Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5619

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
11/3451 en 11/5077
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen terugkeerbesluit.

Uit de systematiek van de Terugkeerrichtlijn volgt dat aan de bewaring steeds een terugkeerbesluit ten grondslag moet liggen. Het spoedeisend belang van een verzoek om voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen een terugkeerbesluit van een vreemdeling die in bewaring is gesteld is hiermee in beginsel gegeven. Uit de gedingstukken blijkt dat bij besluit van 17 september 2009 de verblijfsaanvraag van verzoeker van 2 september 2009 is afgewezen en dat verzoeker bij besluit van 1 april 2010 tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Bij die beschikkingen is hem een terugkeerverplichting opgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden van de Terugkeerrichtlijn waaronder verweerder de nodige maatregelen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, zoals de inbewaringstelling, kan nemen. Verzoeker heeft immers niet aan de bij de beschikkingen opgelegde terugkeerverplichting voldaan. Gelet hierop heeft het terugkeerbesluit van 28 januari 2011 geen betekenis voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaring, zodat verzoeker geen belang heeft bij een beoordeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen de feitelijke uitzetting.

Geen rechtsregel verplicht verweerder om verzoeker naar het land van diens keuze uit te zetten. Zoals de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Alkmaar, heeft overwogen in de uitspraak van 25 maart 2005 (LJN AT4155) betekent dit evenwel niet dat verweerder in het geheel geen rekening hoeft te houden met de belangen van verzoeker bij de uitzetting naar een bepaald land. Verzoeker heeft in onderhavige procedure reeds op 31 januari 2011 aan verweerder kenbaar gemaakt te beschikken over een geldig visum voor de Verenigde Staten en zelf te willen vertrekken dan wel te willen worden uitgezet naar de Verenigde Staten en niet te willen worden uitgezet naar India. Door geen enkel nader onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van vertrek dan wel uitzetting van verzoeker naar de Verenigde Staten, terwijl verweerder beschikt over het paspoort met het - naar verzoeker stelt - daarin aangebrachte visum voor de Verenigde Staten, handelt verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met de vereiste zorgvuldigheid. De omstandigheid dat verzoeker al eerder de gelegenheid heeft gehad om zelf naar de Verenigde Staten te vertrekken, ontslaat verweerder niet van de verplichting om bij de uitzetting de belangen van verzoeker te betrekken en daarnaar nader onderzoek te doen. Het verzoek wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nrs.: AWB 11/3451 en AWB 11/5077

V-nummer: [nummer]

Inzake: [naam], verzoeker,

gemachtigde mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde mr. T. Nauta.

I Procesverloop

1 Verzoeker is geboren op [dag en maand] 1970 en bezit de Indiase nationaliteit.

2 Op 31 januari 2011 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, geregistreerd met kenmerk AWB 11/3451, hangende het bezwaar van verzoeker van 31 januari 2011 gericht tegen de door verweerder voorgenomen uitzetting van verzoeker op 22 februari 2011 om 10.55 uur naar India.

3 Op 31 januari 2011 heeft eiser tevens bezwaar gemaakt tegen het terugkeerbesluit dat op 28 januari 2011 aan verzoeker is uitgereikt. Op 11 februari 2011 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen, geregistreerd met kenmerk AWB 11/5077, die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op dit bezwaar is beslist.

4 De openbare behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op

17 februari 2011. Ter zitting is verschenen verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningen¬rechter toetst in dat kader of het bestreden besluit kennelijk rechtmatig dan wel kennelijk onrechtmatig is. Is van zodanige kennelijke (on)rechtmatigheid geen sprake, dan gaat de voorzieningenrechter over tot een belangenafweging. Voorzover deze toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

Ten aanzien van procedure AWB 11/3451

2.1 Verzoeker voert aan dat hij een geldig paspoort heeft met daarin aangebracht een geldig visum voor de Verenigde Staten. Verzoeker betoogt dat verweerder in strijd handelt met de beginselen van een behoorlijk bestuur door verzoeker uit te zetten naar India. Verweerder heeft eiser niet de mogelijkheid gegeven zelf te vertrekken naar de Verenigde Staten en heeft evenmin de mogelijkheden van uitzetting van eiser naar de Verenigde Staten onderzocht. Bovendien loopt verzoeker bij terugkeer naar India het reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker al jarenlang de gelegenheid heeft gehad om zelf te vertrekken en dat nu eiser in vreemdelingenbewaring is gesteld hij zal worden uitgezet naar zijn land van herkomst. Verweerder dient een vreemdeling uit te zetten naar een land waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, in dit geval India. Er zijn geen omstandigheden waarom verzoeker niet naar India zou kunnen worden uitgezet. Bovendien is niet aangetoond dat de toegang van verzoeker tot de Verenigde Staten is gewaarborgd. Het land waarnaar verweerder de vreemdeling uitzet, staat niet ter vrije keuze van de vreemdeling.

2.3 De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

2.3.1 Onderhavig verzoek is ingediend hangende het bezwaar gericht tegen het concrete voornemen verzoeker op 22 februari 2011 uit te zetten naar India, een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Gelet op de op handen zijnde uitzetting heeft verzoeker een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening.

2.3.2 Het betoog van verzoeker dat hij bij terugkeer naar India een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling slaagt niet, nu hij deze stelling niet nader heeft onderbouwd.

2.3.3 Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen rechtsregel verweerder verplicht om verzoeker naar het land van diens keuze uit te zetten. Zoals de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Alkmaar, heeft overwogen in de uitspraak van 25 maart 2005 (LJN AT4155) betekent dit evenwel niet dat verweerder in het geheel geen rekening hoeft te houden met de belangen van verzoeker bij de uitzetting naar een bepaald land. Verzoeker heeft in onderhavige procedure reeds op 31 januari 2011 aan verweerder kenbaar gemaakt te beschikken over een geldig visum voor de Verenigde Staten en zelf te willen vertrekken dan wel te willen worden uitgezet naar de Verenigde Staten en niet te willen worden uitgezet naar India. Door geen enkel nader onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van vertrek dan wel uitzetting van verzoeker naar de Verenigde Staten, terwijl verweerder beschikt over het paspoort met het - naar verzoeker stelt - daarin aangebrachte visum voor de Verenigde Staten, handelt verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met de vereiste zorgvuldigheid. De omstandigheid dat verzoeker al eerder de gelegenheid heeft gehad om zelf naar de Verenigde Staten te vertrekken, ontslaat verweerder niet van de verplichting om bij de uitzetting de belangen van verzoeker te betrekken en daarnaar nader onderzoek te doen.

Dat de criminele antecedenten van verzoeker aan een uitzetting naar de Verenigde Staten in de weg staan, is door verweerder niet gesteld.

2.3.4 Gelet op het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb en om die reden kennelijk onrechtmatig moet worden geacht. Aan een belangenafweging wordt derhalve niet toegekomen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen, in die zin dat verweerder de uitzetting van verzoeker naar een ander land dan de Verenigde Staten achterwege laat totdat op het bezwaar is beslist.

2.4 Er bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van het indienen van het verzoek, vastgesteld op € 874 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en wegingsfactor 1).

2.5 De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht van € 152 door verweerder wordt vergoed.

Ten aanzien van procedure AWB 11/5077

3.1.1 Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) is een terugkeerbesluit de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld.

3.1.2 Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn vaardigen de lidstaten, onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.

3.1.3 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn nemen de lidstaten de nodige maatregelen om het terugkeerbesluit uit te voeren indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek overeenkomstig artikel 7, vierde lid, is toegekend of indien de betrokkene niet binnen de volgens artikel 7 toegestane termijn voor vrijwillig vertrek aan de terugkeerverplichting heeft voldaan.

3.1.4 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, voor zover thans van belang, kunnen de lidstaten, tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren.

3.1.5 Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, voor zover thans van belang, doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 24 december 2010 aan deze richtlijn te voldoen.

3.2 Verzoeker voert aan dat het terugkeerbesluit onbevoegd is genomen en dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn nu verzoeker geen vertrektermijn is gegund. Voorts is het Terugkeerbesluit in strijd met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn en heeft verweerder nagelaten een kenbare belangenafweging te maken.

3.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor het uitreiken van het terugkeerbesluit geen wettelijke basis nodig is en dat voor zover die wettelijke basis wel benodigd is, deze gevonden kan worden in de artikelen 27, 45 en 63 van de Vw 2000. Voor het uitreiken van het terugkeerbesluit aan verzoeker heeft een individuele toetsing plaats gevonden. Voorts volgt uit artikel 62 van de Vw 2000 dat de vertrektermijn verkort kan worden als er openbare orde aspecten spelen. Overigens heeft verzoeker al na de beschikking waarbij hij ongewenst is verklaard een termijn gehad om te vertrekken uit Nederland.

3.4 De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

3.4.1 Voorop moet worden gesteld dat de implementatieperiode is verstreken en dat er nog geen aanpassing van de Vw 2000 heeft plaatsgevonden ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn en dat daarom aan de Terugkeerrichtlijn vanaf 25 december 2010 directe werking toekomt voor zover bepalingen daaruit onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn gesteld.

3.4.2 Onderhavig verzoek is ingediend hangende het bezwaar gericht tegen het terugkeerbesluit dat op 28 januari 2011 aan verzoeker is uitgereikt. Uit de systematiek van de Terugkeerrichtlijn volgt dat aan de bewaring steeds een terugkeerbesluit ten grondslag moet liggen. Het spoedeisend belang van een verzoek om voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen een terugkeerbesluit van een vreemdeling die in bewaring is gesteld is hiermee in beginsel gegeven.

3.4.3 Uit de gedingstukken blijkt dat bij besluit van 17 september 2009 de verblijfsaanvraag van verzoeker van 2 september 2009 is afgewezen en dat verzoeker bij besluit van 1 april 2010 tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Bij die beschikkingen is hem een terugkeerverplichting opgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden van de Terugkeerrichtlijn waaronder verweerder de nodige maatregelen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, zoals de inbewaringstelling, kan nemen. Verzoeker heeft immers niet aan de bij de beschikkingen opgelegde terugkeerverplichting voldaan. Gelet hierop heeft het terugkeerbesluit van 28 januari 2011 geen betekenis voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaring, zodat verzoeker geen belang heeft bij een beoordeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

3.5 Nu geen sprake is van een belang bij een beoordeling van de gevraagde voorziening, zal het verzoek worden afgewezen.

3.6 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III Beslissing

De voorzieningenrechter:

recht doende:

1 wijst het verzoek met kenmerk AWB 11/3451 toe in die zin dat de uitzetting van verzoeker naar een ander land dan de Verenigde Staten achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist;

2 wijst het verzoek met kenmerk AWB 11/5077 af;

3 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrage van € 874;

4 bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 152 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J. de Gans, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 21 februari 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: