Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5655

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
09-561662-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het verduisteren van een geldbedrag van € 29.569,36, dat een medeverdachte, werkzaam als ambtenaar bij de salarisadministratie van een ministerie, onder zich had. Die medeverdachte heeft het geld niet overgeschreven op de rekening van de rechthebbende, maar overgemaakt op de rekening van medeverdachte [Y]. De rol van verdachte was daarbij een bemiddelende. Zijn aandeel heeft erin bestaan dat hij de beide medeverdachten in zijn woning met elkaar in contact heeft gebracht. Gelet op de ernst van het gepleegde feit, het aandeel van verdachte daarin en de [..] persoonlijke omstandigheden, acht de rechtbank een werkstraf van 160 uren in beginsel passend.

De rechtbank is echter met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Gelet op deze overschrijding zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 140 uren, in plaats van de hiervoor vermelde 160 uren. Zie ook LJN: BP5636 en BP5652 (medeverdachten).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/561662-08

Datum uitspraak: 23 februari 2011

(Verkort vonnis)

De rechtbank ’s-Gravenhage, recht doende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte Z],

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],

adres: [adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 februari 2011.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.C. Nederpel, advocaat te ’s Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. M.J. Mos heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 4 augustus 2007 tot en met 31 augustus

2007, althans een tijdstip in het jaar 2007, te 's-Gravenhage, althans in

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

- terwijl zijn mededader als ambtenaar opzettelijk geld in zijn bediening

onder zich had - dat geld heeft verduisterd

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

opzettelijk een bedrag 29.569,36 euro, althans een geldbedrag van de Staat der

Nederlanden ([ministerie]), bestemd voor [A], welk geld zijn

mededader anders dan door misdrijf, immers uit hoofde van zijn bediening als

ambtenaar (medewerker salarisadministratie bij [ministerie]),

onder zich had - zich wederrechtelijk toegeëigend (door dit geld over te maken

naar de bankrekening van [Y]);

art 359 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 24 augustus

2007 tot en met 24 september 2007 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (deel

van een) geldbedrag van 29.569,36 euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van

het verwerven of het voorhanden krijgen van dat geldbedrag wist(en), althans

redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf

verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 24 augustus 2007 tot en met 24 september

2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk een (deel van een) geldbedrag van 29.569,36 euro,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Staat der

Nederlanden ([ministerie] en/of [A], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren)

verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als

ongerechtigd ontvanger, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Opzet.

De officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Zij hebben daartoe betoogd dat verdachte – nu hij ter zitting heeft verklaard dat hij niet wist dat medeverdachte [X] (verder: [X]) als ambtenaar in dienst was van het ministerie [ministerie] – geen opzet had op het bestanddeel ‘terwijl zijn mededader als ambtenaar opzettelijk geld in zijn bediening onder zich had’, waardoor hij niet kan gelden als medepleger van het primair ten laste gelegde kwaliteitsdelict.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Uit de gedingstukken blijkt dat [X] een relatie heeft gehad met de zus van verdachte en dat verdachte en [X] elkaar in die tijd op familiebijeenkomsten regelmatig zagen. Uit de verklaring die verdachte op 24 juni 2008 bij de politie heeft afgelegd, blijkt bovendien dat hij wist dat het geldbedrag door een medewerker van [ministerie] op de rekening van medeverdachte [Y] (verder: [Y]) zou worden gestort. [Y] heeft tijdens haar politieverhoor van 21 december 2008 verklaard dat [X] aan haar en aan verdachte had verteld dat hij bij [ministerie] werkte en dat het over te maken geldbedrag daar vandaan zou komen.

Gezien de verklaringen die verdachte en [Y] over dit onderwerp bij de politie hebben afgelegd en gezien de (familie)relatie tussen verdachte en [X], acht de rechtbank de verklaring van verdachte ter zitting – als zou hij voordat het geld was gestort niet geweten hebben dat [X] ambtenaar was bij het [ministerie] – onaannemelijk.

Zij zal dan ook uitgaan van de juistheid van hetgeen verdachte en [Y] over de hoedanigheid van [X] bij de politie hebben verklaard en acht het opzet van verdachte op die hoedanigheid – en daarmee het primair ten laste gelegde kwaliteitsdelict – wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte en zijn medeverdachten [X] en [Y] noch tijdens de politieverhoren, noch ter terechtzitting volledige openheid van zaken hebben willen geven over de inhoud van de tussen hen gemaakte afspraken en evenmin over de uiteindelijke bestemming van het verduisterde geld. Uit de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten leidt de rechtbank niettemin het volgende af.

Tussen de drie verdachten is enkele keren overleg gevoerd over de te plegen verduistering. Volgens verdachte vroeg [X] om een rekeningnummer. Tijdens één van de overleggen heeft [Y] op enig moment haar rekening ter beschikking gesteld voor het storten van een geldbedrag. Verdachte en [Y] waren er op dat moment van op de hoogte dat [X] bij de salarisadministratie van het [ministerie] (inmiddels: het ministerie [ministerie]) werkte en dat het over te maken geldbedrag daar vandaan zou komen. De hoogte van het te verduisteren bedrag is tijdens één van de ontmoetingen onderwerp van gesprek geweest. Verdachte [X] heeft toen gezegd – zo verklaren verdachte en [Y] – dat een bedrag van € 10.000,- à € 15.000,- overgemaakt zou worden. Tijdens een tweede gesprek werd volgens [Y] duidelijk, dat het om een iets hoger bedrag zou gaan. Er werd toen geen totaalbedrag genoemd. Het geld zou worden aangewend om de financiële problemen van de ouders van verdachte op te lossen. Voor hun betrokkenheid zouden verdachte en medeverdachte [Y] een percentage van het over te maken bedrag ontvangen.

[Y] heeft op verzoek van verdachte en medeverdachte [X] op grond van een weinig specifieke afspraak dat ‘een bedrag van € 10.000,- à € 15.000,-’ of ‘iets meer’ overgemaakt zou worden, de gegevens van haar bankrekening ter beschikking gesteld aan een persoon die (naar verdachte en [Y] wisten) uit hoofde van zijn bediening als ambtenaar bij de salarisadministratie van een grote openbare dienst toegang had tot aanzienlijke geldstromen. Daarmee hebben zij en verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het uiteindelijk over te maken geldbedrag hoger uit zou vallen dan besproken. Anders dan de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank daarmee bewezen dat verdachte opzet – in de zin van voorwaardelijk opzet – heeft gehad op het verduisteren van het totale bedrag van € 29.569,36.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht – en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad – dat:

hij in de periode van 4 augustus 2007 tot en met 31 augustus 2007, te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen – terwijl zijn mededader als ambtenaar opzettelijk geld in zijn bediening onder zich had – dat geld heeft verduisterd

hebbende hij, verdachte en zijn mededaders

opzettelijk een bedrag van 29.569,36 euro, althans een geldbedrag van de Staat der Nederlanden ([ministerie]), bestemd voor [A], welk geld zijn mededader anders dan door misdrijf, immers uit hoofde van zijn bediening als ambtenaar (medewerker salarisadministratie bij het [ministerie]) onder zich had, zich wederrechtelijk toegeëigend (door dit geld over te maken naar de bankrekening van [Y]).

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte.

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het verduisteren van een geldbedrag van € 29.569,36, dat een medeverdachte, werkzaam als ambtenaar bij de salarisadministratie van het [ministerie], onder zich had. Die medeverdachte heeft het geld niet overgeschreven op de rekening van de rechthebbende, maar overgemaakt op de rekening van medeverdachte [Y]. De rol van verdachte was daarbij een bemiddelende. Zijn aandeel heeft erin bestaan dat hij de beide medeverdachten in zijn woning met elkaar in contact heeft gebracht. Met zijn handelen heeft verdachte eraan bijgedragen dat de rechthebbende en/of de Staat der Nederlanden werd(en) benadeeld. Hij en zijn medeverdachten hebben daarbij slechts hun eigen gewin voor ogen gehad.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van 17 januari 2011 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake vermogensdelicten, maar waaruit ook blijkt dat dit de afgelopen drieënhalf jaar niet meer het geval is geweest. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het voorlichtingsrapport van Palier van 10 november 2008, waarin wordt geadviseerd om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte zijn behandeling bij de forensische polikliniek en begeleiding door de materieel juridische dienstverlening continueert en afrondt.

Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte reeds op vrijwillige basis verschillende behandelingen heeft ondergaan sinds de datum waarop het voorlichtingsrapport van Palier werd uitgebracht. Ook zit verdachte in de schuldsanering. Omdat de behandeldoelen uit het plan van aanpak inmiddels goeddeels zijn gerealiseerd, acht de rechtbank een voorwaardelijke straf met daarbij de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht niet langer geboden. De rechtbank acht, gelet op de ernst van het gepleegde feit, het aandeel van verdachte daarin en de hierboven omschreven persoonlijke omstandigheden, een werkstraf van 160 uren in beginsel passend.

De rechtbank is echter met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is sprake van berechting binnen een redelijke termijn in eerste aanleg indien binnen twee jaar een eindvonnis is gewezen (HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 en HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358). Bij de vaststelling van de omvang van de overschrijding van de redelijke termijn hanteert de rechtbank 24 juni 2008 – de datum waarop verdachte voor het eerst door de politie is gehoord – als beginpunt. Nu de zaak pas twee jaar en negen maanden jaar later, namelijk op 23 februari 2011, zal worden afgerond met een eindvonnis in eerste aanleg, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met negen maanden. Deze overschrijding is niet uitsluitend veroorzaakt doordat de verdediging nog getuigen heeft laten horen door de rechter-commissaris. Gelet op deze overschrijding zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 140 uren, in plaats van de hiervoor vermelde 160 uren.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 22c, 22d, 47 en 359 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

medeplegen van het als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 140 (honderdveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 70 (zeventig) DAGEN.

Dit vonnis is gewezen door:

mr.J. Eisses, voorzitter,

mrs. E.C.M. Bouman en J.T.W. van Ravenstein, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P. Kuipers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2011.

Mr. Bouman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.