Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5960

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 30126
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo; bezwaar gericht tegen plaatsing arbeidsmarktaantekening in paspoort

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 Vw voor verblijf als familielid van een EU-onderdaan. Verweerder heeft in het paspoort van verzoekster een sticker geplaatst met daarop de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid niet vrij toegestaan’. Verzoekster maakt hiertegen bezwaar.

De plaatsing van de arbeidsmarktaantekening moet worden beschouwd als een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw, waartegen rechtsmiddelen openstaan.

Verweerder heeft in het onderhavige geval de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid niet vrij toegestaan’ in het paspoort van verzoekster kunnen plaatsen, nu niet op het moment van de aanvraag, op basis van de beschikbare informatie en zonder nader onderzoek kon worden vastgesteld dat verzoekster van rechtswege aanspraak maakt op afgifte van het door haar gevraagde verblijfsdocument

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 30126

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 februari 2011

in de zaak van:

[naam verzoekster],

geboren op [geboortedatum], van Vietnamese nationaliteit,

verzoekster,

gemachtigde: mr. S. Singh, advocaat te Hoofddorp,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. W. Fairweather, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoekster heeft op 18 augustus 2010 een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) waaruit het rechtmatig verblijf als familielid van een begunstigd EU-onderdaan blijkt.

1.2 Op 18 augustus 2010 is in het paspoort van verzoekster een sticker geplaatst door verweerder met de aantekening ‘arbeid niet vrij toegestaan’. Verzoekster heeft hiertegen op 24 augustus 2010 bezwaar gemaakt.

1.3 Verzoekster heeft op 27 augustus 2010 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te gebieden op de in haar paspoort aangebrachte verblijfssticker de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid is vrij toegestaan. Een tewerkstellingsvergunning is daarvoor niet vereist’ te plaatsen.

1.4 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Verzoekster is niet in persoon verschenen, maar is ter zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 1:3, eerste lid, Awb is bepaald dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke handeling van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.3 Ingevolge artikel 72, derde lid, Vw wordt voor de toepassing van Afdeling 2 van Hoofdstuk 7 (Rechtsmiddelen) van de Vw met een beschikking gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van de vreemdeling als zodanig.

2.4 In paragraaf B1/9.4 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is opgenomen dat de IND-ambtenaar de sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ aan de vreemdeling verstrekt ten bewijze van het feit dat de vreemdeling een aanvraag tot verlening of wijziging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend. Voor het familielid van een onderdaan van de EU/EER of van Zwitserland dat zelf niet ook afkomstig is uit één van deze lidstaten plaatst de IND-ambtenaar de sticker ‘Verblijfsaantekeningen EU-onderdaan’ in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, of voorziet het reisdocument van een zogenaamd inlegvel. De sticker of het inlegvel bevat naast de aantekening omtrent het rechtmatig verblijf, tevens informatie omtrent de toegang tot de arbeidsmarkt.

2.5 Ingevolge artikel 2, eerste lid, Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

2.6 In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, Wav, voor zover hier van belang, is het verbod in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden, dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

2.7 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling, voor zover van belang, de volgende feiten. Verzoekster heeft eerder op 25 september 2009 verzocht om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw. Bij besluit van 26 februari 2010 heeft verweerder dit document geweigerd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 juni 2010 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 4 november 2010 gegrond verklaard.

2.8 Verweerder heeft zich in het verweerschrift, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. De verlening van een verblijfssticker met arbeidsmarktaantekening valt niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, noch als feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw aan te merken. De verlening van de sticker beoogt namelijk niet om enige wijziging in de rechtspositie van de vreemdeling aan te brengen en is dus niet gericht op rechtsgevolg, maar geeft enkel de feitelijke rechtssituatie van de vreemdeling weer tijdens de fase hangende zijn aanvraag. Die feitelijke rechtssituatie bestaat hierin dat door de indiening van een aanvraag om een verblijfsvergunning, de vreemdeling regulier verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw en niet op grond van artikel 8, aanhef en onder e, Vw. Dat een vreemdeling tijdens de fase van de aanvraag geen recht heeft op de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan’ vloeit rechtstreeks voort uit de Wav.

2.9 Bij brief van 1 februari 2011 heeft de gemachtigde van verweerder een besluit overgelegd van diezelfde datum, waarbij afwijzend is beslist op de aanvraag van verzoekster van 18 augustus 2010.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.10 De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een besluit of een met een besluit gelijk te stellen rechtshandeling, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord.

2.11 Niet is in geschil dat het plaatsen van een sticker in het paspoort van verzoekster geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is echter wel sprake van een met een beschikking gelijk te stellen handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van de vreemdeling als zodanig. De voorzieningenrechter acht het daarom mogelijk dat verzoekster rechtsmiddelen tegen de plaatsing van de sticker in haar paspoort aanwendt.

2.12 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder niet onjuist gehandeld door op de sticker de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid niet vrij toegestaan. Een tewerkstellingsvergunning is vereist’ te plaatsen. Hierbij is het volgende van belang.

2.13 Vastgesteld moet worden dat verzoekster niet de nationaliteit heeft van één van de lidstaten van de Europese Unie en daarmee zelf niet als EU-onderdaan valt aan te merken, voor wie arbeid in beginsel vrij is toegestaan. Het enkele feit dat verzoekster een aanvraag heeft gedaan om afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 Vw, als familielid van een begunstigd EU-onderdaan, maakt nog niet dat haar om die reden arbeid zonder tewerkstellingsvergunning moet worden toegestaan. Dit is eerst dan aan de orde, indien vanaf het moment van de aanvraag van rechtswege aanspraak bestaat op een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 Vw en dit reeds bij de aanvraag, op basis van de beschikbare informatie, zonder nader onderzoek, vastgesteld kan worden. Nu bij besluit van 1 februari 2011 de aanvraag van verzoekster is afgewezen, onder meer omdat niet is gebleken dat het familielid bij wie verzoekster verblijf beoogt, haar minderjarige kind (verder te noemen referente), voldoet aan het middelenvereiste, kan niet worden geoordeeld dat in het onderhavige geval zonder nader onderzoek kan of kon worden vastgesteld dat verzoekster van rechtswege aanspraak maakt op verblijf als familielid van een EU-onderdaan.

2.14 Het beroep van verzoekster op de door haar overgelegde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 5 november 2010 (geregistreerd onder nummer AWB 09 / 35659) leidt in dit geval niet tot een ander oordeel. In het geval dat in die zaak aan de orde was, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 7 van voornoemde uitspraak wordt geoordeeld, stond het recht van de vreemdeling op verblijf op het moment van de aanvraag al vast én kon dit op dat moment al worden vastgesteld, waardoor de vreemdeling in die zaak in aanmerking kwam voor een sticker in het paspoort met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan, een tewerkstellingsvergunning is hiervoor niet vereist’.

2.15 De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat verzoekster de gronden, die zien op de beoordeling door verweerder van het middelenvereiste ten aanzien van referente als genoemd in richtlijn 2004/38/EG, in het kader van het bezwaar gericht tegen de afwijzing van de aanvraag aan de orde zal kunnen stellen.

2.16 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.17 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding met toepassing van artikel 78 Vw tevens op het bezwaar te beslissen.

2.18 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2011.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.