk is voor daden die deze organisatie tijdens de relevante periode heeft gesteld, maar moet niettemin alle relevante omstandigheden onderzoeken alvorens een beschikking te kunnen geven waarbij deze persoon op grond van artikel 12, lid 2, sub b of c, van de richtlijn van de vluchtelingenstatus wordt uitgesloten.”

13.4. In het licht van deze overwegingen van het Hof heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het ambtsbericht van 29 februari 2000, daarbij de mogelijkheid biedend aan eiser om tegenbewijs te leveren. Verweerder had een individueel onderzoek dienen te verrichten naar de specifieke feiten van eisers geval en de individuele verantwoordelijkheid dienen vast te stellen aan de hand van objectieve en subjectieve criteria, zoals genoemd in dit arrest. Verweerder gaat er weliswaar ook van uit dat individuele omstandigheden een rol kunnen spelen in het kader van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, maar meent dat de bewijslast bij eiser ligt en het aan hem is om tegenbewijs te leveren. In het licht van de voorgaande overwegingen van het Hof is dat standpunt niet langer houdbaar.

14. De conclusie is dan ook dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, onder meer ten aanzien van de artikelen 3 en 8 van het EVRM, kan gelet op de gegrondverklaring van het beroep verder buiten beschouwing blijven.

15. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 805,-- (zegge: achthonderdenvijf euro), te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Jonkers, voorzitter, en mrs. C.W.M. Giesen en A.W.C.M. van Emmerik, rechters, in tegenwoordigheid van L. Fernández Ferreiro, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2011.

De griffier De rechter

Afschrift verzonden op:

Conc.: LFF

Coll.: MvM

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.