Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5652

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
09-561661-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BV8386, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het verduisteren van een geldbedrag van € 29.569,36, dat een medeverdachte die werkzaam was als ambtenaar bij de salarisadministratie van een ministerie, onder zich had. Die medeverdachte heeft het geld niet overgeschreven op de rekening van rechthebbende, maar overgemaakt op de rekening van verdachte. Anders dan de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank [..] bewezen dat verdachte opzet – in de zin van voorwaardelijk opzet – heeft gehad op het verduisteren van het totale bedrag van € 29.569,36. Gelet op de ernst van het gepleegde feit, het aanzienlijke aandeel dat verdachte hierin heeft gehad en de hierboven omschreven persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht de rechtbank een werkstraf van 140 uren in beginsel passend. De rechtbank is echter met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Gelet op deze overschrijding zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 120 uren, in plaats van de hiervoor vermelde 140 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/561661-08

Datum uitspraak: 23 februari 2011

(Verkort vonnis)

De rechtbank ’s-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte Y],

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 februari 2011.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. S.K. Gopal, advocaat te ’s Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. M.J. Mos heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar onder primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 4 augustus 2007 tot en met 31 augustus

2007, althans een tijdstip in het jaar 2007, te 's-Gravenhage, althans in

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

- terwijl haar mededader als ambtenaar opzettelijk geld in zijn bediening

onder zich had - dat geld heeft verduisterd

hebbende zij, verdachte en/of haar mededader(s)

opzettelijk een bedrag 29.569,36 euro, althans een geldbedrag van de Staat der

Nederlanden ([ministerie]), bestemd voor [A], welk geld haar

mededader anders dan door misdrijf, immers uit hoofde van zijn bediening als

ambtenaar (medewerker salarisadministratie bij het [ministerie]),

onder zich had - zich wederrechtelijk toegeëigend (door dit geld over te maken

naar de bankrekening van verdachte);

art 359 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 24 augustus

2007 tot en met 24 september 2007 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (deel

van een) geldbedrag van 29.569,36 euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad

en/of heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van

het verwerven of het voorhanden krijgen van dat geldbedrag wist(en), althans

redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf

verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 24 augustus 2007 tot en met 24 september

2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk een (deel van een) geldbedrag van 29.569,36 euro,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Staat der

Nederlanden ([ministerie] en/of [A], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk(e) goed(eren)

verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als

ongerechtigd ontvanger, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Opzet.

De officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet heeft gehad op de verduistering van het volledige ten laste gelegde bedrag van € 29.569,36, omdat verdachte met haar medeverdachten had afgesproken dat er een bedrag van ten hoogste € 15.000,00 op de rekening van verdachte zou worden gestort. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

De rechtbank stelt vast dat verdachte en haar medeverdachten [X] (verder: [X]) en [Z] (verder: [Z]) noch tijdens de politieverhoren noch ter terechtzitting volledige openheid van zaken hebben willen geven over de inhoud van de tussen hen gemaakte afspraken en evenmin over de uiteindelijke bestemming van het verduisterde geld. Uit de verklaringen van verdachte en haar medeverdachten leidt de rechtbank niettemin het volgende af.

Tussen de drie verdachten is enkele keren overleg gevoerd over de te plegen verduistering. Tijdens één van deze overleggen heeft verdachte op enig moment haar rekening ter beschikking gesteld voor het storten van een geldbedrag. Verdachte en [Z] waren er op dat moment van op de hoogte dat [X] bij de salarisadministratie van het [ministerie] (inmiddels: het ministerie van [ministerie]) werkte en dat het over te maken geldbedrag daar vandaan zou komen. De hoogte van het te verduisteren bedrag is tijdens één van de ontmoetingen onderwerp van gesprek geweest. Verdachte [X] heeft toen gezegd – zo verklaren [Z] en verdachte – dat een bedrag van € 10.000,- à € 15.000,- overgemaakt zou worden. Tijdens een tweede gesprek begreep verdachte dat het om een iets hoger bedrag zou gaan. Er werd toen geen totaalbedrag genoemd. Het geld zou worden aangewend om de financiële problemen van zowel de ouders van medeverdachte [Z] als van medeverdachte [X] zelf op te lossen. Voor hun betrokkenheid zouden verdachte en medeverdachte [Z] een percentage van het over te maken bedrag ontvangen.

Verdachte heeft op grond van een weinig specifieke afspraak dat ‘een bedrag van € 10.000,- à € 15.000,-’ of ‘iets meer’ overgemaakt zou worden, de gegevens van haar bankrekening ter beschikking gesteld aan een persoon die (naar verdachte wist) uit hoofde van zijn bediening als ambtenaar bij de salarisadministratie van een grote openbare dienst toegang had tot aanzienlijke geldstromen. Daarmee heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het uiteindelijk over te maken geldbedrag hoger uit zou vallen dan besproken. Anders dan de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank daarmee bewezen dat verdachte opzet – in de zin van voorwaardelijk opzet – heeft gehad op het verduisteren van het totale bedrag van € 29.569,36.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht – en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad – dat:

zij in de periode van 4 augustus 2007 tot en met 31 augustus 2007, te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen – terwijl haar mededader als ambtenaar opzettelijk geld in zijn bediening onder zich had – dat geld heeft verduisterd,

hebbende zij, verdachte en haar mededaders

opzettelijk een bedrag van 29.569,36 euro van de Staat der Nederlanden ([ministerie]), bestemd voor [A], welk geld haar mededader anders dan door misdrijf, immers uit hoofde van zijn bediening als ambtenaar (medewerker salarisadministratie bij het [ministerie]) onder zich had, zich wederrechtelijk toegeëigend (door dit geld over te maken naar de bankrekening van verdachte).

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het verduisteren van een geldbedrag van € 29.569,36, dat een medeverdachte die werkzaam was als ambtenaar bij de salarisadministratie van het [ministerie], onder zich had. Die medeverdachte heeft het geld niet overgeschreven op de rekening van rechthebbende, maar overgemaakt op de rekening van verdachte. Door haar bankrekening ter beschikking te stellen heeft verdachte een wezenlijke rol gespeeld bij de uitvoering van het delict en er aldus aan bijgedragen dat de rechthebbende en/of de Staat der Nederlanden werd(en) benadeeld. Verdachte en haar medeverdachten hebben daarbij slechts hun eigen gewin voor ogen gehad.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van 17 januari 2011 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte recentelijk niet met politie en justitie in aanraking is geweest. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de reclassering Nederland van 24 oktober 2008, waarin de reclassering adviseert om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met verplicht reclasseringscontact en een behandeling bij De Waag.

Bij de straftoemeting weegt de rechtbank mee dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit grote persoonlijke gevolgen heeft gehad voor verdachte. Verdachte heeft veel stress en spanningen gekend en haar relatie is stukgelopen. Bovendien wordt verdachte – anders dan haar medeverdachten – door de Staat financieel verantwoordelijk gehouden voor het afbetalen van de ontstane schuld. Dit heeft ertoe geleid dat onder verdachte loonbeslag is gelegd en dat zij in de schuldhulpverlening is beland.

Ter terechtzitting is tevens gebleken dat het inmiddels goed gaat met verdachte. Ze heeft haar financiële situatie onder controle. Ze doet vrijwilligerswerk en volgt een mbo-opleiding. Haar behandeling bij De Waag heeft ze volledig afgerond. Gelet hierop acht de rechtbank oplegging van een voorwaardelijke (gevangenis)straf met daarbij de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, niet langer geboden. De rechtbank acht, gelet op de ernst van het gepleegde feit, het aanzienlijke aandeel dat verdachte hierin heeft gehad en de hierboven omschreven persoonlijke omstandigheden van verdachte, een werkstraf van 140 uren in beginsel passend.

De rechtbank is echter met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is sprake van berechting binnen een redelijke termijn in eerste aanleg indien binnen twee jaar een eindvonnis is gewezen (HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 en HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358). Bij de vaststelling van de omvang van de overschrijding van de redelijke termijn hanteert de rechtbank 8 november 2007 – de datum van het eerste politieverhoor van verdachte – als beginpunt. Nu de zaak pas ruim drie jaar later, namelijk op 23 februari 2011, zal worden afgerond met een eindvonnis in eerste aanleg, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden. Deze overschrijding is niet geheel te wijten aan het feit dat op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord door de rechter-commissaris. Gelet op deze overschrijding zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 120 uren, in plaats van de hiervoor vermelde 140 uren.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 22c, 22d, 47 en 359 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplegen van het als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 120 (honderdtwintig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (zestig) DAGEN.

Dit vonnis is gewezen door:

mr.J. Eisses, voorzitter,

mrs.E.C.M. Bouman en J.T.W. van Ravenstein, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P. Kuipers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2011.

Mr. Bouman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.