Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5805

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/22933
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat een verblijfstitel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is gelijk te stellen met een verblijfstitel op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, zodat verweerder bij intrekking van de verblijfsvergunning aan artikel 16, tweede lid, van de Definitierichtlijn had behoren te toetsen.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2010 (LJN BO6339) volgt dat de vraag of een terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid is, in welk geval artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 de grondslag vormt voor vergunningverlening, moet worden onderscheiden van de vraag of zich een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voordoet.

Eiseres heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege het feit dat zij na haar echtscheiding een relatie met een andere man is aangegaan waaruit haar jongste zoon is geboren, te vrezen heeft voor eerwraak. Er zijn onvoldoende, specifiek op de situatie van eiseres betrekking hebbende, aanwijzigen om een bedreiging met eerwraak aannemelijk te achten.

Uit de “Note on the Continued Applicability of the April UNHCR Eligibility Guidelines” van juli 2010 (hierna: de UNHCR Note van juli 2010) kan worden afgeleid dat sinds de verkiezingen in maart 2010 de veiligheidssituatie in Irak is verslechterd en het aantal burgerslachtoffers van willekeurig geweld is toegenomen. Ook leidt de rechtbank hieruit af dat de UNHCR zich op het standpunt stelt dat, nu de situatie in Irak is verslechterd ten opzichte van de periode waarop de UNHCR Guidelines van april 2009 betrekking hadden, de daarin opgenomen aanbeveling om Irakezen niet gedwongen terug te sturen, thans a fortiori geldt en om die reden wordt gehandhaafd. Uit het Algemeen ambtsbericht van oktober 2010 - waarin zowel de UNHCR Guidelines van april 2009, als de UNHCR Note van juli 2010 als geraadpleegde bron worden genoemd – kan evenwel worden afgeleid dat de veiligheidssituatie in Irak weliswaar verslechterde in de weken na de verkiezingen van 7 maart 2010, maar het geweldsniveau eind april weer ongeveer op het niveau van vóór 7 maart 2010 was. Hoewel uit de overige door eiseres in beroep overgelegde stukken blijkt de veiligheidsituatie in Irak thans nog altijd zeer ernstig is, hetgeen door verweerder ook wordt erkend, heeft verweerder zich – onder verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht van oktober 2010 – naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat de situatie ten opzichte van de uitspraak van het EHRM van 20 januari 2009 zodanig is verslechterd dat thans sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. In dat kader heeft de rechtbank tevens betrokken dat het aantal burgerdoden dat in het Algemeen ambtsbericht van oktober 2010 wordt genoemd, op basis van gegevens van Iraq Body Count (IBC) – een non-gouvernementele organisatie die een overzicht geeft van het aantal dodelijke burgerslachtoffers ten gevolge van geweld in Irak – niet blijkt dat het aantal dodelijk getroffen burgerslachtoffers sinds januari 2009 is toegenomen.

Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten tijde van belang in de provincie Kirkuk de situatie voordeed, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en geen grond aanwezig geacht voor verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 10/22933

V-nummers: […]

Inzake: […], eiseres, mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen

[…], […] en […], hierna tezamen: eisers,

gemachtigde mr. W.H.M. Ummels, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde mr. T.J.W. Visser.

I Procesverloop

1 Eiseres is geboren op […] en heeft de Iraakse nationaliteit.

Op 27 augustus 2005 heeft zij, mede ten behoeve van eisers, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 19 december 2005 is aan eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Op 13 januari 2010 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt tot intrekking van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning.

Op 24 februari 2010 heeft eiseres haar zienswijze hierop naar voren gebracht. Bij besluit van 3 juni 2010 heeft verweerder de verblijfsvergunning ingetrokken.

2 Op 25 juni 2010 heeft eiseres tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op

14 december 2010. Ter zitting zijn verschenen eisers, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen A. Ahmad, tolk.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingen¬ver¬drag) is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

1.2 Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

1.3 Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Definitierichtlijn) wordt in de richtlijn verstaan onder "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

1.4 Ingevolge artikel 15 van de Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit:

a) doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

1.5 Ingevolge artikel 16, eerste lid van de Definitierichtlijn, komt een onderdaan van een derde land of staatloze niet meer in aanmerking voor subsidiaire bescherming wanneer de omstandigheden op grond waarvan de subsidiaire bescherming is verleend, niet langer bestaan, of zodanig zijn gewijzigd dat deze bescherming niet langer nodig is.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel nemen de lidstaten bij de toepassing van het eerste lid in aanmerking of de wijziging van de omstandigheden zo ingrijpend en niet-voorbijgaand is dat de persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming niet langer een reëel risico op ernstige schade loopt.

1.6 Ingevolge artikel 18 van de Definitierichtlijn verlenen lidstaten de subsidiaire-beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

1.7 Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 – zoals dat luidde ten tijde van belang – kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van verweerder op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

1.8 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden ingetrokken indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

1.9 Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag als voren-

¬be¬doeld afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gebaseerd op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

1.10 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is

toe te rekenen.

2 Verweerder heeft eiseres bij besluit van 19 december 2005 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van het destijds geldende categoriaal beschermingsbeleid. Omdat dat beleid per 22 november 2008 is beëindigd is deze verleningsgrond komen te vervallen. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat eiseres, toetsend naar de situatie op 19 december 2005 en naar de situatie ten tijde van het bestreden besluit, niet in aanmerking komt voor vergunningverlening op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000.

3 Eiseres stelt in beroep dat zij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op één van de gronden van artikel 29 van de Vw 2000. Zij voert aan dat zij bij terugkeer naar Irak te vrezen heeft voor eerwraak van de zijde van haar neven en haar ex-echtgenoot. Voorts beroept eiseres zich op de veiligheidssituatie in Kirkuk. Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor de subsidiaire bescherming van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 16, tweede lid, van de Definitierichtlijn. Ten slotte beroept eiseres zich op de artikelen 3 en 6 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

4 De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1 Vast staat dat het beleid tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid met ingang van 22 november 2008 is beëindigd. Over de vraag of verweerder destijds in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het beëindigen van het categoriaal beschermingsbeleid heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) reeds in haar uitspraak van 4 maart 2010 (LJN BL8125) geoordeeld. De rechtbank is onder verwijzing naar die uitspraak van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat de oorspronkelijke verleningsgrond van de bij besluit van 19 december 2005 verleende verblijfsvergunning is komen te ontvallen en dat verweerder terecht de aan eiseres verleende verblijfsvergunning heeft ingetrokken.

4.2 De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat een verblijfstitel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is gelijk te stellen met een verblijfstitel die op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn kan worden verleend, zodat verweerder bij intrekking van de verblijfsvergunning aan artikel 16, tweede lid, van de Definitierichtlijn had behoren te toetsen.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2010 (LJN BO6339) volgt dat de vraag of een terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid is, in welk geval artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 de grondslag vormt voor vergunningverlening, moet worden onderscheiden van de vraag of zich een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voordoet. Nu de verblijfsvergunning van eiseres is verleend op de d-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 was verweerder dan ook niet gehouden om de intrekking van de verblijfsvergunning te toetsen aan artikel 16, tweede lid, van de Definitierichtlijn.

Voor zover is betoogd dat eisers in aanmerking hadden moeten komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 15, aanhef een onder c, van de Definitierichtlijn, overweegt de rechtbank dat niet is onderbouwd dat ten tijde van de intrekking van het categoriaal beschermingsbeleid, sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

4.3 Ter beoordeling staat derhalve of eiseres in aanmerking komt, thans of reeds bij binnenkomst in 2005 in Nederland, voor vergunningverlening op de a- of de b-grond van artikel 29 van de Vw 2000.

Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij in Irak door haar neven is uitgehuwelijkt aan een man die haar mishandelde. Eiseres is met haar echtgenoot en kinderen naar Nederland gekomen, vanwege problemen die haar echtgenoot had met de Baath-partij. Hier te lande heeft zij haar echtgenoot verlaten en is met haar twee oudste kinderen naar Engeland gegaan. Eiseres is van haar echtgenoot gescheiden. Daarna is zij in Engeland een nieuwe relatie aangegaan, uit welke relatie haar jongste zoon is geboren. Eiseres heeft in Engeland van een Koerdische man, genaamd Shirwan, vernomen dat haar ex-echtgenoot haar zoekt omdat hij het gedrag van eiseres niet accepteert.

4.4 Niet in geschil is dat eiseres geen documenten heeft overgelegd met betrekking tot haar reis en identiteit. Eiseres heeft geen afdoende verklaring gegeven waarom zij haar identiteitbewijs niet uit Irak heeft laten opsturen, nu de vader en broer van eiseres in Irak woonachtig zijn en de gestelde bedreiging niet van de zijde van haar familie afkomstig is, maar van de zijde van haar ex-echtgenoot en neven. Dat geldt eveneens voor de echtscheidingsakte, die volgens eiseres bij haar advocaat in Engeland zou zijn. Zonder onderbouwing is gesteld dat die niet kon worden achterhaald. De omstandigheid dat eiseres ten tijde van haar reis van Irak naar Nederland in een afhankelijke positie van haar ex-echtgenoot verkeerde, kan voorts niet afdoen aan het feit dat eiseres geen coherente, dan wel consistente verklaringen heeft kunnen geven over voornoemde reis. Gelet hierop kan het ontbreken van reis- en identiteitsdocumenten eiseres worden tegengeworpen.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2008 (LJN BC4709) en het beleid zoals neergelegd in paragraaf C4/3.6.3 van de Vc 2000, volgt dat, indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 genoemde elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, dit voldoende is voor de algemene conclusie dat sprake is van het ’toerekenbaar ontbreken van documenten’.

Op grond van het voorgaande heeft verweerder door het toerekenbaar ontbreken van documenten de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres op voorhand aangetast mogen achten. Nu eiseres desondanks meent dat zij bescherming behoeft, heeft verweerder van haar een grotere inspanning mogen verlangen om de noodzaak daartoe aannemelijk te maken. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 mogen - mede gelet op de geschiedenis en totstandkoming van die bepaling en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels - in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden mogen voorkomen. Dit betekent dat van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht moet uitgaan om als geloofwaardig aangemerkt te kunnen worden.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van eiseres dergelijke overtuigingskracht ontbeert. Daartoe heeft verweerder kunnen stellen dat de gestelde dreiging van de kant van de ex-echtgenoot van eiseres en haar neven vanwege eerwraak, niet aannemelijk is, nu eiseres heeft verklaard dat haar ex-echtgenoot reeds in Irak van haar wilde scheiden, maar zij dat niet heeft geaccepteerd. Ook heeft eiseres verklaard dat haar ex-echtgenoot haar in Engeland een scheidingsbrief heeft overhandigd van de rechtbank in Kirkuk. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen stellen dat nu de echtscheiding op initiatief van de ex-echtgenoot van eiseres heeft plaatsgevonden, niet valt in te zien dat haar ex-echtgenoot en neven haar vanwege die echtscheiding zouden bedreigen.

4.5 Ten aanzien van het beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, overweegt de rechtbank als volgt.

Nu uit het relaas van eiseres niet volgt dat zij ten tijde van haar vertrek uit Irak te vrezen had voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag – eiseres heeft verklaard Irak te hebben verlaten in de hoop in Europa aan het huiselijk geweld door haar ex-echtgenoot te kunnen ontkomen, hetgeen geen verband houdt met één van de vervolgingsgronden van het verdrag – heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers geen aanspraak hebben op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

4.6 Ten aanzien van het beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge paragraaf C24/3.3 van de Vc 2000, waarin het landgebonden beleid ten aanzien van Irak is opgenomen, kunnen personen die aannemelijk hebben gemaakt gegronde vrees te hebben voor eerwraak en die geen afdoende bescherming kunnen inroepen van de autoriteiten, op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel.

Gelet op hetgeen onder 4.4 is overwogen biedt het asielrelaas van eiseres geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres geen specifieke, haar persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan geoordeeld zou dienen te worden dat zij bij gedwongen terugkeer naar een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Eiseres heeft evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege het feit dat zij na haar echtscheiding een relatie met een andere man is aangegaan waaruit haar jongste zoon is geboren, te vrezen heeft voor eerwraak. Nu de ex-echtgenoot van eiseres het initiatief tot de echtscheiding heeft genomen kan niet zonder nadere onderbouwing worden aangenomen dat hij zich niet daarbij heeft neergelegd. De enkele verklaring van een Koerdische man die eiseres waarschuwde haar adres geheim te houden omdat haar ex-echtgenoot naar haar op zoek zou zijn, is daartoe onvoldoende nu er over de achtergrond van de man noch over de herkomst van de informatie iets bekend is. Eiseres heeft voorts verklaard dat zij al jarenlang geen contacten meer onderhoudt met haar familie, zodat haar over haar neven ook geen informatie bekend is. Gelet op deze omstandigheden zijn er onvoldoende, specifiek op de situatie van eiseres betrekking hebbende, aanwijzigen om een bedreiging met eerwraak aannemelijk te achten.

Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat eiseres, voor zover zij bescherming vraagt die is gebaseerd op het asielrelaas en de individuele risico’s die daaruit zouden voortvloeien, geen aanspraak heeft op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

4.6.1 Eiseres stelt dat zich in Irak een situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en dat zij aanspraak maakt op de subsidiaire bescherming van dit artikel in samenhang met artikel 3 van het EVRM. In beroep heeft eiseres ter onderbouwing van haar standpunt een aantal stukken overgelegd. Dit betreft (een gedeelte van) de UNHCR Eligibility Guidelines for assessing the International Protection needs of Iraqi asylum seekers” van april 2009 (hierna: de UNHCR Guidelines van april 2009), een brief van 22 oktober 2010 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en het antwoord daarop van laatstgenoemde van 29 oktober 2010, een brief van advocatenkantoor Böhler aan het EHRM inhoudende een reactie op de brief van 29 oktober 2010 van de Minister van Buitenlandse Zaken, met daarbij gevoegd een brief van de UNHCR van 9 november 2010, een brief van Amnesty International van 10 november 2010, een stuk van het ELENA-netwerk van november 2010 inzake het beleid van andere landen, een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 9 november 2010 en een brief van 24 november 2010 van het EHRM. Onder verwijzing naar genoemde stukken stelt eiseres dat verweerder op onvoldoende gronden het standpunt van de UNHCR en het EHRM inzake de terugkeer van Iraakse asielzoekers passeert.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aard en intensiteit van het geweld in Irak niet zodanig zijn, en ook niet zijn geweest, dat eiseres bij terugkeer naar Irak louter door haar aanwezigheid aldaar een reëel risico zou lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft daartoe verwezen naar het arrest van het EHRM van 20 januari 2009 in de zaak F.H. tegen Zweden (nr. 32621/06) en de uitspraken van de Afdeling van 14 januari 2010 (LJN BL0288) en 24 juni 2010 (201000166/1). In voormeld arrest van 20 januari 2009 heeft het EHRM overwogen dat de algemene veiligheidssituatie in Irak niet zodanig is dat er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat burgers die naar dit land worden teruggestuurd louter vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM lopen. Onder verwijzing naar het algemeen Ambtsbericht inzake Irak van 27 oktober 2010 van de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: het Algemeen ambtsbericht van oktober 2010) heeft verweerder gesteld dat de gewelds- en mensenrechtensituatie in Irak nog steeds zorgwekkend is, maar dat de veiligheidssituatie sinds voornoemde uitspraken niet zodanig is gewijzigd dat thans tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen.

4.6.2 Ten aanzien van het beroep van eiseres op de algemene veiligheidsituatie in Irak, met name in Kirkuk, overweegt de rechtbank als volgt.

Het Algemeen ambtsbericht van oktober 2010, dat betrekking heeft op de periode van januari tot en met september 2010, houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

“De veiligheidssituatie was in deze verslagperiode in bepaalde delen van Irak en op bepaalde momenten nog altijd zeer ernstig. Het geweldsniveau in Irak fluctueerde echter door de verslagperiode heen en varieerde sterk per gebied. Zo verslechterde de veiligheidssituatie in de weken na de verkiezingen van 7 maart 2010, maar was het geweldsniveau eind april weer ongeveer op het niveau van vóór 7 maart. (…) Hoewel meerdere bronnen over de afgelopen jaren, inclusief deze verslagperiode, een (licht) positieve ontwikkeling van de veiligheidssituatie waarnemen, wisselen op de korte termijn verslechteringen en verbeteringen elkaar af. Er kan dan ook niet in zijn algemeenheid voor de gehele verslagperiode worden gesproken van een verbetering of verslechtering van de veiligheidssituatie in Irak ten opzichte van voorgaande verslagperiodes.”

Ten aanzien van Kirkuk stelt het ambtsbericht – onder meer – het volgende:

“In de vier provincies formeel onder bestuur van de federale regering in Bagdad die grenzen aan de Koerdische regio, was de veiligheidssituatie gedurende de verslagperiode onstabiel.(…) Willekeurig geweld bedoeld om de regio te destabiliseren en het gezag van de autoriteiten te ondermijnen, met name in de vorm van (zware) bomaanslagen, kwam in deze verslagperiode minder vaak voor dan in voorgaande verslagperiodes.”

Uit de “Note on the Continued Applicability of the April UNHCR Eligibility Guidelines” van juli 2010 (hierna: de UNHCR Note van juli 2010) kan worden afgeleid dat sinds de verkiezingen in maart 2010 de veiligheidssituatie in Irak is verslechterd en het aantal burgerslachtoffers van willekeurig geweld is toegenomen. Ook leidt de rechtbank hieruit af dat de UNHCR zich op het standpunt stelt dat, nu de situatie in Irak is verslechterd ten opzichte van de periode waarop de UNHCR Guidelines van april 2009 betrekking hadden, de daarin opgenomen aanbeveling om Irakezen niet gedwongen terug te sturen, thans a fortiori geldt en om die reden wordt gehandhaafd. Uit het Algemeen ambtsbericht van oktober 2010 - waarin zowel de UNHCR Guidelines van april 2009, als de UNHCR Note van juli 2010 als geraadpleegde bron worden genoemd – kan evenwel worden afgeleid dat de veiligheidssituatie in Irak weliswaar verslechterde in de weken na de verkiezingen van 7 maart 2010, maar het geweldsniveau eind april weer ongeveer op het niveau van vóór

7 maart 2010 was. Hoewel uit de overige door eiseres in beroep overgelegde stukken blijkt de veiligheidsituatie in Irak thans nog altijd zeer ernstig is, hetgeen door verweerder ook wordt erkend, heeft verweerder zich – onder verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht van oktober 2010 – naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat de situatie ten opzichte van de uitspraak van het EHRM van 20 januari 2009 zodanig is verslechterd dat thans sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. In dat kader heeft de rechtbank tevens betrokken dat het aantal burgerdoden dat in het Algemeen ambtsbericht van oktober 2010 wordt genoemd, op basis van gegevens van Iraq Body Count (IBC) – een non-gouvernementele organisatie die een overzicht geeft van het aantal dodelijke burgerslachtoffers ten gevolge van geweld in Irak – niet blijkt dat het aantal dodelijk getroffen burgerslachtoffers sinds januari 2009 is toegenomen.

Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten tijde van belang in de provincie Kirkuk de situatie voordeed, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en geen grond aanwezig geacht voor verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

4.7 Ten aanzien van het beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 overweegt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval zich geen van de op dit artikellid gebaseerde beleid limitatief opgesomde gebeurtenissen voordoet. Eiseres heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Aldus is niet gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard, die verband houden met de redenen van het vertrek van eiseres uit het land van herkomst. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

4.8 Het beroep van eiseres op artikel 3 en artikel 6, tweede lid, van het IVRK – voor zover deze bepalingen al in het kader van een asielprocedure van toepassing zijn – slaagt evenmin. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2007 (LJN AZ9524), overweegt de rechtbank dat artikel 3 van het IVRK, gelet op haar formulering, geen norm bevat die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking behoeft in nationale wet- en regelgeving. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens voor artikel 6, tweede lid, van het IVRK.

4.9 Het beroep is derhalve ongegrond.

4.10 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.A. Poppe-Gielesen, voorzitter, en mr. J. de Gans en

mr. C. Vogtschmidt, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M.L.J. Spierings, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 24 februari 2011.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: