Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5387

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
359851 HA ZA 10-660
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0819, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internationale bevoegheid Nederlandse rechter. Beroep op staatsimmuniteit wordt afgewezen. Geen forumkeuze ex artikel 8 Rv tot stand gekomen. Evenmin sprake van bevoegdheid Nederlandse rechter ex artikel 9 Rv (forum necessitatis).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 359851 / HA ZA 10-660

Vonnis in het bevoegdheidsincident van 16 februari 2011

in de zaak van

de rechtspersoon naar Turks recht

CORENDON TURISTIK HAVA TASIMACILIK A.S.,

gevestigd te Antalya,Turkije,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. B.S. Friedberg te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon naar Kameroens recht

DE REPUBLIEK KAMEROEN,

zonder bekende vestigingsplaats in- of buiten Nederland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. P.V.F. Bos te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna aangeduid als Corendon en de republiek Kameroen.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 november 2009, met producties 1-13;

- het herstelexploot van 10 maart 2010;

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;

- de conclusie van antwoord in het incident, met producties 14 en 15;

- de conclusie van repliek in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid;

- de conclusie van dupliek in het incident, met productie 16 en 17.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil

in de hoofdzaak

2.1.Corendon vordert - kort samengevat - veroordeling van de republiek Kameroen tot betaling aan haar van USD 379.166,23, te vermeerderen met rente en kosten.

2.2.Aan deze vordering heeft Corendon bij dagvaarding - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. Bij "wet lease overeenkomst" (hierna: de overeenkomst) van 14 september 2007 heeft Corendon een Boeing 737 - 300 verhuurd aan Cameroon Airlines, de nationale luchtvaartmaatschappij van Kameroen, voor de periode van 1 oktober 2007 tot 28 maart 2008. Cameroon Airlines is in gebreke gebleven met volledige betaling van de huurprijs. Op 30 maart 2008 is Cameroon Airlines is staat van faillissement geraakt. De republiek Kameroen heeft de schulden van Cameroon Airlines overgenomen. Bovendien heeft zowel de voormalig ambassadeur van de republiek Kameroen in Nederland de heer [A] (hierna: [A]) als de opvolgend ambassadeur mevrouw [B] (hierna: [B]) namens de regering van de republiek Kameroen aan Corendon betaling van de openstaande schuld van Cameroon Airlines toegezegd. Desondanks is betaling uitgebleven.

in het incident

2.3.De republiek Kameroen vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vordering van Corendon. Hiertoe voert zij aan dat de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid toekomt in deze zaak, gelet op het volgende.

2.4.De republiek Kameroen is geen partij geworden bij de overeenkomst. Zij heeft de schulden van Cameroon Airlines ook niet overgenomen. Evenmin hebben de bedoelde ambassadeurs enige rechtens relevante toezegging gedaan. Zij hebben slechts de zienswijze van Corendon aangehoord in hun hoedanigheid van diplomatieke vertegenwoordigers van de republiek Kameroen. Dit optreden betreft zuiver overheidshandelen dat valt binnen de immuniteit van jurisdictie die de republiek Kameroen toekomt.

2.5.Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) biedt geen basis om in deze zaak internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan te nemen. Er is tussen Corendon en de republiek Kameroen geen forumkeuze als bedoeld in artikel 8 Rv tot stand gekomen. De republiek Kameroen is immers geen partij bij de overeenkomst met de daarin onder artikel 24.1 opgenomen forumclausule voor de Nederlandse rechter. Evenmin is de republiek Kameroen door het optreden van haar ambassadeurs gebonden geraakt aan de forumclausule. Een beroep van Corendon op artikel 9, aanhef onder sub b en c Rv moet stranden. Niet is gebleken dat een gerechtelijke procedure buiten Nederland, bijvoorbeeld bij de Kameroense rechter, onmogelijk is. De zaak is niet met de rechtssfeer van Nederland verbonden. De republiek Kameroen betwist dat Corendon in Kameroen niet mag rekenen op onafhankelijke en onpartijdige rechters.

2.6.Corendon heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.De beoordeling in het incident

immuniteit van jurisdictie?

3.1.De rechtbank zal allereerst ingaan op het beroep van de republiek Kameroen op immuniteit van jurisdictie. Hiertoe neemt de rechtbank het volgende tot uitgangspunt.

Immuniteit van jurisdictie kan een staat slechts kan worden toegekend indien de handeling die de inzet van de procedure vormt, naar haar aard duidelijk het karakter van een overheidshandeling draagt. Zoals Corendon terecht heeft gesteld, dient deze kwalificatievraag aan de hand van de opvattingen van de forumstaat, in dit geval Nederland, te worden beantwoord (vgl. Hoge Raad 22 december 1989, NJ 1991, 70, rov. 3.3). Inzet van de procedure vormen de door Corendon aan haar vordering ten grondslag gelegde handelingen van de republiek Kameroen. In het kader van de kwalificatie behoeft niet te worden onderzocht of deze handelingen daadwerkelijk door de republiek Kameroen zijn verricht.

3.2.De door Corendon in de dagvaarding gestelde (rechts)handelingen zijn - kort

gezegd - het door de republiek Kameroen overnemen van de schulden van Cameroon Airlines en het doen van betalingstoezeggingen. In het kader van het incident heeft Corendon ook nog gesteld dat de overeenkomst (materieel) door de republiek Kameroen is aangegaan althans dat de republiek Kameroen alle rechten en verplichtingen van Cameroon Airlines heeft overgenomen. Dit zijn alle handelingen die naar hun aard eveneens door een particuliere partij kunnen worden verricht. Zij hebben dan ook niet het karakter van overheidshandelingen. Een en ander rechtvaardigt de conclusie dat het beroep op immuniteit van jurisdictie dient te worden verworpen.

artikel 8 Rv: forumkeuze?

3.3.Vervolgens is aan de orde de vraag of tussen partijen al dan niet een forumkeuze als bedoeld in artikel 8, lid 1, Rv voor de Nederlandse rechter is tot stand gekomen. Corendon beroept zich hiertoe op de in artikel 24.1 van de overeenkomst opgenomen forumclausule. Op zichzelf staat de rechtsgeldigheid van deze clausule tussen partijen niet ter discussie. Het gaat slechts om de vraag of de republiek Kameroen op enig moment aan deze forumclausule is gebonden geraakt. Dit moet worden beoordeeld naar Nederlands recht, temeer nu in artikel 24.1 van de overeenkomst naast een forumkeuze ook een rechtskeuze voor Nederlands recht is opgenomen. Voorts dient tot uitgangspunt dat op Corendon ter zake van de forumkeuze in beginsel de stelplicht rust.

3.4.De republiek Kameroen heeft bij haar eerste conclusie in het incident onder meer aangevoerd dat Cameroon Airlines in 2006 is geliquideerd, nadat op 31 maart 2006 in de buitengewone vergadering van aandeelhouders was besloten tot ontbinding van Cameroon Airlines. In reactie hierop heeft Corendon bij antwoord in het incident onder meer gesteld dat, aannemende dat Cameroon Airlines op 31 maart 2006 heeft opgehouden te bestaan, de overeenkomst materieel door de (volgens Corendon) enig aandeelhouder van Cameroon Airlines, de republiek Kameroen, is aangegaan. Dat Cameroon Airlines (al) op 31 maart 2006 is opgehouden te bestaan, heeft de republiek Kameroen echter gemotiveerd betwist bij conclusie van repliek in het incident. Hierbij heeft zij onder meer aangevoerd dat Cameroon Airlines in overeenstemming met de toepasselijke OHADA-wet nog tot 2008 is gecontinueerd en dat zij pas daarna het vereffeningstraject is ingegaan. Gelet hierop had het op de weg van Corendon gelegen haar stelling dat overeenkomst niet door Cameroon Airlines, maar door de republiek Kameroen is aangegaan, nader te onderbouwen. Bij gebreke van die onderbouwing moet de rechtbank het ervoor houden dat niet de republiek Kameroen, maar Cameroon Airlines de overeenkomst met Corendon heeft gesloten.

3.5.Corendon stelt voorts dat de republiek Kameroen alle rechten en verplichtingen van Cameroon Airlines uit de overeenkomst heeft overgenomen en daardoor is gebonden geraakt aan de forumclausule. Ter onderbouwing van deze stelling wijst Corendon op door haar advocaten met de ambassadeurs [B] en [A] en andere vertegenwoordigers van de republiek Kameroen gevoerde gesprekken waarvan de inhoud volgens Corendon schriftelijk is bevestigd in de door haar overgelegde brieven (producties 5, 6 en 8).

3.6.Voor zover in deze stellingen van Cordendon besloten ligt dat er sprake is van contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW ontbreekt de hiervoor vereiste akte tussen de overdragende en de overnemende partij. Bovendien is noch in de onder rov. 3.5 bedoelde brieven, noch in andere door Corendon overgelegde brieven de overeenkomst, laat staan de forumclausule, genoemd. De stelling van Corendon in de hoofdzaak dat de republiek Kameroen de schulden van Cameroon Airlines heeft overgenomen en betalingstoezeggingen heeft gedaan, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer mee dat de republiek Kameroen is gebonden geraakt aan de forumclausule. Een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat Corendon te weinig concrete feiten en omstandigheden gesteld die, mits bewezen, kunnen leiden tot de conclusie dat de republiek Kameroen de forumclausule tegen zich zal moeten laten gelden. Voor (nadere) bewijslevering is dan ook geen plaats.

3.7.Gelet op het voorgaande kan de rechtbank in deze zaak geen internationale bevoegdheid ontlenen aan artikel 8 Rv.

artikel 9 Rv?

3.8.Ten slotte beroept Corendon zich op artikel 9 aanhef en onder b respectievelijk c Rv. In het onder b bedoelde geval dient een gerechtelijke procedure buiten Nederland onmogelijk te zijn. Dit kan zowel betrekking hebben op een juridische onmogelijkheid (er is in het buitenland geen bevoegde rechter te vinden) als een feitelijke onmogelijkheid (als gevolg van natuurrampen, oorlog e.d. is de buitenlandse rechter feitelijk ontoegankelijk). Corendon heeft echter niet weersproken dat, zoals de republiek Kameroen heeft aangevoerd, in deze zaak kan worden geprocedeerd voor de Kameroense rechter. Reeds hiermee strandt het beroep van Corendon op artikel 9 aanhef en onder b Rv.

3.9.Artikel 9 aanhef en onder c Rv vereist (i) dat de zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland is verbonden en (ii) dat het onaanvaardbaar is van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt.

3.10.Onder verwijzing naar rov. 3.6 is de rechtbank van oordeel dat Corendon onvoldoende heeft onderbouwd dat de republiek Kameroen partij is geworden bij de overeenkomst. De in deze overeenkomst opgenomen rechtskeuze voor Nederlands recht verbindt deze zaak dan ook niet met de Nederlandse rechtssfeer. Daar komt nog bij dat de overeenkomst, gelijk de republiek Kameroen onweersproken heeft betoogd, tot stand is gekomen en uitgevoerd buiten Nederland en dat het Nederlandse kantoor van Corendon hierbij op geen enkele wijze betrokken is geweest. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de zaak onvoldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden. De rechtbank kan in het midden laten of aan het tweede vereiste als hiervoor bedoeld is voldaan.

3.11.Hetgeen hiervoor werd overwogen leidt de rechtbank tot de conclusie dat haar in deze zaak geen internationale bevoegdheid toekomt. De vordering in het incident zal dan ook worden toegewezen.

3.12.Corendon zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in de hoofdzaak als in het incident.

4.De beslissing

in de hoofdzaak en in het incident

4.1. verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen;

4.2.veroordeelt Corendon in de proceskosten, aan de zijde van de republiek Kameroen tot op heden begroot op € 4.951,- aan griffierecht en op € 904,- aan salaris advocaat;

4.3.verklaart de veroordeling onder rov. 4.2. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.