Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5642

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
AWB 10-9922
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat uitzettingen via het vliegveld Aden Adde geschieden. Het standpunt dat uitzettingen geschieden via de luchthaven die twintig kilometer ten westen van Mogadishu is gelegen, welk standpunt is gevoerd in de procedure die heeft geleid tot de Afdelingsuitspraak van 28 december 2010 (201009950/V3), heeft verweerder derhalve inmiddels verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich zonder nadere motivering niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat uitzetting via een luchthaven in Mogadishu mogelijk is, nu onvoldoende is gebleken dat vreemdelingen het vliegveld op een veilige manier kunnen verlaten en verder over land naar andere gebieden kunnen reizen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de weg naar het vliegveld onder controle van TFG en de AMISOM-troepen staat, maar waar deze weg ligt, welke plaatsen de weg verbindt of waar ze naartoe leidt, is niet toegelicht. Ook is niet duidelijk gemaakt of er vanaf deze luchthaven binnenlandse vluchten plaatsvinden naar plaatsen elders in Centraal- en Zuid-Somalië. Volgt vernietiging van het bestreden besluit en opdracht tot het nemen van een nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/9922

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2011

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1985,

van Somalische nationaliteit,

verblijvende te [plaats A],

eiser,

gemachtigde mr. R.C. van den Berg,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. J.A.C.M. Prins.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft op 15 maart 2010 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 13 januari 2011, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Op 17 januari 2011 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend en eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op de ter zitting aan de orde gestelde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 december 2010 (201009950/1/V3).

De gemachtigde van eiser heeft gereageerd bij brief van 24 januari 2011.

De gemachtigde van verweerder heeft hierop gereageerd bij brieven van 28 januari 2011 en 4 februari 2011.

Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of de weigering om eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, in rechte stand kan houden.

2. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser aangevoerd dat hij zijn land van herkomst heeft verlaten, omdat hij is bedreigd door zijn schoonvader (die tevens de broer is van zijn vader). Eiser is bedreigd omdat hij vaak danst. Volgens zijn schoonvader, een strenggelovige moslim, is dansen een zonde. De schoonvader heeft eiser gevraagd te scheiden van zijn dochter. Toen eiser dit weigerde, heeft de schoonvader eiser met de dood bedreigd. In februari 2009 is eiser door zijn schoonvader met een mes in zijn kuit gestoken, omdat eiser deelnam aan een traditioneel dansfeest in Ali Yaalo. In maart 2009 is de schoonvader met zijn twee zonen de ouderlijke woning van eiser binnengevallen. Zij hebben de vader van eiser neergeschoten. Eiser heeft kans gezien om te ontsnappen. Hij is ondergedoken bij een tante. Op 25 maart 2009 heeft eiser zijn land van herkomst verlaten.

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000.

4. In het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft verweerder geconstateerd dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn reisroute te kunnen vaststellen. Volgens verweerder heeft eiser onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van zijn reisroute, nu hij zijn reisverhaal niet heeft onderbouwd met het gebruikte valse paspoort en vliegticket. Naar de mening van verweerder is dit aan eiser toe te rekenen, nu eiser heeft verklaard dat hij het paspoort en het vliegticket op de luchthaven Schiphol heeft afgestaan aan zijn reisagent, zodat hij op dat moment reeds in Nederland was waar hij de bescherming van de Nederlandse autoriteiten kon inroepen. De verklaring van eiser dat hij de reisdocumenten heeft afgegeven aan de reisagent omdat hij dit met de reisagent had afgesproken, acht verweerder niet verschoonbaar. De stelling is de zienswijze dat sprake was van dwang wordt door verweerder niet gevolgd nu uit de verklaringen van eiser enkel blijkt dat de reisagent heeft gezegd dat eiser zou worden vastgezet in Nederland als hij de papieren niet zou afstaan. Tevens is eiser niet in staat gebleken zijn reis te onderbouwen met andere reisbewijzen, noch met enig ander al dan niet indicatief document.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid het ontbreken van reisdocumenten aan eiser kunnen toerekenen. Uit de verklaringen van eiser kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat hij het gebruikte paspoort en vliegticket onder dwang aan de reisagent heeft afgestaan. De opmerking van de reisagent dat eiser zou worden vastgezet, maakt dit niet anders aangezien eiser zich op dat moment reeds in Nederland bevond waar hij de bescherming van de autoriteiten kon inroepen onder overlegging van alle beschikbare documenten. De enkele omstandigheid dat eiser afhankelijk was van de reisagent, zoals namens eiser is aangevoerd, betekent niet dat eiser geen eigen verantwoordelijkheid heeft om zijn reis waar mogelijk met documenten te staven.

Ten aanzien van de stelling in beroep dat de wettelijke grondslag ontbreekt om artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser tegen te werpen, omdat dit artikellid niet staat vermeld onder het kopje “Besluit” in de beschikking, overweegt de rechtbank dat eiser hierin niet wordt gevolgd. In het bestreden besluit is verwezen naar het voornemen van 16 december 2009 dat is overgenomen en dat als ingelast dient te worden beschouwd. In dit voornemen is vermeld dat de aanvraag van eiser is afgewezen met toepassing van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Gelet hierop is de aanvraag mede op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 afgewezen.

6. Indien, zoals in casu het geval is, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, en onder f, van de Vw 2000, geldt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dat in het asielrelaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden mogen voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan om geloofwaardig geacht te kunnen worden.

7. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van het relaas van eiser geen positieve overtuigingskracht uit gaat. Naar de mening van verweerder heeft eiser zijn problemen met zijn schoonvader niet aannemelijk gemaakt. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat eiser heeft verklaard dat hij van jongs af aan danst. De schoonvader van eiser is tevens de broer van eisers vader en woont op hetzelfde terrein als de familie van eiser. Voordat eiser op 1 januari 2006 nichtje trouwde met zijn nichtje, was de schoonvader derhalve bekend met eisers voorliefde voor dansen. Eiser heeft geen verklaring gegeven voor de plotselinge bezwaren van de schoonvader tegen het dansen. De verklaring die eiser in de zienswijze heeft gegeven, te weten dat zijn schoonvader een strenge moslim is geworden zoals thans wordt voorgestaan door groeperingen zoals Al-Shabaab en dat zijn schoonvader een militante stroming van de islam is gaan aanhangen, wordt door verweerder niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft in zijn nader gehoor niet kunnen verklaren welke geloofsovertuiging zijn schoonvader heeft en tot welke groepering hij behoort. Dit is opmerkelijk nu eiser op hetzelfde terrein woonde als zijn schoonvader.

8. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat nu de gebeurtenissen waarover eiser heeft verklaard, voortvloeien uit de omstandigheid dat zijn schoonvader strenger zou zijn geworden in zijn geloofsovertuiging, deze gebeurtenissen eveneens niet geloofwaardig worden geacht. Daar komt bij dat eiser slechts summier heeft verklaard over het incident in Ali Yaalo. Zo kan eiser slechts bij benadering aangeven wanneer deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden en kan hij niet vertellen hoe zijn schoonvader te weten is gekomen dat hij in Ali Yaalo deelnam aan een dansfeest. Ook is onduidelijk hoe vaak zijn schoonvader nadien nog langs is gekomen om eiser te bedreigen. Voorts heeft eiser niet gedetailleerd kunnen verklaren over het incident op 1 maart 2009 en over de wijze waarop hij is ontsnapt.

9. Verweerder heeft verder overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser tot aan zijn vertrek uit Somalië op 25 maart 2009 zonder problemen bij zijn tante heeft kunnen verblijven. Dat de schoonvader hem niet heeft gezocht bij (de woning van) eisers tante, omdat zij een tante is van zijn moeders kant, vormt hiervoor geen afdoende verklaring. Eiser woonde jarenlang met zijn schoonfamilie op hetzelfde terrein en zijn schoonvader is de broer van zijn vader, zodat niet aannemelijk is dat zijn schoonvader de familie van zijn moeder niet kent.

10. Volgens verweerder leiden de artikelen die eiser heeft overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat gelegenheden waarbij wordt gedanst op gewelddadige wijze worden verstoord door fundamentalistische islamieten omdat dansen als strijdig wordt beschouwd met de islam, niet tot een andere conclusie. Hiermee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk problemen heeft ondervonden vanwege zijn voorliefde voor dansen.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert en in zijn geheel ongeloofwaardig is te achten. De stelling van eiser dat hij van mening is dat hij voldoende gedetailleerd heeft verklaard over de genoemde gebeurtenissen, wordt door rechtbank niet gevolgd. Zo heeft eiser niets kunnen vertellen over het proces van radicalisering van zijn schoonvader en weet hij niet of zijn schoonvader tot een bepaalde islamitische groepering behoort. Hetgeen eiser overigens in beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van de stellingen die in de zienswijze naar voren zijn gebracht en waarop verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden aan eiser op basis van zijn persoonlijke vluchtverhaal een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 onthouden.

13. Nu verweerder het relaas van eiser ongeloofwaardig heeft mogen achten, heeft verweerder zich tevens terecht op het standpunt gesteld dat hij vanwege zijn asielrelaas bij terugkeer niet heeft te vrezen voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

14. Eiser heeft een gemotiveerd beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn).

15. Eiser heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat in Zuid- en Centraal-Somalië sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Eiser heeft ter onderbouwing van dit standpunt in de zienswijze verwezen naar de algemene ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken over Somalië van 4 maart 2009 en 19 oktober 2009, het rapport van de VN-Veiligheidsraad over Somalië van 31 december 2009, het rapport van de UNHCR van 26 oktober 2009, het rapport van International Displacement Monitoring Centre inzake Somalië van 10 december 2009 en naar relevante rechtspraak.

16. Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit [plaats B], in de provincie Middle Shabelle, gelegen in Centraal-Somalië.

17. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals hiervoor bedoeld, in Zuid- en Centraal-Somalië. In het bestreden besluit heeft verweerder nog opgemerkt dat [plaats B], waaruit eiser afkomstig is, niet is gelegen in de omgeving van Mogadishu en dat de situatie in [plaats B] en de situatie in Mogadishu geen gelijke gevallen betreft. In zijn verweerschrift heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2010, LJN: BN6714, waaruit volgt dat zich in Middle Shabelle niet de uitzonderlijke situatie voordoet als bedoeld in voormelde bepaling.

18. Naar het oordeel van de rechtbank vormt hetgeen door eiser ter zake is ingebracht, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2010, onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op voormeld standpunt heeft gesteld. De stelling van eiser dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat verweerder in het besluit niet inhoudelijk heeft gereageerd op de in de zienswijze aangehaalde en (deels) overgelegde rapportages, wordt door de rechtbank niet gevolgd. De door eiser overgelegde stukken geven informatie over de algemene veiligheidssituatie in Somalië, maar zien niet in het bijzonder op het gebied waaruit hij afkomstig is, de provincie Middle Shabelle.

19. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat eiser aldus niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich op dat moment aldaar de situatie voordeed, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, zodat hij ook op die grond geen aanspraak op bescherming kan ontlenen aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

20. Bij brief van 17 januari 2011 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat zij aanleiding zag om het onderzoek te heropenen en partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op de ter zitting aan de orde gestelde uitspraak van de Afdeling van 28 december 2010 (201009950/1/V3).

21. Bij brief van 24 januari 2011 heeft de gemachtigde van eiser gereageerd en aangevoerd dat de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2010 niet van toepassing is in de onderhavige procedure, omdat die uitspraak is gedaan in een bewaringszaak en een bewaringsprocedure zich niet leent voor de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie in Zuid- en Centraal-Somalië. Voorts betwist eiser dat de internationale luchthaven van Mogadishu op twintig kilometer afstand van de stad Mogadishu is gelegen. Volgens eiser is op Google maps te zien dat de luchthaven aan de ene kant wordt begrensd door de stad en aan de andere kant door de zee. De luchthaven is dus gelegen in de stad, althans aan de rand van de stad, en moet tot Mogadishu worden gerekend. Derhalve dient ook ten aanzien van de internationale luchthaven een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn te worden aangenomen. Op de kaart is tevens te zien dat op een afstand van twintig kilometer ten westen van Mogadishu een onverharde weg is gelegen, die een landingsstrip zou kunnen zijn. Er zijn rondom die landingsstrip echter geen gebouwen zichtbaar, hetgeen niet duidt niet op enige bewaking door troepen van de Transitional Federal Government (TGF). Het komt eiser onwaarschijnlijk voor dat via deze landingsstrip (ten westen van Mogadishu) 1000 mensen per maand arriveren. Eiser stelt dan ook dat verweerder de Afdeling tijdens de zitting, die heeft geleid tot de uitspraak van 28 december 2010, kennelijk niet juist heeft geïnformeerd. Volgens eiser is uitzetting via Mogadishu niet mogelijk vanwege de onveilige situatie.

22. Bij brief van 28 januari 2011 heeft verweerder op het schrijven van eiser gereageerd. Primair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de onderhavige procedure betrekking heeft op een toelatingsbeslissing waarbij geen plaats is voor de beoordeling van (de effectuering van) de uitzetting. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de Afdeling in haar uitspraak van 28 december 2010 rekening heeft gehouden met de ligging van het vliegveld ten opzichte van de stad Mogadishu. De Afdeling is tot het oordeel gekomen dat gelet op de ligging van de internationale luchthaven Mogadishu ten opzichte van de stad Mogadishu op voorhand evenmin vaststaat dat verwijdering van vreemdelingen naar Somalië via die luchthaven onmogelijk is omdat vandaar niet verder kan worden gereisd naar buiten Mogadishu gelegen gebieden. Het internationale vliegveld van Mogadishu is gelegen twintig kilometer ten zuidwesten van de stad. Naar de mening van verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om naar zijn woonplaats te reizen, zonder Mogadishu te doorkruisen.

23. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 4 februari 2011 de rechtbank als volgt bericht:

<i>“In weerwil van hetgeen in de uitspraak van de afdeling van 28 december 2010, 201009950/1/V3, is aangegeven, is het internationale vliegveld Aden Adde niet op 20 kilometer van de stad Mogadishu gelegen, maar aan de periferie van de stad.

Vorenstaande laat onverlet dat verweerder primair van mening is dat de (effectuering van de) uitzetting niet aan de orde kan worden gesteld in een toelatingsprocedure. Verweerder verwijst hiervoor naar de jurisprudentie van de Afdeling zoals deze is genoemd in de brief van 28 januari 2011.

Subsidiair is verweerder van mening dat, gelet op de ligging van het internationale vliegveld ten opzichte van de stad Mogadishu, op voorhand evenmin vaststaat dat verwijdering van vreemdelingen naar Somalië via die luchthaven onmogelijk is omdat vandaar niet verder zou kunnen worden gereisd naar buiten Mogadishu gelegen gebieden. In dat verband wijst verweerder op de omstandigheid dat het internationale vliegveld onder controle staat van de TFG, gesteund door de troepen van de African Union Mission. Ook de weg naar het vliegveld staat onder controle van de TFG en de troepen van AMISOM. Gelet hierop is verweerder van mening dat niet bij voorbaat kan worden gezegd dat uitzetting via het internationale vliegveld onmogelijk is.”</i>

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder bij de brief van 4 februari 2011 een kaart gevoegd, waaruit volgens verweerder blijkt dat het vliegveld Aden Adde onder controle is van de TFG/AMISOM.

24. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat in de onderhavige procedure geen plaats is voor de beoordeling van de uitzetting. Immers uit de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2002, JV 2002/169, komt naar voren dat de rechter de afwijzing van de asielaanvraag dient te toetsen in het licht van het mede daaraan verbonden rechtsgevolg dat de vreemdeling ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet. Nu in het bestreden besluit is bezien of terugkeer naar Zuid- en Centraal-Somalië met het oog op artikel 3 van het EVRM en artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn verantwoord is te achten en nu de uitzetting naar of via Mogadishu mogelijk in strijd is met voornoemde artikelen en daarom verband kan houden met de toelatingsgrond als genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, staat de vraag waarnaar wordt uitgezet thans wel ter beoordeling. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraken van de Afdeling van 24 juli 2002, LJN: AH9548 en 9 juni 2004, 200308511/1. Daarenboven is de rechtbank van oordeel dat de vraag naar welke plaats wordt uitgezet met het oog op finale geschillenbeslechting bij de beoordeling van het beroep dient te worden betrokken en niet eerst in een afzonderlijke procedure in het kader van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000.

25. Ten aanzien van het subsidiair aangevoerde standpunt van verweerder oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling er in haar uitspraak van 28 december 2010 van uitgaat dat de internationale luchthaven van Mogadishu ongeveer twintig kilometer ten westen van de stad is gelegen. Verweerder verwijst in de brief van 4 februari 2011 echter naar het internationale vliegveld Aden Adde, gelegen aan de periferie van de stad. Hieruit leidt de rechtbank af dat de luchthaven waarop verweerder doelt een andere luchthaven betreft dan de luchthaven ten westen van Mogadishu, waarop de uitspraak van de Afdeling betrekking heeft. Dat doet de vraag rijzen, via welke luchthaven verweerder nu precies uitzet. Gelet op de tekst van verweerders brief van 4 februari 2011, in samenhang bezien met de daarbij gevoegde kaart waarop volgens verweerder te zien is dat het vliegveld, waarnaar wordt uitgezet, onder controle is van TFG/AMISOM, stelt verweerder zich thans op het standpunt dat uitzettingen via het vliegveld Aden Adde geschieden. Het standpunt dat uitzettingen geschieden via de luchthaven die twintig kilometer ten westen van Mogadishu is gelegen, welk standpunt is gevoerd in de procedure die heeft geleid tot de Afdelingsuitspraak van 28 december 2010, heeft verweerder derhalve inmiddels verlaten.

26. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder blijkens paragraaf C24/7.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 aanneemt dat in Mogadishu een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn heerst. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich zonder nadere motivering niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uitzetting via een luchthaven in Mogadishu mogelijk is, nu onvoldoende is gebleken dat vreemdelingen het vliegveld op een veilige manier kunnen verlaten en verder over land naar andere gebieden kunnen reizen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de weg naar het vliegveld onder controle van TFG en de AMISOM-troepen staat, maar waar deze weg ligt, welke plaatsen de weg verbindt of waar ze naartoe leidt, is niet toegelicht. De kaart die verweerder bij de brief van 4 februari 2011 heeft meegezonden, waaruit zou blijken dat het vliegveld onder controle staat van de TFG en AMISOM, biedt hierover evenmin helderheid. Ook is niet duidelijk gemaakt of er vanaf deze luchthaven binnenlandse vluchten plaatsvinden naar plaatsen elders in Centraal- en Zuid-Somalië.

27. Het vorenstaande brengt met zich dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de uitzetting van eiser, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, dat vereist dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

28. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank geen termen aanwezig de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

29. Voor zover eiser voorts nog heeft gesteld dat hij in het bezit had dienen te worden gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, aangezien het door verweerder gevoerde categoriale beschermingsbeleid voor Somalië eerst op 27 juli 2009 is afgeschaft, overweegt de rechtbank als volgt. Ten tijde van het bestreden besluit van 19 februari 2010 was het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2009/16 van kracht (in werking getreden op 29 juli 2009). Hierin heeft verweerder aangegeven dat hij heeft besloten het beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers afkomstig uit Centraal- en Zuid-Somalië te beëindigen. In dit WBV is daarnaast bepaald dat de beleidswijziging terugwerkt tot 19 mei 2009. Aangezien de aanvraag van eiser dateert van ná die datum (te weten: 1 juli 2009), is de beleidswijziging ook op deze aanvraag van toepassing. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze nevenzittingsplaats 14 oktober 2010, LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BO0493" target="_blank" >BO0493</a> en de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2010, LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BN6722" target="_blank" >BN6722</a>. Voor zover eiser heeft gesteld dat het categoriale beschermingsbeleid voor Somalië ten onrechte is beëindigd, is de rechtbank - in navolging van de Afdeling in haar uitspraken van 9 september 2010, LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BN6714" target="_blank" >BN6714</a> en LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BN6705" target="_blank" >BN6705</a> - van oordeel dat verweerder, in redelijkheid tot beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië heeft kunnen besluiten.

30. Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat in deze uitspraak één of meer beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Als eiser niet wil berusten in de verwerping van deze beroepsgronden, is het nodig dat hij tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep instelt. Als hij dit nalaat, bestaat namelijk de mogelijkheid dat de bestuursrechter in een eventueel vervolg van deze procedure zal uitgaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de hier verworpen beroepsgronden.

31. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 19 februari 2010;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 874,00.

Aldus gedaan door mr. J.M.H. Rijken-Lie als rechter in tegenwoordigheid van mr. F.C. Meulemans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2011.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>vier weken</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: