Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5552

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
09/753482-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Verdachte en medeverdachte worden beiden verdacht van hetzelfde feit, te weten het steken met een mes in het lichaam van [A]. Verdachte en medeverdachte wijzen elkaar aan als dader en het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting bieden aanwijzingen voor mededaderschap van dit feit. Dit brengt mee dat de rechtbank zich gesteld ziet voor de vraag of bewezen kan worden dat verdachte [A] heeft gestoken. Op basis van het wettig bewijs kan die vraag bevestigend worden beantwoord. Maar ook in de zaak van de medeverdachte is voldoende wettig bewijs aanwezig om tot een bewezenverklaring te komen. Het is dan ook de overtuiging die de doorslag moet geven. Bij gebreke van overtuiging spreekt de rechtbank verdachte vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/753482-10

Datum uitspraak: 18 februari 2011

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte X],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

adres: [adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 februari 2011.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.B. Baumgarten, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. H.J.J. Talsma heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt vrijgesproken. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [A]. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerp (1 telefoontoestel, kleur zwart, merk Nokia 1208) zal worden teruggegeven aan de verdachte.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 juli 2010 te Leiden, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [A] van het

leven te beroven, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp, meermalen, althans éénmaal, heeft gestoken in het lichaam van

genoemde [A], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 juli 2010 te Leiden ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [A], opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans

een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal, heeft gestoken

in het lichaam van genoemde [A], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid:

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte en [medeverdachte Y], wiens strafzaak tegelijkertijd met de zaak van verdachte is behandeld, worden beiden verdacht van hetzelfde feit, te weten het steken met een mes in het lichaam van [A]. Verdachte en [medeverdachte Y] wijzen elkaar aan als dader en het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting bieden aanwijzingen voor mededaderschap van dit feit. Dit brengt mee dat de rechtbank zich gesteld ziet voor de vraag of bewezen kan worden dat verdachte [A] heeft gestoken.

Op basis van het wettig bewijs kan die vraag bevestigend worden beantwoord. Maar ook in de zaak van [medeverdachte Y] is voldoende wettig bewijs aanwezig om tot een bewezenverklaring te komen. Het is dan ook de overtuiging die de doorslag moet geven.

Die overtuiging kan niet worden gebaseerd op de verklaring van aangever [A] nu hij niet heeft gezien wie hem heeft gestoken. Hij heeft verklaard ruzie te hebben gekregen met een lichtgetinte jongen en een donkere jongen. De rechtbank heeft ter terechtzitting kunnen waarnemen dat de huidskleur van verdachte donkerder is dan de huidskleur van [medeverdachte Y]. Aangever heeft het vermoeden uitgesproken te zijn gestoken door de jongen met de lichte huidskleur, maar heeft dit alleen gebaseerd op de plaats waar de lichtgetinte jongen stond op het moment dat hij werd gestoken en de plaats op zijn lichaam waar hij werd gestoken. Bij een fotoconfrontatie (sequentiële fotobewijsconfrontatie) heeft hij geen van beide verdachten herkend. Nu aangever niet uit eigen waarneming kan verklaren wie hem heeft gestoken, kan aan zijn verklaring weinig waarde worden gehecht.

Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen ([getuige 1]; [getuige 2]; [getuige 3]; [getuige 4]) geldt hetzelfde. Zij verklaren immers (al dan niet van aangever [A]) gehoord te hebben dat [medeverdachte Y] degene is geweest die aangever heeft gestoken maar geen van hen heeft dit zelf gezien.

De verklaring van getuige [getuige 5] is wel concreter, maar laat teveel ruimte open voor andere mogelijke scenario´s. Deze getuige heeft weliswaar verklaard dat zij zag dat iemand met een mes zwaaide en ook dat zij een mes zag in het lichaam van het slachtoffer, maar zij heeft niet gezien wie heeft gestoken. Zij heeft voorts gezien dat een donkere hand het mes weer uit het lichaam van het slachtoffer trok. Zij heeft echter vervolgens verklaard te hebben gehoord dat een blanke Hagenaar heeft gestoken en dat haar dit ook logisch voorkomt omdat die jongen recht tegenover het slachtoffer stond.

[getuige 6] is de enige getuige die heeft verklaard dat hij heeft gezien wie [A] heeft gestoken. Hij heeft aanvankelijk bij de politie een verklaring afgelegd waarin hij - naar het lijkt uit eigen waarneming - verklaart dat de blanke jongen degene is geweest die het slachtoffer heeft gestoken. In een later verhoor bij de politie heeft getuige [getuige 6] echter verklaard dat het niet de blanke jongen was maar de lange getinte jongen. Bij een fotoconfrontatie (sequentiële fotobewijsconfrontatie) heeft deze getuige zowel verdachte als [medeverdachte Y] herkend als de jongens over wie hij verklaringen heeft afgelegd. Op de vraag hoe het kan dat hij eerst expliciet de een en daarna de ander aanwijst, heeft hij aangegeven dat hij nog eens goed heeft nagedacht over de posities van de beide jongens en dat hij op basis daarvan tot de conclusie is gekomen dat de lange getinte jongen moet hebben gestoken. Indien dit juist is, moet ook ten aanzien van hem de conclusie zijn dat hij niet precies heeft gezien wie [A] heeft gestoken. Van een andere reden voor het wisselen van verklaring op dit cruciale punt is immers niet gebleken. Onder deze omstandigheden moet geconcludeerd worden dat ook deze verklaring geen duidelijkheid schept.

De rechtbank kan de overtuiging voorts niet baseren op de verklaring van [medeverdachte Y], alleen al omdat hij zelf verdacht wordt van hetzelfde feit en hij mitsdien een duidelijk belang heeft om verdachte als de dader aanwijzen. [medeverdachte Y] heeft voorts, na aanvankelijk te hebben gezwegen over de precieze toedracht van het feit en geen dan wel een ontwijkend of zelfs leugenachtig antwoord te hebben gegeven op de vraag wie had gestoken, verklaard dat dit verdachte is geweest. Hij wordt hierin slechts gesteund door zijn moeder, getuige [getuige 7], die, nadat [medeverdachte Y] deze voor verdachte belastende verklaring had afgelegd, op eigen initiatief de politie heeft benaderd met de verklaring dat verdachte tegenover haar had toegegeven het slachtoffer te hebben gestoken. Bij haar verklaring dienen vraagtekens te worden geplaatst, niet alleen omdat zij de moeder is van [medeverdachte Y], maar ook omdat haar zoon en zij verschillend hebben verklaard over het moment waarop verdachte deze bekentenis zou hebben afgelegd. Verdachte heeft daarnaast ontkend dat hij de moeder van [medeverdachte Y] toen heeft gezien of gesproken.

Verder bevat het dossier onvoldoende harde aanwijzingen of concrete aanknopingspunten, zodat de rechtbank bij gebreke van overtuiging verdachte zal dienen vrij te spreken.

De vordering van de benadeelde partij.

[A], wonende [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.892,33.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten:

1 telefoontoestel, kleur zwart, merk Nokia 1208.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding (primair/subsidiair) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de benadeelde partij [A] niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

gelast de teruggave aan verdachte van het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten:

1 telefoontoestel, kleur zwart, merk Nokia 1208.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Knijff, voorzitter,

mrs. E.A.G.M. van Rens en I.E.W. Gonzales, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2011.