Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP6228

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 40711, 10 / 40715, 10/40712 & 10 / 40716
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroepen gegrond. Voortgezet verblijf vanwege medische noodsituatie. Vergewisplicht met betrekking tot de deskundigheid van de geraadpleegde vertrouwensartsen, alsmede met betrekking tot de in het BMA-advies gestelde voorwaarde van de fysieke medische overdracht. In tegenstelling tot hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 december 2010, wordt in onderhavig geval niet inzichtelijk gemaakt met welke concreet bij naam genoemde behandelaar in het land van herkomst contact zal worden opgenomen.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet blijkt welke deskundigheid de geraadpleegde vertrouwensartsen hebben. De brondocumenten afkomstig van de vertrouwensartsen zijn niet ondertekend. Evenmin blijkt uit de brondocumenten welk specialisme de geraadpleegde vertrouwensartsen hebben en waarop zij hun informatie baseren. Ter zitting is voorts gebleken dat bij verweerder niet bekend is wie de vertrouwensartsen zijn en dat verweerder niet bij het BMA is nagegaan welke deskundigheid de vertrouwensartsen hebben. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft verzuimd zich ervan te vergewissen dat het onderzoek door het BMA op deugdelijke en zorgvuldige wijze is verricht en dat het de daaraan verbonden conclusies kan dragen, terwijl verweerder hiertoe wel ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 10 / 40711 en 10 / 40715 (beroep)

AWB 10 / 40712 en 10 / 40716 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 17 februari 2011

in de zaak van:

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum],

eiseres/verzoekster, hierna te noemen eiseres,

en haar minderjarige zoon

[naam eiser], geboren op [geboortedatum],

eiser/verzoekster, hierna te noemen eiser,

beiden van Nigeriaanse nationaliteit, en hierna gezamenlijk te noemen eisers,

gemachtigde: mr. H. Jager, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Kras werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 9 februari 2010 een aanvraag ingediend tot het wijzigen van de beperking van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “verblijf vanwege medische noodsituatie” in de beperking “voortgezet verblijf”. Eiser heeft op 9 februari 2010 een aanvraag ingediend tot het verlengen van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij [naam]”. Verweerder heeft deze aanvragen bij afzonderlijke besluiten van 27 april 2010 afgewezen. Bij afzonderlijke besluiten van 22 november 2010 heeft verweerder de hiertegen door eisers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld.

1.2 Eisers hebben op 24 november 2010 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoeken verweerder te verbieden hen uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 9 februari 2011. Eisers en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank betrekt bij de beoordeling van het geschil de volgende feiten. Aan eiseres is bij beschikking van 6 juli 2007 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ verleend, geldig van 11 april 2007 tot 11 april 2008. Deze vergunning is verleend onder verwijzing naar het advies van het Bureau Medisch Advisering (BMA) van 1 juni 2007. Bij beschikking van 30 juni 2008 is de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning verlengd van 11 april 2008 tot 11 april 2009. Deze verlenging is verleend onder verwijzing naar het advies van het BMA van 16 juni 2008. Bij beschikking van 3 december 2008 is de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning laatstelijk verlengd van 11 april 2009 tot 11 april 2010.

2.2 Verweerder heeft zich – samengevat – op het volgende standpunt gesteld. Eiseres voldoet niet (meer) aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning zoals door haar gevraagd, omdat medische behandeling voor eiseres mogelijk is in het land van herkomst. De voor eiseres noodzakelijke behandeling is in medisch technische zin voldoende beschikbaar in Nigeria.

2.3 Aan het bestreden besluit heeft verweerder het advies van het BMA van 3 april 2010 ten grondslag gelegd. Hierin staat onder meer het volgende.

“Betrokkene is bekend met een HIV-infectie, CDC-stadium C3. Daarnaast is er bij betrokkene sprake van een chronische hepatitis-B-infectie. De medische voorgeschiedenis vermeld tuberculose in 2006 waarvoor zij is behandeld. Daarnaast is zij bekend met verhoogde bloeddruk en een polycysteus ovariumsyndroom. Betrokkene is recent bevallen. (…)

Betrokkene wordt behandeld door [naam], internist (UMC Groningen) met antiretrovirale therapie bestaande uit Zidovudine, Lamivudine, Lopinavir en Ritonavir. Daarnaast gebruikt zij Methyldope voor de verhoogde bloeddruk. De internist overweegt de antiretrovirale therapie de komende tijd te wijzigen in de combinatie van Emtricitabine, Tenofovir en Efavirenz. De behandeling van de HIV-infectie is blijvend. (…)

Bij het uitblijven van de antiretrovirale therapie is een medische noodsituatie op korte termijn te verwachten via het optreden van levensbedreigende opportunistische infecties. (…)

Betrokkene is in staat om te reizen, mits voortzetting van de behandeling gegarandeerd is. (…) Gezien de huidige medische inzichten acht ik betrokkene in staat te reizen met gangbare vervoermiddelen als boot, trein, bus auto en vliegtuig. Ik heb wel aanwijzingen dat enige medische voorziening voor, tijdens of direct na de reis noodzakelijk is, namelijk de beschikking over de medicatie en zorgvuldige schriftelijke overdracht.(..)

Uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie met betrekking tot de therapiemogelijkheden in het land van herkomst concludeer ik dat deze voldoende zijn. (…)

Uit NG16-39-2009, NG-1594-2009 en NG-1500-2009 blijkt dat behandeling door een internist-HIV specialist mogelijk is in onder meer het Lagos University Teaching Hospital te Lagos. De actuele antiretrovirale medicatie en de overwogen medicatie is verkrijgbaar. Uit NG-1361-2009 blijk dat Methyldopa verkrijgbaar is in Nigeria. Blijkens de inhoud van de ontvangen informatie van de vertrouwensartsen in Nigeria zijn de behandelingmogelijkheden in dat land sinds het vorig advies over betrokkene d.d. 16 juni 2008 toegenomen. Uit de database van het BMA valt op te maken dat het omslagpunt ligt in de tweede helft van 2008.”

2.4 Eiseres heeft de volgende beroepsgronden aangevoerd. Eiseres stelt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat in Nigeria geen sprake is van adequate behandelmogelijkheden. Het is onaannemelijk dat zich in Nigeria in een kort tijdsbestek ten aanzien van de behandelmogelijkheden een zo drastische omwenteling heeft voorgedaan. In de medische adviezen van 1 juni 2007 en 16 juni 2008 uit de eerste procedure van eiseres concludeerde het BMA immers nog dat er onvoldoende adequate behandelmogelijkheden in Nigeria zijn, dat de levering van medicijnen problematisch is en dat de kwaliteit van de gezondheidszorg ver beneden de internationale standaard is. Daarbij stelt eiseres dat het BMA voor haar landeninformatie is overgestapt van International SOS naar (uitsluitend) vertrouwensartsen. Voor deze wisseling van informatiebron ontbreekt een goede motivering. Eiseres stelt dat de vertrouwensartsen en de door hen verstrekte informatie oncontroleerbaar zijn. Niet bekend is wie de vertrouwensarts is, waar deze werkzaam is, wat zijn functie en specialisme is, of hij werkzaam is bij de instelling die in de landeninformatie wordt genoemd, waarop hij zijn informatie baseert en door wie hij voor zijn informatie wordt betaald.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 De rechtbank stelt vast dat in het BMA-advies van 3 april 2010 voor wat betreft de inhoudelijke conclusie ten aanzien van de behandelmogelijkheden in Nigeria een omslag heeft plaatsgevonden ten opzichte van de BMA-adviezen van 1 juni 2007 en 16 juni 2008. Daarbij heeft de BMA-arts zich in de adviezen van 1 juni 2007 en 16 juni 2008 gebaseerd op informatie van International SOS, terwijl het advies van 3 april 2010 is gebaseerd op informatie van vertrouwensartsen. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting geen toelichting kunnen geven op deze wijziging in informatiebronnen door het BMA en omdat -aldus verweerder- niet is gebleken van een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies, zag verweerder geen aanleiding om het BMA daar nader over te bevragen.

2.6 De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet blijkt welke deskundigheid de geraadpleegde vertrouwensartsen hebben. De brondocumenten afkomstig van de vertrouwensartsen zijn niet ondertekend. Evenmin blijkt uit de brondocumenten welk specialisme de geraadpleegde vertrouwensartsen hebben en waarop zij hun informatie baseren. Ter zitting is voorts gebleken dat bij verweerder niet bekend is wie de vertrouwensartsen zijn en dat verweerder niet bij het BMA is nagegaan welke deskundigheid de vertrouwensartsen hebben. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft verzuimd zich ervan te vergewissen dat het onderzoek door het BMA op deugdelijke en zorgvuldige wijze is verricht en dat het de daaraan verbonden conclusies kan dragen, terwijl verweerder hiertoe wel ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is gehouden. De enkele door verweerder aangevoerde stelling dat niet is gebleken van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-rapport, is hiervoor onvoldoende. Nog afgezien van het feit dat deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd, is ter zitting bovendien gebleken dat verweerder niet bekend is met de criteria op grond waarvan de vertrouwensartsen worden geselecteerd. De beroepsgrond van eiseres slaagt.

2.7 Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder en niet de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) zich ervan dient te vergewissen of de aan de door het BMA in de nota van 21 september 2010 gestelde voorwaarde ten aanzien van de fysieke medische overdracht kan worden voldaan. Verweerder kan een beoordeling van de feiten en omstandigheden niet afschuiven naar DT&V en dus zijn vergewisplicht niet uitstellen tot de uitzetfase.

2.8 De rechtbank begrijpt deze grond aldus dat eiseres van oordeel is dat verweerder zich er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit van had moeten vergewissen dat kon worden voldaan aan de reisvoorwaarden die door het BMA in de nota van 21 september 2010 zijn gesteld, met name de voorwaarde van fysieke overdracht van eiseres en haar medische gegevens aan de behandelaars ter plaatse.

2.9 De rechtbank kan zich niet verenigen met het door verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 1 december 2010, nummer 201002688/1/V3, ingenomen standpunt dat verweerder in dit geval aan zijn vergewisplicht, zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2008, nummer 200708871/1, heeft voldaan. Voor dat oordeel is het volgende redengevend.

Uit de overwegingen in zijn uitspraak van 1 december 2010 blijkt dat de Afdeling in die zaak betekenis heeft gehecht aan het feit dat verweerder in het in die zaak ter toetsing voorliggende besluit inzichtelijk heeft gemaakt met welke concreet bij naam genoemde behandelaar in het land van herkomst contact zal worden opgenomen teneinde aan de door het BMA gestelde voorwaarde van fysieke overdracht te voldoen. In zoverre verschilt onderhavige zaak van de zaak waarin de Afdeling op 1 december 2010 uitspraak heeft gedaan. De rechtbank kan zich niet verenigen met het door verweerder ter zitting betrokken standpunt dat het voor het voldoen aan de vergewisplicht voldoende is dat in het BMA-advies van 3 april 2010 is vermeld in welk ziekenhuis of welke kliniek behandeling van eiseres mogelijk is. Immers, zoals de Afdeling in de uitspraak van 4 september 2008 heeft overwogen, ziet het BMA advies nadrukkelijk alleen op de beschikbaarheid van de behandeling in medisch-technische zin en niet op de individuele toegankelijkheid daarvan. Evenals gold in de zaak waarin de Afdeling op 4 september 2008 heeft geoordeeld, geldt, gelet op de bewoordingen van de voorwaarden in het BMA-advies van 3 april 2010 en de aanvullende nota van het BMA van 21 september 2010, dat de individuele toegankelijkheid voor eiseres tot de voor haar noodzakelijke behandeling van (levens)belang is. De door verweerder in het bestreden besluit verwoorde handelwijze komt er in feite op neer dat verweerder de beoordeling of daadwerkelijk aan de door het BMA gestelde reisvoorwaarden van fysieke overdracht en voorzetting van de behandeling kan worden voldaan, uitstelt totdat de overdracht door DT&V geregeld wordt dan wel kan worden. Aldus wordt het moment waarop duidelijk wordt of in het concrete geval daadwerkelijk aan alle reisvoorwaarden wordt voldaan (mede) afhankelijk van de voortvarendheid waarmee DT&V zich inspant om contact te leggen en te onderhouden met de behandelaars in het land van herkomst over het tijdstip van overdracht van de betreffende vreemdeling en de voorzetting van diens behandeling. De rechtbank acht die situatie niet redelijk en niet juist. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder er zich ook hierom al ten tijde van het bestreden besluit van vergewist te hebben dat daadwerkelijk aan de door het BMA gestelde reisvoorwaarden van fysieke overdracht en voortzetting van de behandeling kan worden voldaan. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

2.10 De rechtbank concludeert dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht.

2.11 Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres dan ook gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

2.12 Nu de aanvraag van eiser een afhankelijk karakter draagt van die van zijn moeder (eiseres), zal de rechtbank het beroep gericht tegen verweerders besluit van 22 november 2010 inzake eiser, eveneens gegrond verklaren. De rechtbank vernietigt dit besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

2.13 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1; er is vanwege het afhankelijk karakter geen aanleiding voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van het beroep van eiser). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

2.14 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb verweerder opdragen het betaalde griffierecht te vergoeden.

Verzoek om een voorlopige voorziening

2.15 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.16 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan de verzoeken het belang komen te ontvallen, zodat deze reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komen. De voorzieningenrechter zal de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.17 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 437,- in verband met de verzoeken om een voorlopige voorziening (1 punt voor de verzoekschriften, wegingsfactor 1; er is vanwege het afhankelijk karakter geen aanleiding voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van het verzoek van eiser). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

2.18 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden besluiten;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaarschriften;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in verband met het beroep;

3.5 draagt verweerder op € 150,- aan eisers te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met de beroepen.

De voorzieningenrechter:

3.6 wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;

3.7 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 437,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in verband met de verzoeken;

3.8 draagt verweerder op € 150,- aan eisers te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met het verzoek.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Os, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2011.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.